Zoekresultaten
24 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht
- Emotionele Afronding
Anders? Ik kom veel cliënten tegen die aangeven dat ze het gevoel hebben dat hun brein en zenuwstelsel anders werkt dan die van de meeste andere mensen. Ze denken sneller waardoor ze denkstappen ‘overslaan’, ze denken ‘top-down’ in plaats van ‘bottum-up’, ze denken in verbanden in plaats van in feiten, ze ervaren sneller diepere emoties en weten soms niet of die van henzelf zijn of van anderen, de overprikkeling en drukte in het hoofd is overweldigend en leidt tot allerlei lichamelijke en psychische symptomen – van slapeloosheid tot verslaving en van paniekaanvallen tot apathie, levenslust en enthousiasme zijn net zo heftig als het gevoel lamgeslagen en depressief te zijn. Kortom al je ervaringen zijn een factor 10 van wat je ziet bij mensen om je heen. Vervreemding Dit kan een gevoel van vervreemding geven wanneer je deze persoonlijke ervaringen niet kunt spiegelen met anderen. Maar daar zit niet het grootste probleem. Het probleem ontstaat pas wanneer je van jongs af aan te horen kreeg dat ‘het zo niet hoort’. ‘Je bent te extreem. Je bent wel heel bijzonder. Je gaat te snel. Je overdrijft. Je moet je rustiger gedragen en zoals alle anderen kinderen.’ En zo kan ik nog wel even doorgaan. Het komt dan ook niet weinig voor dat er een of andere diagnose gegeven wordt aan dit ‘afwijkende’ gedrag. Los van het feit of zo’n diagnose klopt of niet, helpt het vaak niet. Je voelde je als kind niet gezien, gehoord en begrepen voor wie je echt bent. Dat geeft een gevoel van onrust en veroorzaakt een onbewust zoeken naar bevestiging. De cyclus van gewaarzijn Vanuit de gestalt psychologie zeggen we dat een dusdanig belangrijke ‘gestalt’ van de cliënt niet is afgemaakt. Laat mij dit toelichten aan de hand van de cyclus van gewaarzijn. Wanneer we geen bijzondere behoeften hebben ervaren we rust. Wanneer we een behoefte voelen opkomen – bijvoorbeeld dorst, dan worden we dit gewaar. Vervolgens scannen we in onze omgeving voor water, we komen in beweging, gaan over tot het opdrinken van het water door er contact mee te maken. Onze behoefte is nu bevredigd waardoor we ons weer terug kunnen trekken. We ervaren weer rust. Het werkt zo met fysieke behoeftes, maar ook met emotionele. Wanneer iemand zich niet of nauwelijks gezien heeft gevoeld in zijn manier van denken, ervaren, beslissen en contact maken terwijl dit wel essentieel voor je was, dan verban je de behoefte aan ‘gezien worden’ en ‘je mag er zijn zoals je bent’ naar je onbewuste. Zo ontstaan er allerlei niet kloppende overtuigingen over hoe ‘vreemd’ je wel niet bent. Dat wil niet zeggen dat je deze behoefte ook niet meer hebt. Het wil wel zeggen dat je ze niet meer voelt. Het mooie aan het leven is dat omdat alles vraagt afgemaakt te worden, zich steeds situaties voordoen waarin je de kans krijgt om dat wat niet is afgemaakt alsnog af te maken. Niet afmaken en destructieve patronen Bij cliënten die zich als kind niet gezien hebben gevoeld, zie ik dat ze als volwassene steeds dezelfde destructieve patronen herhalen om alsnog gezien te zullen worden. Zo passen ze hun identiteit op existentieel niveau aan en stemmen ze zich af op de verwachting van de ander, in de hoop erbij te horen of te worden gewaardeerd voor de enorme moeite die ze doen. Een ander voorbeeld is dat ze alleen maar zorgen voor mensen in hun omgeving en zichzelf verwaarlozen, in de hoop zelf gezien te worden. Of mensen trekken zich destructief terug op hun eigen eiland waar ze met man en macht aantrappen tegen iedereen die in hun ‘ogen niet deugd’, in een wanhopige poging gezien te worden. Negatieve aandacht is immers ook aandacht. Of terwijl, mensen versmelten met de ander of trekken zich terug uit het contact. Beide zorgen voor eenzaamheid en een gevoel het alleen te moeten doen. Je wordt alsnog niet gezien. Een bewuste keuze voor verbinding Bewustwording van dit patroon maakt dat je een keuze krijgt om het anders te gaan doen. Nee, dat wat vroeger was kan je niet overdoen, compenseren of inhalen. Wat wel mogelijk is, is dat je als goede ouder voor jezelf het heft in eigen handen neemt. Dat wil zeggen dat je de kansen die het leven je biedt aanpakt om af te maken wat er niet afgemaakt is. Dit doe je door in contact te brengen welke behoefte jij hebt op dit moment. Zo neem je de plek in die jou gegeven is – niet meer en niet minder – met het brein wat jouw gegeven is. Je hoeft dan niet meer te versmelten en je hoeft je ook niet meer volledig terug te trekken. Door te staan voor wie jij bent en te delen wat jij nodig hebt (los van het feit of de ander je dit kan geven of niet), geef je jezelf de kans om tot je recht te komen en kom je de ander tegen op de contactgrens. En laat de contactgrens nu de plek zijn waar je zelf echt gezien kan worden en waar je de ander echt kan zien. Daar ontstaat verbondenheid! Herkenbaar? Voor mij wel! Benieuwd hoe dit voor jou werkt? Ik wandel graag met je mee!
- Gezondheid ondanks ziekte
Merijne Hazenoot-Hoorn, Public Note, December 2021 Abstract Based on a personal story, I explain three reasons why it is important that caregivers pay attention to the life-story and search for meaning of a person with a chronic disease in the middle of his/her life, during the diagnosis and treatment process. 1) Being chronically ill can disrupt the chronology of a life-story, whereas seeing cause and effect in a life-story can give people a sense of meaning. 2) This sense of meaning can result in an experience of health, despite illness. 3) However, during the diagnosis and treatment process there may be power tension between the caregiver and the care-receiver. Giving attention to these things and what it means to be sick, can overcome this. Therefore, I also explain the possible contribution of reflexive spaces against power tension and towards the attention of the life-story and search for meaning of a person with a chronic disease in the middle of his/her life. Lessons for practice 1) More attention should be given by caregivers to the life-story and search for meaning of a person with a chronic disease in the middle of his/her life. 2) Caregivers should be more aware of potential power tension between their professional opinion and the needs of a care-receiver given his/her life-story. 3) Reflexive spaces could help to emphasize the life-story of the care-receiver and can help to reduce possible power tension. Being chronically ill has influenced my life-story I am part of the 58% of the entire Dutch population who has one or more chronic conditions. Many think that only elderly have chronic disease, but 40% of all the chronic ill people was younger than 24 in 2019 (public health and care, 2021). These chronic diseases do not necessarily cause early death, but they do have a major impact on the daily lives of these people. My life-story confirms this. When I was a 12-year-old girl, after years of searching they discovered that I had Celiac disease. From one to the other moment, my whole life changed. The doctor told me I had a chronical disease of the intestines, which can only be treated by the elimination of gluten in my diet. After a year or so, I would be healthy again and life a normal live: no further impact. So, good luck with that. I did not even know what gluten were. But ‘no further impact’ could not have been more wrong. Trying to eat healthy and delicious food without gluten was one thing, but I was not prepared for the rest. From now on I always had to bring food for myself, or give explicit instructions, felt left out, or placed in a negative center during social occasions. Not to speak about the fear to fall ill from things other people enjoyed eating. For these reasons, I only saw this disease as a ‘social matter’. My body was ‘healed’, right? However, after a few years I recognized that not all the symptoms were ever gone, I just had ignored them. Some symptoms had come back, even though the test results constantly showed that my body was ‘healed’. Slowly I dared to face the fact that I was chronically ill and that this disease was not ‘simply’ a social matter. Because even if I would deny it or describe it differently, in fact I am chronically ill. Through this I came to see how this disease had influenced many choices in my life. For instance, the influence of this disease on my psychological wellbeing: the anxiety to eat, the fear to fall ill, the urge to control and the unhealthy amount of adaptability towards my social environment because ‘I was afraid to be a burden’. But also, the enormous amount of psychological resilience, the perseverance never to give up and above all, a way of looking at life that was not quite common for adolescences; a large amount of gratitude towards small things. Physical health was not the most important thing for me, it was the search for being meaningful and being grateful despite illness. In some ways the recognition of the fact that I am chronically ill, helped me to take myself seriously. However, I do not view myself as a ‘sick’ person, because despite the physical illness I still experience health through searching and experiencing a life that feels meaningful. The importance of a chronological life-story But experiencing health through meaning is difficult when I feel as if my life-story in relation to the disease is inconsistent. All people have the necessity to tell a chronological life-story. It helps us frame the elements of our personality. Besides, seeing cause and effect through chronology, helps us to make sense of ‘disruptions’ in our life-story, like illness or distress. This helps us to re-establish consistency and meaning in life, which contributes to processing difficult experiences (Zimbardo, Johnson & McCann, 2013). Being chronically ill is an inconsistent experience, which might lead to distress My experience is inconsistent because there is no ‘end’ with this disease. I cannot construct this experience of being ill in my history; looking back at it and thinking ‘right, that was hard, and I do understand why it was hard and how it has influenced my life, lets now deal with the present’. This makes chronical illness a different experience from for instance an infection disease. It will always be there! I therefore experience not only growth, stagnation, or neglect towards the experience, but also fallback, because I must cope and adapt towards the illness depending on the time and space in my life. Often, I experience growth, fallback, and everything in between in the same moment; I want to fight, flight, and freeze at the same time. This can be very confusing. It is like grieving; it never ends, but you must learn to deal with it over and over again, depending on the kind of confrontation. This could result in personal growth, but also in distress and anxiety. Every time I think that I have peace with this disease and focus on the thing that it brought me, instead of the things that could have been, I get confronted with it in a negative way. Then I experience incomprehension, condemnation, or fear that my body will just fall sick again. Every time I think ‘now I know how to relate to it the next time’ and see “the value” of it, life offers new challenges. This sometimes makes me feel like I am back where I started. As if all my resilience is gone and I am too tired to ‘fight’ again. These changes in experience as to the disease is threatening in itself. What if my perseverance is ever used up? Can I trust on my resilience throughout all the inconsistency of life? Will I always be able to keep searching meaning despite this disease? So, an experience of being chronically ill can be very inconsistent. According to Marsman (2021) and Boyer (2021), who both suffer from cancer, it is therefore logic that this experience leads to questions of meaning, which could lead to distress. Life-story, meaning and health Therefore, it is important to give attention to the life-story of people with a chronic disease, during the diagnosis and treatment process, so it can contribute to a feeling of meaning, and therefore a feeling of health. Because even though people are chronically ill, they can still experience health if they feel they are living a meaningful life (Huber & Jung, 2015). ‘Health’ not as a biomedical state, but also an interpersonal experience towards your own life. This could be explained by the idea of Frankl (1954) that the ‘will to meaning’ is the essence of being human; we cannot life without it, because it is what drives us. Besides, meaning also contributes to psychological and biomedical (physiological) health. Early finding of a study of Ryff, Singer & Love (2004) suggest that a sense of purpose results in lower levels of pro-inflammatory cytokines, cardiovascular risk, daily salivary cortisol, and longer duration of REM sleep in ageing women. Fogelman & Canli (2015) showed a faster recovery to pre-stress baseline levels of cortisol due to purpose. And Schaefer, Boylan, Van Reekum, Lapate, Norris, Ryff & Davidson (2013) showed that ‘having purpose in life may motivate reframing stressful situations to deal with them more productively, thereby facilitating recovery from stress and trauma’. These are hopeful effects of a feeling of meaning, especially for people who are chronically ill. Attention to meaning is just as important as attention to the biomedical It is however common in regular care, to only focus on biomedical treatments. Like in my story: ‘When you do not eat gluten, you will be cured’. Even though this was biomedically true, this led to power tension (Tronto, 1993) between the biomedical advice of the caregiver, and my personal needs as care-receiver. Most of my caregivers considered good care for my biomedical condition but did not consider my life-story and search for meaning in their advice. Also, neither when I was older and started to talk about this. This led to a feeling of not being seen and understood; sometimes even the feeling that I was reduced to an irreparable machine. This is worrisome, because we (myself and many with me) are as care-receivers vulnerable and depending on the expertise of the caregiver (Tronto, 1993). With a chronic disease, the ‘machine’ cannot be repaired (Barry & Yuill, 2016). And even though I am happy the disease symptoms are treatable; it has further impact besides the biomedical. It is therefore necessary to talk about what it means to be sick , and what kind of treatment fits your life-story and search for meaning. Attention to someone’s life-story and the impact of chronic disease on the search for meaning, could therefore overcome this power tension, and even contribute to a feeling of health despite illness. Life-story as a starting point in the diagnosis and treatment process: how reflexive spaces can help Reflexive spaces ( spaces where people collectively reflected in a metacognitive way on their own actions and that of other) (Wigg, Aas & Bal, 2019) could help caregivers and care- receivers, to give more attention to these things. During my master thesis I conducted research into how caregivers contribute to quality of life, of which meaning is part, of people with dementia in the palliative phase. I think we can learn something of use from the things I discovered, for the diagnosis and treatment process of people with a chronic disease who are still in the middle of life. The caregivers in my research were very aware of the integral connection between experiencing/searching meaning in life and the biomedical condition of someone. They reached these insights with a multidisciplinary team in reflexive spaces (Wiig, Aas & Bal, 2019). The role of their own frame of reference in the care process was also reflected. It was a safe and open place where people were open to learning through feedback, through dialogue and telling stories. Because they reflected in this way, they reached together with the care-receiver (or his/her family) the most appropriate care-vision for the individual, given his/her life-story. Their shared vision became a protective factor for the possible subjective judgment of one caregiver. This was because they became aware of the possible power tension , which allowed them to influence negative effects of this. This made the life- story of the care-receiver the starting-point of the treatment. Conclusion I argued the positive results of the use of reflexive spaces towards possible power tension between the caregiver and the care-receiver. Even though the care settings of care-receivers with dementia in the palliative phase and care-receivers with a chronic disease in the middle of life, are hard to compare, both groups need attention from the caregiver towards their life- story and search for meaning. Giving attention to the life-story of people with a chronic disease, can result in a less inconsistent experience. This may lead to a greater sense of meaning through chronology. Through this sense of meaning, people can still experience health despite their physical illness. The use of reflexive spaces could be helpful to give more attention to this. It could overcome possible power tension and make the life-story and search for meaning of the care- receiver the starting-point of the treatment. “My history, present and future are all influenced by this inconsistent experience of being ill, even during moments I feel completely healthy. Even though I always strongly resisted the idea that I must identify ‘myself’ with this disease, after 12 years I can no longer deny that disease is part of my identity. The fact that this disease will always be shaping my life, is the only consistent factor in this inconsistent and insecure experience. That is why I search for meaning through my disease, so I feel like being ‘more’ than just a person with a disease that never ends.” (A.M. Hazenoot-Hoorn, 2021) References Barry, A.M. & Yuill, C. (2016). Understanding the Sociology of Health (4th edition). London, United Kingdom: SAGE. Boyer, A. (2021). Het ontsterven. Amsterdam, The Netherlands: Atlas Contact. Frankl, V.E. (1952). The Doctor and the Soul: From Psychotherapy to Logotherapy. Vienna, Austria: Franz Deuticke. Fogelman, N. & Canli, T. (2015). ‘Purpose in Life’ as a psychosocial resources in healthy aging: an examination of cortisol baseline levels and response to the Tier Social Stress Test. Aging and Mechanisms of Disease, doi: 10.1038/npjamd.2015.6. Huber, M. & Jung, H.P. (2015). Persoonsgerichte zorg is gebaat bij kennis van ziekte en van gezondheid: een nieuwe invulling van gezondheid, gebaseerd op de beleving van de patiënt: ‘Positieve Gezondheid’. Bohn Stafleu van Loghum , 31: 589-597, doi: 10.1007/s12414-015- 0072-7. Marsman, L. (2021). In mijn mand, Amsterdam, The Netherlands: Uitgeverij Pluim.Ryff, C.D., Singer, B.H. & Love, G.D. (2004). Positive Health: connecting well-being with biology. Philosopical Transactions B, 359 (1449): 1383-1389. Schaefer, S.M., Boylan, J.M., Van Reekum, C.M., Papate, R.C., Norris, C.J., Ryff, C.D. & Davidson, R.J. (2013). Purpose in Life Predicts Better Emotional Recovery from Negative Stimuli. PLOS ONE, 8 (11): e80329. Doi: 10.1371/journal.pone.0080329. Tronto, J. (1993). Moral Boundaries. New York, United States: Routledge. Volksgezondheid en zorg. (2021). Prevalentie multimorbiditeit naar aantal chronische aandoeningen. Received on September 23 2021, from: https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/chronische-aandoeningen-en- multimorbiditeit/cijfers-context/huidige-situatie#node-prevalentie-multimorbiditeit-naar- aantal-chronische-aandoeningen Wiig, S., Aase, K., & Bal, R. (2019). Reflexive Spaces: Leveraging Resilience Into Healthcare Regulation and Management. Journal Patient Safety , 0 (0), 1-4. Zimbardo, P.G., Johnson, R.L. & McCann, V. (2013). Psychologie een inleiding (7th edition). Amsterdam, The Netherlands: Pearson.
- Verantwoordelijkheid als onvermijdbaar appél
Levinas was Franse filosoof (1906-1995) die veel nadacht over hoe je de verbinding aan kon gaan met mensen om je heen en hoe je daarin wel of niet verantwoordelijkheid kon of zelfs diende te nemen. Een van zijn voorwaarden voor verantwoordelijk wil ik hier bespreken. Ik geef hieraan ook een eigen invulling. Verantwoordelijkheid heb je omdat de ander (iedereen die je tegenkomt) een appèl op je doet: je ziet het lijden van de ander, omdat je herkenning vindt in het lijden. Jouw lijden heeft zin omdat het appèl je er bewust van maakt dat je de ander kan helpen in het lijden. Het lijden is niet goed in zichzelf; het is zinloos. Daarom heeft het als enige doel om het lijden bij de ander te verminderen. Het appèl dat de ander doet is een oproep om ‘zin’ te geven aan de zinloosheid van het lijden. Mijn drang naar verbondenheid, is de diepgaande sensitiviteit voor dat appèl van de ander. Ik zie het, ik voel het, ik ervaar het; omdat ik herkenning vind, omdat het lijden van de ander mij aan mijn eigen lijden herinnerd. Wanneer je het appèl van de ander opmerkt, wordt je persoonlijk ervaren gebrokenheid groter (het overstijgt je persoonlijke lijden): je ziet dat je niet de enige bent die lijdt. Maar wanneer de appèl veroorzaker (nog) niet beantwoord aan de reactie op dat appèl; wanneer je daar niet de juiste invulling op het juiste moment in de tijd aan geeft; of wanneer je zelf het appèl van de ander afwijst, ontstaat er geen verbinding. Wanneer er geen verbinding is tussen de mensen die lijden, er kan geen ‘zin’ ontstaan uit de zinloosheid van het lijden. Hetgeen waarop geappelleerd wordt, wordt afgewezen. Een scheiding van wegen is dan een feit. Er ontstaan niet alleen geen verbinding, er ontstaat ook een scheur in de potentie van verbinding. Je maakt beiden de keus een andere kant op te gaan. De gebrokenheid wordt voelbaar onder je huid, je ademt het, je lichaam zucht en steunt, de pijn bevestigt het gevoel van wanhoop in de onoplosbaarheid van hetgeen verscheurt is wanneer er geen mogelijkheid tot verbinding is. Dan is het ook nog zo dat niet al hetgeen waarop geappelleerd wordt, opgelost kan worden. Ook wanneer je reageert op het appèl, wil dat niet zeggen dat het appèl daarmee minder wordt. Echter, aandacht voor het appèl kan helpen de pijn te verzachten van het feit dat het leven niet maakbaar is; ook dat is een bron voor verbondenheid. Het appèl is daarmee een onbewuste gerichtheid op de ander. Verbondenheid in het leed. Je wordt in relatie gesteld wanneer je iemand ontmoet. Daarom, wanneer verbondenheid wordt afgewezen, is er altijd sprake van gebrokenheid. Het ‘in relatie stellen’, impliceert immers verbinding. Je ontkomt er niet aan: het overkomt je. Dit is de meta-communicatie in de interactie met ieder die je tegenkomt. Deze geappelleerde verantwoordelijkheid is de ethische gevoeligheid voor de verbonden relatie met de ander. Want kwetsbaarheid wordt zichtbaar in het appèl. Daarin hebben de ervaringen met mijn eigen lijden zin gekregen. Ik ben niet alleen wanneer ik jou niet alleen laat in je lijden
- De Medaille van Angst
Wanneer ik aan een collega vertel dat ik al jaren strijd met angst en paniek, dan zie ik die persoon meestal schrikken. Ik voel de sfeer in de ruimte een beetje ongemakkelijk worden. Wellicht omdat anderen niet geconfronteerd willen worden met psychische problemen, of omdat ze dit niet van mij verwachten: ‘maar je komt zo energiek en fit over.’ Op dat moment vraag ik me af of ik niet te veel heb gezegd. Ik voel de onzekerheid toeslaan en m’n hart begint sneller te kloppen. Ook nu voel ik de angst. Bang voor stigmatisering, reducering of simplificering van mijn persoonlijkheid? Angst voor het idee dat ik mij in de buitenwereld anders voordoe dan ik ben, op een manier die niet strookt met hoe ik wil zijn? Het oordeel, waarvan ik bang ben dat de ander het heeft, begin ik over mezelf af te roepen: ‘je bent niet goed zoals je bent’. Ik zou ineens liever door de grond willen zakken en ik kan mezelf wel voor het hoofd slaan dat ik weer zo openhartig ben geweest. Een mislukte poging tot diepgang en verbinding!? Natuurlijk maakte ik de opmerking over deze strijd niet zomaar. In ieder geval niet met het doel een sfeer van ongemak en verbazing op te roepen. Al had ik natuurlijk kunnen voorzien dat dit het effect zou zijn. Deze opmerking was bedoeld als bevestiging van het idee dat ik een oprecht en betrouwbaar persoon ben. Dat ik doorzettingsvermogen en een levendige verbeelding heb die nuttig kan zijn op de werkvloer. Dat klinkt nogal tegenstrijdig met angst en paniek. Het gaat hier echter om twee kanten van dezelfde medaille. Ja een medaille; niet omdat ik dankbaar ben voor de angst, maar wel omdat ik steeds meer ga inzien dat ík deze positieve eigenschappen niet had gehad of ontwikkeld, wanneer ik minder gevoelig voor angst was geweest en die constante strijd niet had gevoeld. Dat inzicht heeft mijn kijk op en ervaring met gevoelens van angst – die zo intens zijn – in een heel ander daglicht gezet. Daar wil ik je wat meer over vertellen. Want ik leef nog elke dag met intense angst. Je kunt mij er echter niet meer van overtuigen dat ik psychisch ziek ben, ondanks dat ik wellicht voldoe aan de DSM-definitie van een of andere stoornis. Een gezonde ontwikkeling: integratie of desintegratie Psychologische gezonde ontwikkeling wordt veelal gezien als een staat van psychische ‘integratie’. Hiermee wordt bedoeld dat er geen innerlijke conflicten zijn. Ook externe conflicten zouden gemakkelijk overwonnen worden. Men is in staat gemakkelijk en snel beslissingen te maken en te rederneren met ‘common sense’. Een automatisch gevolg hiervan is veelal dat psychologische ‘ des integratie’ als abnormaal of zelfs als psychopathologisch wordt gezien; alles wat niet ‘common sense’ is. Angsten, paniek, totale wanhoop, depressie en heftige emotionele reacties zijn voorbeelden van zogeheten psychoneurosen die je kunt ervaren bij desintegratie. Deze psychoneurosen kunnen innerlijke conflicten teweegbrengen. Zoals de strijd tussen wat is en wat zou kunnen (idealisme); existentiële angsten en depressies (de wereld is zo gebroken, wat ik doe zal nooit verschil maken); diepe persoonlijke onzekerheid wanneer men pogingen doet om erbij te horen maar het gedrag van de groep niet altijd kan rijmen met het geweten; en het verscheurende besef dat je fouten zult blijven maken en mensen pijn zal blijven doen, ook wanneer je dat niet wilt. Enzovoort. Wanneer iemand zich ‘gedesintegreerd’ voelt, dan wordt die persoon al snel als instabiel en nerveus gezien. Aangenomen wordt dat iemand die lijdt aan een psychische ziekte over het algemeen ‘onaangepast’ gedrag vertoont. Je kunt je echter afvragen of alle psychoneurosen ook psychopathologisch zijn. Want horen de innerlijke conflicten die hier genoemd worden niet gewoon bij het mens zijn? Toch zien we in de maatschappij de uiting hiervan (angst, depressie, onzekerheid, etc.) niet altijd als ‘menselijke’ gevoelens. Behandeling focust zich op medicatie en positieve gedachten. Wat wordt hiermee gezegd? Mogen we ons wel zo voelen? Is de persuasieve verwachting van deze benadering dat we ons conformeren, dus normaal ‘integreren’? Moeten we onze ‘gedesintegreerde’ binnenwereld negeren, terwijl de gebrokenheid van de wereld ons blijft bestoken met input voor desintegratie? Beseffen we wel waar we dan voor weglopen? Ik weet hoe heftig het is om gevoelens van desintegratie te doorstaan en hoe overweldigend, beangstigend en vervreemdend de ervaring kan zijn. Hoe zwaar het leven erdoor wordt. Ja, zo erg zelfs dat het onmenselijk voelt. Ik beweer dus in geen enkel opzicht dat psychische problemen niet bestaan. Maar er zit een keerzijde aan dit verhaal. Zolang we ervan overtuigd blijven dat we gevoelens van desintegratie niet mogen ervaren, zolang we dit inderdaad bestempelen als onmenselijk, zolang we niet leren met deze gevoelens om te gaan en zo lang we bang blijven voor het oordeel of het veroordelen, komen we er ook niet achter wat het ons wellicht brengt. Desintegratie hoeft niet per definitie negatief te zijn wanneer je erachter komt dat het de deuren opent naar een andere kijk op wat het betekent om mens te zijn. Mijn desintegratie: gebrokenheid Angst is een emotie die ons alert maakt op onze omgeving. Het gevoel laat ons weten wat we met onze zintuigen nog niet bewust hebben waargenomen: er is iets waar ik voor moet oppassen. Klinkt als een prachtig mechanisme, maar wanneer dit systeem té gevoelig is afgesteld, ben je altijd op de vlucht voor jezelf. Ik heb zo’n systeem, al zo lang ik mij kan herinneren. Een van mijn eerste herinneringen is een paniekaanval. Als puber vond ik het eng om te genieten van iets, want wat als dit de laatste keer was dat ik hiervan kon genieten? Ik beschermde mijzelf door minder te genieten, omdat de angst voor het verdriet van het verlies ervan groter was. Daarnaast is mijn fantasiewereld zó groot, dat ik doemscenario’s in mijn hoofd verzin en deze ervaar als daadwerkelijke gebeurtenissen. Het is niet alleen fantasie, het is werkelijkheid. Als kind had ik geen idee hoe ik dat moest reguleren. Nu weet ik daar beter mee om te gaan. Mijn hersenen beschikken ook over onvoldoende filter om relevante en irrelevante stimuli van elkaar te onderscheiden, zowel sensorisch als emotioneel. Dat heb ik nu wel een beetje geleerd, maar wanneer ik moe ben dan breekt het zorgvuldig opgebouwde filter en overspoelt de wereld mij weer als een vloedgolf. Elke sensorische stimulus roept heftige associaties bij mij op, positief of negatief. Ook emoties zijn intens en overweldigend, zeer complex en vaak moeilijk met woorden te omschrijven. Emoties van anderen neem ik gemakkelijk over. Ik moet mij constant bewust zijn van wat míjn emoties zijn en wat die van de ander. Dit om te voorkomen dat ik volledig in die ander opga en er niets van mij overblijft, met depersonalisatie tot gevolg. Nu weet ik dat ik zo in elkaar zit maar zoals iedereen ben ik niet met een gebruiksaanwijzing geboren. Met vallen en opstaan heeft het leven dat aan mij kenbaar gemaakt: van als zombie door het leven gaan (liever niets meer voelen dan teveel voelen) tot totaal weggespoeld worden door emoties en associaties (omdat niets voelen ook geen vreugde voelen betekent). Ik voelde me hierin alleen. Was ik de enige die zich zo gedesintegreerd voelde? Vervreemd van mezelf en van de wereld? Constante angst was daarom een feit. Existentiële angst. Perfectionistische angst. Angst om niet genoeg te doen, terwijl er zoveel lijden is. Angst om telkens opnieuw tekort te schieten en anderen pijn te doen. Op momenten waarop deze gedachten het heftigst waren, maakte zich intense paniek van mij meester. Mijn lichaam nam het over en liet aan mij merken dat ik te lang mijn binnenwereld had genegeerd: ‘nu uit je wat je echt voelt.’ Mijn angst voor de angst wakkerde hierdoor ook aan. Ik voelde me achtervolgd en mijn hele lijf deed pijn. Er waren tijden dat ik tot niets kwam. Al mijn creativiteit en levenslust waren toen verdwenen. Mijn positieve desintegratie: van gebrokenheid naar kracht Wanneer ik aan psychologen, coaches, huisartsen of weet ik het wie vertelde dat ik hier al 23 jaar mee worstelde (mijn leeftijd op dat moment), dan namen ze dat met een korrel zout. Ze keken alleen naar wat ik uitte: paniek en lichamelijke klachten. Er moest een externe oorzaak zijn voor mij ‘abnormale reacties op’, volgens professionals ‘normale dingen’ van het leven. Dat ik al van kleins af aan hier last van had zonder externe oorzaak, dat was niet plausibel. Een lichamelijke oorsprong van het probleem – de manier waarop ik geprogrammeerd ben – dat kon niet bestaan. Dus kreeg ik zeer ongenuanceerd te horen: ‘het zit tussen je oren, ‘je moet je laten testen’, ‘het is je religieuze opvoeding’, ‘waarom neem je de wereld dan ook op je schouders’, ‘stel je gewoon niet zo aan’, ‘je moet het maar gewoon naast je neerleggen en afleiding zoeken’. Of anders gezegd: ik mocht dit dus niet voelen? Maar ik voelde het wel. Wat ik ook deed, welk stappenplan, welke ademhalings-, of positieve gedachteoefening of leefstijlritme ik ook volgde. Ik voelde het. Langzaam maar zeker raakte ik ervan overtuigd dat er iets grondig mis met mij was. Alleen al van die gedachte raakte ik buitengewoon in paniek, want onbewust wist ik dat het niet klopte. Toch schreeuwde ik tegen mezelf dat ik ‘normaal’ moest doen en me ‘niet zo moest aanstellen’! Ik voelde me zo in en in bezwaard en tot last van de mensen om me heen. Ik mocht niet meer zo zijn, ik was verkeerd, ik moest anders worden. Al mijn intensiteiten waren verkeerd. Ik begon me erg onveilig te voelen bij mezelf, in de steek gelaten door mezelf. Dat kon toch niet goed zijn? Ik besefte diep van binnen dat geen enkel label (waarvan ik had voorkomen dat ik die had gekregen van de specialisten) zou verklaren waarom ik voelde wat ik voelde. Of kon verklaren wie ik ben. Die labels kunnen immers mijn essentie niet erkennen. Of, als ze dat wel kunnen, dan zouden ze haar alleen negatief bestempelen. Vanuit dat gevoel van radeloze eenzaamheid in mezelf en bij mezelf, besloot ik dat ik mijn eigen therapeut ging worden. Als we de schoonheid van de sterren alleen zien omdat de hemel donker is, dan zou de oorsprong van mijn innerlijke strijd ook een positieve kant moeten hebben. Een tegenhanger die de balans terugbrengt. Vanuit dat idee besloot ik bij mezelf in therapie te gaan, met in het achterhoofd de overtuiging dat ik ‘veerkracht’ bezat. Ik liep hier immers al 23 jaar mee rond. Ik begon aandacht te hebben voor het feit dat ik met verbeeldingskracht niet alleen doemscenario’s, maar ook luchtkastelen kon bouwen. Een eigenschap die ik zo ‘vanzelfsprekend’ of negatief had gevonden, dat ik hem al die jaren was vergeten te waarderen. Zo kon ik dat doen met alle intensiteiten waar ik mee worstelde: hen benaderen als kracht. Ik kwam in aanraking met Dabrowski en zijn theorie van positieve desintegratie en er ging een wereld voor mij open. Er ontstond een totaal andere kijk op mijn innerlijke strijd, mijn intensiteiten en de struggle met mijn complexe binnenwereld. Het raakte mij dat hij psychoneurosen niet automatisch definieerde als psychopathologisch. Hij zei dat men ook moet kijken naar de mogelijk oorsprong van deze neurosen in de manier waarop iemand ‘geprogrammeerd’ is. Hoe diverser en intenser de intensiteiten of overprikkelbaarheden , hoe gevoeliger voor desintegratie en psychische problemen. Echter, juist die intensiteiten bevatten ook enorm veel ontwikkelingspotentieel voor leven vanuit compassie en verbinding met de ander. Was dit een verklaring voor zowel mijn strijd als de veerkracht? Waren deze intensiteiten (het zit ín mij) de oorsprong voor mijn gevoeligheid voor angst? Een paradigmaverschuiving vond plaats. Positieve desintegratie Desintegratie is het niet meer integreren van je psyche, of het uiteenvallen van je binnenwereld. Het is een pijnlijk proces maar behelst ook de potentie voor een herstructurering van je binnenwereld op een altruïstische manier. Een grote aanwezigheid van emotionele overprikkelbaarheden kan leiden tot desintegratie, angst en intens verdriet over de gebrokenheid die je ervaart en waarneemt bij de mensen om je heen. Juist deze overprikkelbaarheden kunnen leiden tot positieve desintegratie. Logisch ook, want is het niet juist de doorleefde, doorvoelde en doordachte angst die maakt dat je compassievol de wereld kan benaderen? Omdat je ziet dat je niet de enige bent die dit ervaart, maar dat angst een menselijke emotie is? Is het niet juist het verdriet over gebrokenheid dat maakt dat je jezelf onophoudelijk wilt inzetten voor het welzijn van de ander? Zijn het niet juist de vragen, de twijfels en onzekerheden over wat de zin is van je leven, die maken dat je blijft zoeken naar een antwoord en dat je je nergens bij neerlegt? En is het niet juist de herkenning die je ziet in het lijden van anderen, die maakt dat je helpen wil? Innerlijke conflicten kunnen daarom ook leiden tot een nieuwe mentale ordening waarin zelfreflectie, autonomie, zelfkennis en een diepe waardenhiërarchie – die altruïstisch gefundeerd is – de drijfveren zijn. Het oordeel, of de ‘integratie’ die de samenleving blijkbaar zo belangrijk vindt, doet er dan niet meer toe. Je zoekt naar het goede en je wilt van daaruit leven; met vallen en opstaan. Wetende waar je kracht en je zwakheid zit. Dabrowski omschrijft dit als positieve onaangepastheid: een positief effect teweegbrengen door tegen de groep in te gaan. Immers, daar waar de samenleving psychische integratie van mij verwacht, ervaar ik een waardevolle ontwikkeling door de pijn van desintegratie heen. Wanneer wij niet meer durven spreken over onze gevoelens van desintegratie uit angst voor stigmatisering kan de maatschappelijk wenselijke psychische integratie depersonalisatie in de hand werken. We staan er dan helemaal alleen voor. Deze maatschappelijk wenselijke vorm van aangepastheid verliest de oprechte aandacht voor het individu en maakt dat we belemmerd worden in het aangaan van diepe verbindingen met elkaar, omdat de pijn van de ander dan onzichtbaar blijft. Transcendente paniek Dabrowski’s kijk op het innerlijke conflict en psychoneurosen heeft mij geleerd wat ik diep van binnen allang wist, maar niet durfde te erkennen: dat ik meer ben dan mijn psychoneurosen. Ik kon beide kanten van de medaille ontdekken. Angst versus compassie; wanhoop versus de zoektocht naar diepe verbondenheid; overprikkeling versus intens genieten; verdriet versus begrip voor de ander; en zo kan ik nog wel even doorgaan. Maar dat niet alleen. Ook de angst en paniek zelf ben ik anders gaan ervaren, nu ik het idee van maatschappelijke integratie los durf te laten. De angst is minder bedreigend en vervreemdend. Hoe overweldigend en verscheurend het nog steeds kan zijn, tijdens een paniekaanval ervaar ik ook een moment van diepe, persoonlijke reflectie. Ik kan mijn geweten dieper in de ogen kijken zonder verzwolgen te worden door een gevoel van eindeloos falen en ‘niet (goed) genoeg zijn’. Het is diepe reflectie omdat de informatie waarop ik reflecteer tijdens een paniekaanval uit mijn onbewuste komt. Ik lijk toegang te hebben tot informatie over mezelf die ik via de ratio niet kan bereiken. Ik leer nog beter in te zien wat er onder het oppervlak schuilgaat. Een ontmoeting met een andere kant in mezelf, met God, met dat wat de mens overstijgt. Is dit iets universeels? Voor mij is een paniekaanval nu een signaal vanuit mijn lichaam dat ik serieus neem en niet meer negeer: ik moet aan zelfonderzoek gaan doen. Ik leer mezelf zo beter kennen. Angst laat mij inzien welke kanten van mezelf niet leuk zijn en wat ik moet bijschaven om een beter mens te worden. Angst helpt me begrijpen waarom ik mij op bepaalde plekken veilig of onveilig voel. Ik ontdek hoe mijn emoties werken en hoe ik kan omgaan met de intens overweldigende wereld. Alsof de angst nodig is om rust te vinden. De functie van mijn angst is nu anders geworden en mijn perceptie ten aanzien van mijn angstige zelf heeft een totale metamorfose ondergaan. Omdat ik nu begrijp waarom ik gevoelig ben voor angst: angst is een expressieve uiting van mijn binnenwereld. Een spiegel die mij focust op wat er écht toe doet in het leven. Soms juist door te laten zien waar het niet goed gaat, waar ik fouten maak. Door al het falen en alle teleurstellingen heen wil ik me niet langer laten leiden door wat anderen van mij denken, of hoe de samenleving mij het liefst psychologisch ziet integreren. Ik wil me laten leiden door zelfbegrip en een pure, oprechte levenshouding die gericht is op de ander zonder verloochening van mijn eigen talenten en tekortkomingen. Ik merk dat er een andere vorm van integratie ontstaat. Integratie en acceptatie van mijn eigen emoties en respect en mildheid naar mijn omgeving, in plaats van voldoen aan de verwachtingen van wat als maatschappelijk geïntegreerd wordt gedefinieerd. Ik ben liever positief onaangepast, dan maatschappelijk geïntegreerd. Hoeveel scheve gezichten dat ook zal opleveren. De inzichten die het doorleven, doorvoelen en doordenken van angst mij hebben gegeven en nog steeds geven, kan ik nu met anderen delen. Angst kan nu ook een vorm van reflexieve inspiratie zijn. Kortom: wanneer je onderzoekt wat er onder de angst schuilgaat, is angst geen slechte raadgever.
- Bestaansrecht
Meerlagige ontwikkeling vanuit de gestaltpsychologie en de theorie van positieve desintegratie. Een persoonlijke reflectie over hoe je in contact met de ander jezelf leert kennen en de ander echt ontmoet vanuit authenticiteit. Verdwijnen in de groep Op het moment dat ik de groep instapte, voelde in de grond onder mijn voeten wegzakken. Het was alsof ik overspoeld werd door de aanwezigheid van ieders gevoelens en emoties. Alles in mij begon te trillen. Met wijd opengesperde ogen zocht ik een plekje in de ruimte. Het liefst aan de rand, waar ik de mogelijkheid had om te vluchten. Mijn hoofd draaide op volle toeren en dacht over elke beweging na. Ik hoorde mezelf praten, maar voelde mij niet in mijn lichaam aanwezig. Buitengewoon bewust werd ik van alles wat ik deed, terwijl ik in geen enkel opzicht het gevoel had mijn gedrag te kunnen beïnvloeden. Het was alsof ik geleefd werd door de groep. Mijn volledige identiteit was erin opgegaan. Van binnen voelde ik mij in stukjes uiteengevallen. Gefragmenteerd en losgeslagen. Alsof ik was verdwenen. De pijn die ik hierdoor voelde, werd ik pas achteraf gewaar. Mijn eigen ervaringen in de groep waren naar de achtergrond van mijn veld [1] verdwenen. Zo ver weggedrukt, dat ik ze zelfs met de grootst mogelijke wilskracht niet kon bereiken. Toen ik weer alleen was, kwam alles naar voren: elk detail, elk gesprek, iedere emotie, alles wat ik had beleefd. Ik ervoer het nu pas. Mezelf kennende wist ik dat het nog dagen zou duren voordat ik alle onervaren ervaringen ervaren zou hebben. Voordat ik alles wat ik niet had kunnen afmaken in het gezelschap, weer tot rust zou kunnen brengen. Bewustzijn als basis voor contact We hebben bewustzijn nodig om contact te maken met onze ervaring in relatie tot onze omgeving in het hier en nu. Van daaruit kunnen we ons gedrag beïnvloeden. Immers, wanneer we ons niet bewust zijn van ons gedrag, kunnen we ook niet kiezen voor ander – constructiever – gedrag. Door het inzetten van onze creativiteit, kunnen we ons vervolgens constructief aanpassen aan een veranderende omgeving. Hierdoor houden we regie over ons leven. Omdat ik mij niet bewust was van mijzelf en wat ik nodig had, verloor ik de mogelijkheid om mijn creativiteit in te zetten zodat ik mij constructief kon aanpassen. Automatisch zette ik alle deuren en ramen van mijn binnenwereld open voor wat de ander en de groep uitzond. In een helikopter zweefde ik boven mijn eigen aanwezigheid. Alsof mijn ziel uit mijn lichaam was getreden. Tot in elk detail zag ik mijzelf handelen in de groep, maar ik werd mij niet gewaar van wat ik zelf ervoer. In plaats daarvan was ik gedesintegreerd met mijn ervaring. Echt contact werd onmogelijk, omdat ik uiteen was gevallen en mij gebroken voelde. Mijn hart huilde! Ik voelde het niet. Er was enkel nog chaos en totale overweldiging in mijn veld. Automatisch aanpassen Zonder creativiteit was ik niet in staat om ander gedrag te kiezen dan ik altijd al deed. Afstemmen, afmeten, inpassen, aanpassen en overgeven. In alles voelde ik mij verantwoordelijk voor het wel en wee van mijn omgeving. Eigen behoeften werden mij vaag. Voor mezelf zorgen kon ik niet meer. Had ik honger of dorst? Was ik moe of overprikkeld? Wilde ik nabijheid of afstand? Ik had werkelijk geen idee. Mijn grenzen werden fluïde waardoor ik niet in de gaten had dat ik ze overschreed. Mijn persoonlijk evenwicht kon ik niet handhaven, want in de groep was ik gedesintegreerd. Het leek zo mooi om op de ander gericht te zijn. Empathie is een talent, toch? Maar in werkelijkheid bevond ik me in een poppenkast. Ik was niet bewust een rolletje aan het spelen waarvan ik wist dat dit goed in de smaak zou vallen, maar bracht mijn werkelijke zelf niet in de groep. Onbewust deed ik wel alsof. Daar kwam nog bij dat ik mezelf eigenaar maakte van de problemen van anderen. Zoveel verantwoordelijkheid als ik voelde voor het welzijn van de ander, zo weinig aandacht had ik voor mezelf. Hiermee drukte ik de ander paternalistisch in de rol van de ‘onvermogende zielige’ en ontnam ik mijzelf de stevige grond om op te staan. De oorsprong van automatisme Blijkbaar was het ooit nodig geweest om mijzelf onzichtbaar te maken door mij volledig op de ander te richten. Dit had alles te maken met de verdraaide perceptie op mijn bestaansrecht. Al jong nam ik de overtuiging aan dat ik er alleen bij hoorde wanneer ik mijzelf op zou laten gaan in de behoeften van de ander. Alsof ik mijzelf op die manier een legitieme reden gaf om aanwezig te mogen zijn. Dan pas voelde ik ‘toegevoegde waarde’. Zo ontleende ik mijn bestaansrecht, mijn volledige identiteit, aan het wel en wee van mijn omgeving. En ik werd erom geprezen… Daar kwam nog bij dat ik al jong het gevoel had dat alle andere mensen als vanzelf verbinding maken met elkaar. Alle aanwezigen lijken elkaar te kunnen vinden op een bepaalde frequentie. Ze spiegelen elkaar en vinden herkenning. Alsof ze een taal spreken die ik alleen kan beheersen door mijn moedertaal teniet te doen. In een groep vind ik geen herkenning, slechts verwarring en ontwrichting. Doordat ik intense overprikkelbaarheden heb, leek eenzaamheid lange tijd onvermijdelijk. Ik kende de kracht van deze talenten toen nog niet, en voelde mezelf door de verwarring hierover gek en vreemd, alsof er iets grondig mis met mij was. Ik had het gevoel dat ik met mijn gedachten en gevoelens de ander altijd tot last was. Schaamde mij voor wie ik was – voor alles wat ik voelde, ervaarde en dacht. Schuld was een emotie die mij leegzoog – gegrond in het idee nooit goed genoeg te kunnen zijn voor de ander. Mijn aanpassingsvermogen schoot altijd te kort. Toch leek aanpassen de enige manier om ergens bij te horen. Door mijzelf in stukken te knippen en mijn echte ervaring, gedachten en gevoelens naar de achtergrond te verbannen, werd ik deel van de groep. Een mechanisme om te overleven. Desintegreren van mijzelf was een tactiek om integratie met anderen te behouden. Maar die integratie bleek schijn te zijn, waardoor ik nog meer uit elkaar viel. Bestaanswil vind je in contact met je omgeving Wat ik toen niet wist, is dat we als mens bestaansrecht ontlenen aan onze omgeving. We zijn niets zonder de ander. In contact met onze omgeving vinden we zin en betekenis, ontdekken we onszelf en kunnen we tot bloei komen. In contact vinden we de wil om te bestaan. Echter, door mijzelf – mijn volledige zelf – uit de formule tot contact te filteren, werd ik geen onderdeel van het resultaat. Dus vond ik geen betekenis, geen reden om te leven, geen bestaansrecht. Echt contact kon niet ontstaan omdat ik de contactgrens uit de weg ging. Vervolgens fragmenteerde ik mijzelf, omdat ik er diep van binnen van overtuigd was dat ik helemaal geen bestaansrecht had. Dat ik helemaal niet echt zou mogen verbinden met anderen. Gevoed door de angst voor afwijzing, bleef ik de contactgrens ontwijken en bleef ik mijn eigen overtuiging bevestigen. Terwijl ik smachtte naar verbinding, vond ik eenzaamheid. De verscheurdheid die ik hierdoor voelde veroorzaakte zielenpijn die mijn onbewuste handelen voortdreef. Dit ondoorgrondelijk existentieel verdriet, bepaalde mijn gedrag. Dit ‘gifted-trauma’ [2] hield ik zelf in stand. De wil om te leven De wil om te leven is een fundamentele oerkracht, alles in ons fysieke systeem is gebouwd om te overleven. Het liefst willen we, met creatief aanpassingsvermogen, op een gezonde manier integreren met onze omgeving. Zo komen we tot bloei. De zielsdiepe overtuiging dat ik geen bestaansrecht had, kon dankzij deze levenswil mij er niet van weerhouden om toch bestaansrecht te claimen. Onbewust zocht ik naar eenheid in mijzelf. De gestalt [3] van mijn identiteit vroeg om vorming, ze wilde worden afgemaakt – heel worden. Ik wilde niet gefragmenteerd achterblijven, ik wilde heel worden. Vanuit levenswil maakte desintegratie plaats voor een nieuwe vorm van integratie. Bestaansrecht claimen is bestaansrecht geven Het leven bracht mij een geschenk: moederschap! Deze nieuwe ervaring veroorzaakte een onverwachte herstructurering van mijn chaotische veld van verdriet en zette aan tot integratie in meerlagige vorm. Mijn zwangerschap was een lange, strijdende weg van desintegratie geweest. Maar toen onze dochter geboren was, ging er een knop bij mij om. Ik realiseerde mij dat ik haar in geen enkel opzicht wilde laten geloven dat ik alleen van haar zou houden als ze als ieder ander zou zijn. Waarom gaf ik haar dan dit voorbeeld? In de eerste maanden van haar leven voelde ik een groeiend zelfvertrouwen over mijn eigen identiteit. Maar toch werd ik nog regelmatig in het zwarte gat van zelfondermijning en zelfsabotage gezogen. Wanneer ik hier zelf nog niet bewust van was, had mijn dochter dit wel al in de gaten. Je kind spiegelt immers alles, zeker in het begin als baby en moeder nog volledig één zijn. Haar basale gedrag liet zien hoe beangstigend het is als je niet mag zijn wie je bent. Als ik mezelf dat niet toestond, werd niet alleen mijn basis wankel en onzeker, maar ook die van haar: ze overstrekte haar lijfje op het moment dat ik weggleed in twijfel over mijn bestaansrecht. Ze begon te kreunen wanneer ik mijn best deed om deze ‘vergissing’ van mijn identiteit op te heffen door mij aan te passen. Ze begon wild om zich heen te slaan toen ik mijzelf weer in stukken uiteen liet vallen. Alsof ze zocht naar houvast, maar dit niet bij mij kon vinden. Moederziel alleen bleef ze achter. Alles in haar zijn protesteerde. Ze wilde leven in plaats van overleven! Mijn dochter claimde het bestaansrecht wat ik mijzelf niet gunde. Mijn intuïtieve reactie was om nog meer te focussen op het welzijn van mijn kind: ik zag haar onrust en begon haar krampachtig te sussen. Haar verdriet deed me pijn en opnieuw voelde ik me uiteenvallen, tekortschieten, verzanden in schuld en schaamte. Dat was precies niet wat ze nodig had! Ze wilde de stevige basis van haar mama, zodat ze zich staande kon houden in de voor haar nog overweldigende en ongekaderde wereld. Ik zou haar ankerpunt moeten zijn, maar ik was verdwenen. Op het moment dat ik mijzelf verloor, verloor zij haar veilige haven. Dit besef ging bij mij door merg en been. Het is pijnlijk confronterend hoe zij lijdt onder mijn gebrek aan zelfcompassie. Het voelt onvergeeflijk dat dit haar voorbeeld is. De pure, ongeschonden en eerlijke aanwezigheid van mijn babydochter bracht mij meer levenswijsheid dan welke eerdere ervaring ook. Ze eiste van mij dat ik eindelijk mijn authentieke identiteit zou aannemen. Alleen dan is ze immers verzekerd van veiligheid en geborgenheid. Ik besefte ten diepste dat ik het vanaf nu anders wilde doen. Zij had mijn positieve onaangepastheid en authenticiteit nodig om stevigheid te ervaren. Daarmee gaf ze mij een groots cadeau. Haar ‘zijn’ deed mij beseffen dat ik ook mocht ‘zijn’. Daarmee geef ik háár bestaansrecht. Keer op keer zie ik haar ontspannen wanneer ik mijn stevige basis hervind. Dan zoekt ze mijn blik en lacht! Nieuwe gestaltformatie Nooit had ik voorzien dat deze nieuwe rol als moeder mij niet verder fragmenteerde, maar juist heel maakte. Toch voelde dit effect ondanks haar onvoorspelbaarheid onvermijdelijk. Het moest gebeuren. Vanuit dit bewustzijn ontstond een nieuwe gestaltformatie [4] waarin ik mijzelf in haar volledigheid opnam. Alle losse fragmenten van gedesintegreerde identiteit kwamen samen om zich tot een nieuw en mooier geheel te komen. Om één te worden. Ik hoefde niks te worden om te mogen zijn. Toen ik werd wie ik ben, losten mijn problemen zich vanzelf op. Angst, depressie, en dwang verdwenen bijna geheel als sneeuw voor de zon. Door dichter bij mijzelf te komen, bij mijn behoeften en mijn creatieve mogelijkheden, hoefde ik me niet meer aan te passen, maar veranderde ik op natuurlijke wijze mee met mijn omgeving. Ik kon bewust kiezen welke elementen van mijzelf ik wanneer wilde gebruiken en hoe ik mijn overprikkelbaarheden in kon zetten. Eindelijk kon ik ervaren wat georganiseerde meerlagige desintegratie (level 4) inhoudt. Een welkome rust na de fragmentatie en een uitnodigende voorbode voor integratie vanuit verbonden autonomie: secondaire integratie . Het was een eerste stap in het herstellen van de verbinding tussen mijzelf en mijn omgeving. Voor het eerst in mijn leven voelde ik mij bewust heel en stevig, in plaats van gefragmenteerd, gebroken en verscheurd. Nu kon ik een stevige moeder zijn voor mijn kind. Verbinding aangaan met anderen zonder verloren te gaan. Langzaam werd de groep minder bedreigend. Het causale effect Door vanuit heelheid de contactgrens tussen mijzelf en de ander op te zoeken, maak ik alle kanten van mijzelf openbaar. Doodeng vind ik het. Toch voelt dit nu minder bedreigend dan mijzelf in stukken snijden. Ik realiseer mij dat afwijzing van anderen minder erg is dan afwijzing van mijzelf. Door mijzelf als geheel te zien en als geheel te gebruiken, ervaar ik regie over mijn eigen leven. De overprikkelbaarheden overspoelen mij niet langer, ik kan ze gericht inzetten. Hierdoor ontmoet ik – tegen al mijn verwachtingen in – de échte ander en ontstaat er échte verbinding. Nu geef ik mezelf eindelijk het bestaansrecht waarvan ik dacht dat ik het moest verdienen. En wat blijkt: het verschil in frequentie tussen mij en de ander is veel minder belangrijk dan ik dacht. Sterker nog, om te kunnen verbinden moeten er verschillen zijn. Zonder verschil, hoeft er immers niets meer verbonden te worden. Als ik het andere van de ander echt wil ontmoeten, moet ik mijzelf zijn. Daarom ben ik nu bereid om in contact met de ander mijn hele ‘zijn’ in de strijd te gooien, ongeacht de consequenties. Juist die onzekerheid doet me leven! Notes en Bronnen [1] Het concept ‘veld’ komt uit de veldtheorie. Deze theorie gaat ervan uit dat al onze ervaringen plaatsvinden in een dynamisch geheel van zaken die in het heden betrokken zijn bij de interactie tussen onszelf en onze omgeving. Denk aan fysieke zaken die we zintuigelijk waarnemen. Innerlijke gewaarwordingen. Emotionele zaken die we opmerken in de interactie. Herinneringen die we meedragen of zaken die onderworpen zijn aan de toekomst. Met al deze zaken kunnen we in het nu geconfronteerd worden. Ons gedrag wordt door ons ‘veld’ beïnvloed omdat ons referentiekader erdoor gevormd wordt. We kunnen onszelf daarom nooit los zien van onze omgeving: ‘ik en mijn omgeving komen samen in het veld’. Bronnen: Daan van Praag, 1998; Georges Wollants, 1998; Bouwkamp, Bijzet en Van der Laan, 2020) [2] Gifted-trauma is het trauma wat hoogbegaafden ervaren vanwege het grote verschil in hun manier van denken en 98% van de rest van de bevolking. Zeker wanneer dit leidt tot afwijzing, onbegrip, buitensluiting en eenzaamheid. De mentale complexiteit en vaak emotionele intensiteit van hoogbegaafden brengt veel vragen met zich mee over het ‘waarom’ van het trauma. Dit existentiële trauma vanuit hun manier van zijn, kan niet op dezelfde manier begrepen worden als situationeel trauma. Geinspireerd door intergifted.com [3] Gestalt betekend letterlijk ‘figuur’. Wanneer we spreken over een gestalt in de psychologie, dan heeft dit betrekking op een psychologisch afgemaakt geheel of een psychologische eenheid. In het nu heeft dit een bepaalde vorm (figuur). Maar een gestalt is ook altijd aan een dynamisch proces onderhevig. De huidige vorm kan veranderen gezien de omstandigheden. Wanneer we dit betrekken op onze ‘identiteit’, dan begrijpen we dat we in het nu een bepaalde identiteit hebben welke niet vaststaand is voor de toekomst. Onze identiteit streeft naar ontwikkeling, heelheid en vorming – tot zij – zoals Dabrowski het noemt – een persoonlijkheid wordt. Bronnen: Daan van Praag, 1998; Georges Wollants, 1998; Bouwkamp, Bijzet en Van der Laan, 2020) [4] Gestaltformatie is het proces van het (her)vormen van een gestalt. We raken los van de gestalt in het verleden, komen in een staat van ontwrichting (of desintegratie zoals Dąbrowski dit beschrijft) en vormen vanuit daar een nieuwe gestalt. Bronnen: Daan van Praag, 1998; Georges Wollants, 1998; Bouwkamp, Bijzet en Van der Laan, 2020)
- Idealistische Impact
Teleurstelling is inherent aan een idealistische tunnelvisie Wanneer ik bij mijzelf naar binnen keer, kom ik keer op keer een idealistische zoektocht naar het ‘goede’ tegen. Veel van wat ik doe wordt naast de ‘lat van een moreel ideaal’ gelegd. Het liefst wil ik verbinden op zielsniveau, conflicten de wereld uit helpen, klimaatverandering tegengaan, rechtvaardige verdeling van goederen en diensten bevorderen, een goede vriendin, vrouw en moeder zijn. En dat op een rechtvaardige, eerlijke, niet -vrijheid of -gelijkheid beperkende manier. Deze lat lag lang hoog. Te hoog. Onrealistisch en onmenselijk hoog. Ik creëerde met mijn zoektocht naar vrije rechtvaardige gelijkheid ongezonde druk op mezelf. Mijn gezondheid leed eronder waardoor ik zelf het levende voorbeeld was van de wanhopige gebrokenheid die ik tegenkom in de zoektocht naar het ‘goede’. Ik voelde aan alles dat ik iets van mijzelf verwachte wat ik niet waar kan maken omdat ik er helemaal geen invloed op heb. Die verwachting lekte energie. Veel energie. Mijn invloed is immers beperkt. Maar die constatering frustreerde me dusdanig dat ik er liever bij vandaan bleef. Harder en harder zag ik mezelf werken. Met de lineair groeiende onmogelijke verwachtingsdruk nam mijn uitputting exponentieel toe. Daar komt bij dat goede en mooie dingen bereiken veel moeilijker is dan slechte dingen veroorzaken. Hiermee doel ik niet alleen op bewuste vernieling of sabotage. Ik doel ook op het feit dat ik de plank zomaar mis kan slaan, waardoor het beetje impact dat ik heb op een zorgvuldig opgebouwd kaartenhuis van schoonheid, gemakkelijk omvergeworpen wordt. Deze angst verlamde me en maakte dat ik stil kwam te staan in het harde werken. Deze idealistische vorm van stagflatie die maakte dat ik een afwachtende houding aannam en stiekem hoopte dat iemand anders het initiatief zou nemen. Met impact-loze druk die angstig doet verstarren, worden wereldproblemen niet opgelost. Had het dan wel zin om er überhaupt moeite voor te doen? Of kon ik net zo goed YOLO alleen aan mijn eigen natje en droogje gaan denken? Die gedachte maakte me machteloos en gaf me het gevoel dat ik niks toevoeg en dat ik overbodig ben. Mijn idealisme sloeg telkens stuk op teleurstelling. Discrepanties zuigen – ik ben niet heel gebleven In wanhopig idealisme schuilt een risico op verstarring wanneer ik denk dat ik iets moet doen wat ik niet kan. Idealistisch geblaat wordt dan een schijnvertoning geframed in nobelheid. Het idealistisch geblaat is een angstige vlucht voor het maken van persoonlijke impact. In deze ongebalanceerde vorm van idealisme en moedeloosheid zag ik een discrepantie tussen energie en uitputting, wilskracht en moedeloosheid, gejaagdheid en depressie. Zolang ik bleef bewegen tussen deze ongebalanceerde vorm van idealisme en moedeloosheid, zoog deze discrepantie mij leeg. Ik bewoog tussen uitersten die elkaar tegen bleven spreken. De wil om iets te doen aan wereldproblemen hield mij in beweging. Die beweging putte mij uit omdat ik geen effect zag. Ik miste de dialectiek tussen deze uitersten. Beide uitersten ontnamen mij het genieten in het moment, het zicht op de mooie dingen van het leven en de schoonheid in de kleine dingen. Impact die ik wel had (bijvoorbeeld in mijn relatie of richting mijn kind) viel mij niet op en ik belande in een tunnel van machteloze woede. Vooral woede op mijzelf vanwege mijn ‘tergende nutteloosheid’. Ik strookte niet met het idealistische beeld wat ik van mijzelf had en ook niet met het effect wat mijn aanwezigheid zou moeten hebben. Ik was ook boos op de mensheid, omdat we niet in staat lijken te zijn samen te werken en elkaar uiteindelijk altijd om zeep helpen. Maar idealisme is toch heel nobel? Jezelf opofferen voor het grote geheel is toch een goede zaak? Ja, Ik kreeg lovende reacties: ‘het siert je’. Wat me echter opviel is dat ik het allemaal alleen dacht te moeten doen. Wederom was ik hierin het levende voorbeeld van gebroken idealisme – hoeveel ik ook zocht naar het ‘goede’. In relatie tot anderen krijgen we immers betekenis, dus alleen kan ik niemand zijn en niks bereiken. We hebben elkaar nodig. Toch zette ik mezelf apart en klaagde ik vervolgens over gevoelens van eenzaamheid en onbegrip. Niks niet nobel – ik creëerde mijn eigen probleem en hield het zelf in stand. Dit probleem hield in dat ik in een staat van eenzaamheid en ongelijkwaardigheid belande vanwege de hoge idealistische lat. Ik vond mezelf niks, terwijl ik tegelijkertijd het onmenselijke van mezelf verwachte. Ik hield mezelf klein, terwijl ik wel verwachte dat ik alle wereldproblemen op zou lossen. Met te weinig van mijzelf wilde ik te veel bereiken. Terwijl de ander gewoon z’n dingetje mocht blijven doen. De constatering van deze discrepantie legde bloot dat het ergens in mij schuurde. Ik voerde een strijd in mijzelf over verschillende waarden en uitingen hiervan die ik nog niet met elkaar had verenigd omdat ik nog te veel bezig was met ‘voldoen aan verwachtingen’. Het ging over waarden als rechtvaardigheid, vrijheid, gelijkheid, eerlijkheid en hoe dit zich verhoudt tot wie ik ben en wie jij ben? Wie ik mag zijn in relatie tot de jou en hoe jij dan vorm krijgt? Hoe ik ervoor zorg dat ik jou zie zonder mijzelf te verliezen? Wat mijn individuele verhouding is tot het collectief? Wat ik kan en wat ik niet kan? Wat mijn grens is en wat mijn streven? Waar ik vrijheid nodig heb en hoe ik daarmee bijdraag aan veiligheid? Hoe ik jou tegenkom wanneer ik gewoon ik ben? Het energielek wat voorkwam uit de discrepanties in mijn innerlijke strijd, lieten zien dat ik nog gefragmenteerd was vanbinnen. Ik liet mijzelf niet heel, maar bepaalde mijn richting op basis van oordeel over wat ik deed en liet, over wie ik ben en wie ik mocht zijn. Ik had zoveel zelfverwijt en afwijzing over de persoonlijke impact die mij in potentie gegeven is, dat ik het niet gebruikte. Ik rommelde maar wat aan en noemde het ‘idealisme’. Het gebrek aan zelfacceptatie en het gebrek aan durf om de grond in te nemen die mij gegeven is, maakte dat mijn energie richtingloos in de leegte verdween. Het idealisme en ‘o zo nobele streven’ was een masker om mijn angst te verbergen – angst om mijzelf te zijn en de impact te maken die ik wel heb. Ik durfde niet te staan voor waar ik in geloof. Diep van binnen was ik een klein meisje; bang om mezelf te laten zien, bang voor afwijzing en er niet bij horen. Maar bovenal bang voor het maken van negatieve impact. Het idee dat ik de harmonie zou verstoren was onverdraaglijk. Ik ben bang om mijzelf te zijn en de impact te hebben die ik heb. Wat had ik te doen? De innerlijke strijd vroeg om doordachte, doorleefde en doorvoelde aandacht voor de waarden die eronder liggen. Dit zodat ik ze kon gaan verinnerlijken. Wat ik hieraan parallel te doen had is mijzelf serieus nemen met de impact die ik heb vanuit de persoon die ik ben, zodat ik de impact kon gaan maken die ik kan maken. Zo zou ik de grond innemen die ik gekregen heb en iets realistisch verwachten van mijzelf in plaats van iets bovenmenselijks. Zo zou ik in een gelijkwaardige relatie komen te staan ten opzichte van de ander en van de wereld als geheel. Dit in plaats van mijzelf kleiner of groter maken dan ik ben. De energie die weglekte zou dan meer richting en focus krijgen. Je plek innemen betekend niet meer en minder grond innemen dan je gegeven is. Dit wilde niet zeggen dat mijn waarden in beton gegoten moesten worden zodat ze zouden vastroesten waardoor er in een andere vorm opnieuw verstarring ontstond. Het wil zeggen dat ik ben gaan leven vanuit een kern waarin ik zowel mijzelf als de ander steeds heel houdt in plaats van fragmenteer. Zonder oordeel mag ik naar de wereld kijken. Alles mag er zijn. Kunnen en onkunde, kracht en zwakheid, impact en nutteloosheid, genieten en lijden, wilskracht en angst. Alleen wanneer ik mijzelf en de ander heel houd, is er gelijkwaardigheid. Dan is niemand meer of minder. Voor mij begon het vinden van doorvoelde waarden bij het doordenken. Maar dit kon niet zonder ze te doorleven. Ik ben daarom gaan doen waar ik in geloof. Als ik mensen met elkaar wil verbinden, moet ik bereid zijn mijzelf te geven in contact. Met alle consequenties die hierbij horen, ook het risico’s op afwijzing of negatieve impact. De angst waar ik mij met idealistisch geblaat achter kan verschuilen wordt niet overwonnen door stil te blijven zitten, te hopen dat het geluk uit de lucht komt vallen of af te wachten tot iemand anders iets gaat doen. Ik moet de stoute schoenen aantrekken en uitstappen, mijzelf laten zien, fouten maken, kwetsbaar zijn en mijn kracht laten zien. Ik moet bereid zijn de plank mis te slaan en resultaten te bereiken die ik nooit had durven dromen. Bovenal moet ik het ongemak van de onwetendheid durven verdragen. Want als ik impact maak is het effect altijd onzeker. Ik weet immers nooit welk effect mijn impact hebben zal. Diep van binnen kende ik allang de betekenis van mijn impact: mijn talenten, mijn onkunde, mijn zijn. Het belang van persoonlijke impact Impact is al het effect van ons handelen of ons niet-handelen. Alles wat je doet heeft effect. Aan jou de keus of je weloverwogen en bewuste impact wil maken, of dat je jouw impact laat vertroebelen door oordeel en afwijzing. Je kan je afvragen waarom ik zoveel waarde hecht aan het maken van impact. Hiervoor heb ik meerdere verklaringen. Allereerst denk ik dat ieder mens op een dieper niveau impact wil maken. Niemand wil vergeten worden en we zijn bang voor het leven van een zinloos leven. Wanneer je impact maakt tel je mee. Het geeft een gevoel dat je van waarde bent. Daarnaast heeft persoonlijke impact nog een ander positief effect. Wanneer je met jezelf komt kan je echt in contact komen me een ander. Alleen wanneer je jezelf bent kan je de ander tegenkomen. Alleen wanneer je jezelf bent kan je gezien worden. Wanneer je jezelf kent kan je je oordeelloos verwonderen over de uniekheid van de ander. Dit vermindert het gevoel van existentiële eenzaamheid. Ook zorgt het maken van persoonlijke impact voor een gevoel van vrijheid. Je maakt jezelf niet afhankelijk door je acties niet afhangen van wat iemand anders wel of niet doet, maar neemt regie. Het besef altijd een keuze te hebben voor het gedrag wat je zelf laat zien of de manier waarop jij je verhoudt tot een situatie, vermindert stress en geeft lucht en ruimte. Hoe maak je persoonlijke impact? Wil je impact maken, dan moet je accepteren dat je bent wie je bent. Het maken van persoonlijke impact kan alleen in het hier en nu. Nooit op een ander moment kan je handelen of veranderen, iets doen of iets niet doen dan in het moment (zie ook het blog over De Controle Paradox ). Het nu is het moment waar het op aankomt. Persoonlijke impact gaat erover dat jij nú durft te zijn, te doen en in te brengen. Niet straks of gister. Of je met je impact ook bereikt wat je wil of had verwacht, is hieraan ondergeschikt. Het gaat erom dat je bewust een keuze maakt in het nú voor wat je doet in relatie tot waar je voor staat. Wil je persoonlijke impact hebben, dan zal je bereid moeten zijn bewust te handelen in het moment. Wil je persoonlijke impact hebben dat moet je bereid zijn initiatief te nemen in plaats van jezelf afhankelijk maken van wat anderen wel of niet doen. Wanneer ik naar mezelf kijk dan zie ik dat ik hier veel kansen laat liggen. Ik noem niet welke patronen mij opvallen omdat ik te bang ben voor weerstand. Ik praat soms juist te snel waardoor ik de ander geen ruimte geef voor diens proces. Soms zeg ik bewust niks, uit angst voor schaamte of afwijzing. Mij bewuste ‘doen’ en ‘niet doen’ kan echter groot effect hebben wanneer ik het inzet. Andere aanwezigen ervaren vaak veel meer herkenning dan ik in eerste instantie verwacht. Het inbrengen van mijzelf en het openstaan voor de ander, werkt daarmee heel verbindend. Ook wanneer ik de plank missla, want juist dat biedt stof voor een gesprek. Negatieve impact kan een positief effect teweegbrengen wanneer ik bereid ben dit aan te gaan. Persoonlijke impact maken is dus iets wat je als mens nodig hebt. Het geeft je levensenergie. Logischerwijs lek je energie wanneer je streeft naar de ‘verkeerde’ impact. Dat wil zeggen impact die niet bij je past, impact die tot ver buiten je invloedsfeer reikt of impact waarin je jezelf voorwaardelijk afhankelijk maakt van de acties van anderen en geen regie pakt. Persoonlijke impact gaat om bewuste impact vanuit het besef dat je de keuze hebt om je eigen acties en daarmee de situatie te beïnvloeden. Met het accepteren van deze persoonlijke impact, moet je ook accepteren dat deze impact beperkt is. Het verdragen van mijn beperkte impact Je kan niet geven wat je niet hebt Mijn impact reikt niet verder dan het rijkt. Ontwrichte systemen kan ik niet in mijn eentje veranderen en eeuwenoude wereldproblemen kan ik niet oplossen. Om te voorkomen dat de moedeloosheid weer de overhand neemt, moet ik dit accepteren. Via milde acceptatie kan ik verdragen dat sommige dingen zijn zoals ze zijn, zonder ze weg te stoppen maar juist zodat ik mij ertoe leer te verhouden. Vanuit daar kan ik mijn handelingsperspectief concreet vormgeven. Dit betekent voor mij dat ik de eenzaamheid en gebrokenheid die het leven kent moet accepteren. We komen elkaar niet altijd tegen en harmonie wordt altijd door de chaos ingehaald. Ik kan dat niet oplossen. Met dit deze acceptatie kan ik open staan voor het idee dat dit niet eens een probleem hoeft te zijn. Disharmonie biedt immers kansen tot het creëren van iets nieuws. Chaos behelst potentie. Gebrokenheid vraagt om creativiteit. Dit bewustzijn helpt mij om mijn idealisme te focussen. Ik verzand niet langer in de uitzichtloosheid van nutteloze impact, maar kies heel bewust welke impact ik wil maken met de mogelijkheden die ik gekregen heb. Bijna zonder schuldgevoel kan ik nu andere zaken laten liggen ;) Bewust kiezen voor de impact die je maken wil, vraagt om een dans rondom je vermogen en je grens, je wilskracht en verwachting, mogelijkheden en vertroebeling, willen en kunnen. Bewust en gelijkwaardig Met een bewuste keuze voor het maken van impact in het moment, biedt de mogelijkheid dat ik en de ander in gelijkwaardig contact blijven. Zo ontstaat er dialectiek tussen idealisme en moedeloosheid. Het mag er beide zijn, sterker nog het voedt elkaar. Mijn idealisme drijft me voort, de moedeloosheid voorkomt roekeloosheid. Moed en angst vullen elkaar aan en zorgen in de dialectische balans voor lucht en vrijheid, in plaats van dat ze een discrepantie vormen die ervoor zorgt dat ik verdrink in een innerlijke strijd. Door het bewust doorleven van deze realistisch doordachte verwachtingen van mijzelf en de wereld, doorvoel ik dat ik heel blijf. Mijn boosheid naar de wereld wordt milder – nu kan ook zij heel blijven in haar gebrokenheid. Nu kan de wereld heel blijven ondanks haar gebrokenheid.
- Het creatieve midden
Het punt waar stilstand leidt tot nieuwe wegen Het punt waar ik het niet hoef te weten Het punt waar ik gewoon mag zijn Het punt verwachtingsvol leven Het moment dat ik aanvaard dat dat wat was voorbij is Het moment dat ik besef dat wat ik ook doe, de toekomst onbekend is Het moment dat ik accepteren kan dat het komt zoals het zijn moet In het midden van de strijd tussen dualiteiten liggen kansen Durf ik dat, durf ik daar, durf ik nu, echt stil te staan? Om te zijn bij wat mij, vanzelf weer in beweging brengt? Of blijf ik hopeloos gefrustreerd ongeduldig en verloren zoeken naar de illusie van grip? Het nu is niet alleen het veiligste moment voor wanhopige onwetenden Het nu is het moment van het leven Wat heeft het leven nu te geven? Ben ik bereid dat aan te nemen?
- Podcast Binnenskamers
Dit voorjaar was ik te gast bij Maurits van Urk, in zijn podcast Binnenskamers. Binnenskamers is de podcast over de mens achter de zorgporfessional. Maurits gaat in gesprek met zorgprofessionals over hoe deze in dit beroep beland zijn, wat daarin aansprak en wat hem/haar in het werk geraakt heeft. In een open gesprek spraken we over wat er gebeurt in de binnenkamer van de zorg én in de binnenkamer van de professional. We spraken over de uitdagingen die komen kijken bij bewegen tussen tegendelen, de complexiteit van het zorg- en welzijnsveld en hoe we hier zowel persoonlijke als professioneel doorheen bewegen. De vraag hoe we als mens(en) een gezonde wisselwerking met de omgeving aan kunnen gaan, stond hierin centraal - zowel in ons werk als therapeut en ondernemer, als op het gebied van beleid binnen het Sociaal Domein en de uitdagingen waar het zorgstelsel in Nederland voor staat. Binnenskamers is een initiatief van Blended Family . Luister hier de aflevering.
- Stilstaan bij het verhaal van Ouders
Een pleidooi voor trage hulpverlening in achterstandswijken Voor beleidsmakers in het sociaal domein, die zich bezighouden met jeugd en opvoeding Inleiding 15u. De schoolbel gaat. Je werkdag als Intern Begeleider (IB’er) op een basisschool in een achterstandswijk zit erop. Op het plein sta je nog een paar kinderen uit te zwaaien. Vlak bij het hek hebben twee kinderen slaande ruzie. Een ouder van een van de kinderen staat erbij, maar grijpt niet in. Dat verbaast je. Natuurlijk ben je er voorstander van dat kinderen voor zichzelf opkomen en conflicten zelf leren oplossen, maar de agressie die je hier ziet gaat te ver. Waarom doet de ouder niks? Je loopt naar de ruziënde kinderen om ze uit elkaar te halen. ‘Waarom grijp je niet in?’ vraag je aan de ouder. ‘Thuis ben ik de baas, hier op school zijn jullie de baas’, is het antwoord wat je terugkrijgt. Met je mond vol tanden sta je perplex toe te kijken, terwijl de kinderen het goedmaken. Dit kan zomaar een anekdote zijn van een reguliere schooldag. Ouders en professionals hebben verschillende ideeën over hoe normen en waarden invulling moeten krijgen waardoor ze elkaar niet begrijpen. In de praktijk kunnen deze verschillen voor problemen zorgen, zeker wanneer professionals te weinig tijd hebben om stil te staan bij het culturele opvoedparadigma van de ouders of wanneer het professionele handelen is gebaseerd op aannames over ‘probleemgezinnen’ in achterstandswijken. Ongewenst gedrag van kinderen moet vaak zo snel mogelijk worden aangepakt, omdat het zowel schadelijk kan zijn voor de ontwikkeling van het kind als voor kinderen in diens omgeving. Bij het aanpakken van dit gedrag zijn de ouders sleutelfiguren, zowel in het voorbeeld wat zij geven als in de manier waarop zij hun kind al dan niet begrenzen. De paradox is echter dat wanneer professionals hun eigen culturele opvoedparadigma op ouders met een andere culturele achtergrond projecteren, ouders het gevoel hebben dat er te weinig ruimte is voor hun opvoedperspectief. Uit ons onderzoek blijkt dat sommige ouders dan afhaken en hun vertrouwen in professionele hulpverlening verliezen. Dit komt niet ten goede van het kind. In dit artikel leg ik uit waarom ik, samen met professionals die hun verhaal deelden in ons onderzoek, pleit voor trage hulpverlening. Hiermee bedoel ik dat professionals, die betrokken zijn bij de opvoeding, de ruimte en tijd hebben om stil te staan en een open gesprek voeren met ouders over hun normen en waarden, in plaats van dat er direct gefocust wordt op het gedrag van het kind. Het helpt professionals wanneer sociaal beleid vanuit het domein Jeugd, deze aanpak ondersteund vanuit de missie, visie en strategie. Dit draagt namelijk bij aan het opvoedparadigma waar vanuit professionals verwacht worden te handelen. Preventieplatform Opvoeding – Dukenburg Als associatie consultant bij SenseGuide duik ik in persoonlijke verhalen via narratief onderzoek. Door het combineren van de ervaringsverhalen, geven we duiding aan deze verhalen en hun onderliggende structuur. Op deze manier krijgen we inzicht in patronen die schuilgaan in de interactie tussen mensen of tussen mensen en interventies. Afgelopen maanden onderzochten we het preventieplatform rondom opvoeding in Dukenburg. Dit is een wijk in Nijmegen die als achterstandswijk wordt omschreven. Vanuit de narratieve analyse van verhalen van ouders en professionals, zien we dat er een discrepantie kan bestaat tussen het paradigma van ouders en van professionals als het gaat om ‘wat een goede opvoeding is’. Deze discrepantie bevindt zich niet op het niveau van normen en waarden, maar vooral op het niveau van concreet gedrag – van kinderen of van ouders naar kinderen. Dus hoewel ouders en professionals zaken als respect, voor jezelf opkomen, eerlijkheid, vriendelijkheid, geduld, doorzetten en consequent zijn beide belangrijk vinden in de opvoeding, verschilt de manier waarop ze dit in praktijk brengen. Paradigma’s binnen sociaal beleid voor Jeugd Hoewel het bestaan van een opvoedparadigma an sich geen probleem hoeft te zijn, is een zorgvuldige professionele omgang hiermee van groot belang voor het accepteren van hulp of het slagen van een hulpverleningstraject. Sociaal beleid vanuit het domein Jeugd moet deze zorgvuldige omgang ondersteunen. Vanuit beleid vertegenwoordigen professionals – hoe je het ook wendt of keert – altijd een paradigma. Dit paradigma is gebaseerd op een cultureel ideaalbeeld in de huidige tijdsgeest, van hoe een goede opvoeding eruit zou moeten zien en over wat er nu nodig is in een achterstandswijk om ouders te helpen. Forse problemen en enorme veerkracht Dit paradigma is daarnaast vaak gebaseerd op aannames over de hele wijk die volgen uit statistieken over een deel van de wijk. Zo blijkt uit ons onderzoek dat 10% van de ouders forse problemen hebben op allerlei terreinen van het leven. Die 10% is zo sterk op de voorgrond aanwezig, dat dit het beeld van de overige 90% drastisch beïnvloedt. Dat terwijl het overgrote deel van de ouders in Dukenburg weet veerkrachtig om te gaan met de soms suboptimale omstandigheden waar ze mee te maken hebben. Ze doen hun best om net als ouders uit andere lagen van de bevolking, ondanks de druk om alle ballen hoog te houden, emotioneel beschikbaar te zijn voor hun kinderen. Deze ouders zitten meestal niet te wachten op iemand die hen goed bedoeld, maar ongevraagd advies geeft. Zeker niet als de zorg en het advies voortkomt uit het idee dat je een ‘probleemgezin’ zou zijn. Alertheid gebaseerd op aannames werkt soms averechts Dat forse problemen bij een kleine groep ouders in de wijk, het beeld over de hele wijk beïnvloedt is een menselijk gegeven waar we het mee zullen moeten doen. Juist daarom is het belangrijk om hulpverlening te vertragen. Met vertragen bedoel ik dat er tijd en ruimte nodig is om het vertrouwen op te bouwen door interesse te tonen in het verhaal van de ouder. Maar zonder het doel om dat opvoedstijl van de ouders meteen te veranderen naar het paradigma wat je als professional het meest passend vindt. Het gaat in eerste instantie puur om het onderlinge contact en het opbouwen van vertrouwen. Culturele paradigma verschillen en niet geverifieerde aannames kunnen anders tot gevolg hebben dat er te weinig ruimte is voor het perspectief van de ouders waardoor ze het vertrouwen in de hulpverlening verliezen – terwijl de ouders wel hulp nodig hebben. Trage hulpverlening binnen het paradigma voor sociaal beleid voor Jeugd De sleutel tot trage hulpverlening, ligt niet alleen bij de professionals. Er moet ruimte voor worden gemaakt binnen het paradigma van waaruit de professionals werken. Dit paradigma wordt onder andere vormgegeven in de manier waarop de missie, visie en strategie in het sociaal beleid voor Jeugd wordt geformuleerd. Binnen dit beleid mag daarom expliciet aandacht zijn voor vertrouwen, contact in plaats van doelen als basis, respect voor het verschil en de hieruit volgende ruimte voor maatwerk. Ruimte en tijd voor het opbouwen van vertrouwen Uit de verhalen blijkt dat persoonlijk vertrouwen in de hulpverlening de basis is voor het praten over, het accepteren van en slagen van een hulpverleningstraject. Dit vertrouwen is onder ouders die niet eerder met professionele hulpverlening te maken hebben gehad, erg laag. Sommige ouders vragen bijvoorbeeld geen hulp omdat ze bang zijn dat de hulpverlening hun kind afpakt. Het vertrouwen onder ouders die wel hulpverlening hebben gehad, is juist hoog. Zij waren achteraf zeer tevreden en voelden zich over het algemeen gehoord en gezien. Het vertrouwen groeide wanneer een ouder werd doorverwezen naar hulpverlening via iemand die ze al vertrouwen, bijvoorbeeld een professional op school of een ouder met goede hulpverleningservaringen. Omdat ouders met professionals op scholen jarenlang werken aan het opbouwen van persoonlijk vertrouwen, is de school een belangrijke ingang voor preventieve opvoedinterventies. Contact over gemeenschappelijke waarden als basis Professionals die werkzaam zijn in Dukenburg geven aan dat veel ouders niet alleen hulp vragen voor opvoedadvies met concrete doelen, maar vooral om hun verhaal te kunnen delen. Ze hebben het nodig dat iemand luistert, zodat ze weer rust en ontspanning kunnen ervaren. Hierdoor ontstaat er ruimte voor nieuwe perspectieven – zoals het professionele perspectief – want wanneer ouders (emotioneel) overbelast zijn is er geen mentale ruimte voor directe inhoudelijke feedback. Sterker nog, meteen horen dat je het als ouder niet goed (genoeg) doet, werkt afwerend en maakt eerder onzekerder dan dat het ouders verder helpt. Ouders geven aan dat ze zich in zulke situaties veroordeeld voelen waardoor ze soms de hulpverlening stopzetten – terwijl ze wel vragen hebben. Het tonen van oprechte interesse in het verhaal van de ouder, alvorens te komen met professionele sturing en doelen, is daarom van cruciaal belang. Ruimte voor onderling contact en vragen wat iemand nodig heeft in plaats van direct de situatie (te willen) veranderen, moet daarom de basis zijn van beleid. Ook (en wellicht zelfs juist) wanneer je vanuit je professie sterk het gevoel hebt dat de ouder het niet slim aanpakt en je dit voor de bestwil van het kind graag anders ziet. Het gesprek voeren over gemeenschappelijke waarden alvorens te praten over gedrag, kan hierin helpend zijn. Uit de verhalen blijkt dat hierin veel overeenkomsten zijn tussen professionals en ouders. Hiernaast staat dat je natuurlijk direct moet handelen wanneer de veiligheid van het kind in gevaar is – maar vaak zijn gezinnen dan al langere tijd in beeld. Respect voor het verschil Bovenstaande maakt duidelijk dat binnen het culturele opvoedparadigma wat ten grondslag ligt aan sociaal beleid, ruimte moet zijn voor verschil. Verschillende mensen uit verschillende culturen verschillen in hun opvoedaanpak. Dit gaat niet per definitie over goed of fout, in de basis is het enkel verschillend. Dit wil niet zeggen dat je professionele mening er niet toe doet – het blijft belangrijk om als professional stelling in te nemen. Maar, zoals blijkt uit de verhalen, met respect voor het verschil bereiken professionals meer. Ruimte voor maatwerk Bovenstaande benodigde punten voor trage hulpverlening, richten zich in meer of mindere mate op het belang van het onderlinge contact tussen de hulpverlener en de ouder. Dit is belangrijk, want de unieke vraag van de ouder vraagt om maatwerk. Hier komen we echter ook een spanningsveld tegen met betrekking tot opvoedparadigma’s die aan de basis van beleid liggen. Beleid is in eerste instantie en vooral gericht op groepen als geheel. Enerzijds geeft dit richting en sturing aan de uitvoerende praktijk. Aan de andere kan zorgt dit ervoor dat paradigma’s die als fundament voor beleid worden gebruikt, niet altijd aansluiten bij individuele behoeften. Algemene beleid alleen is daarom niet voldoende om structurele positieve veranderingen teweeg te brengen bij afzonderlijke gezinnen. Wanneer we meer willen bereiken met preventie interventies, moet juist binnen beleid ruimte zijn voor maatwerk. Dat een algemene aanpak in combinatie met maatwerk elkaar in de praktijk positief kunnen versterken, blijkt ook uit ons SenseGuide onderzoek. Ervaringen die professionals opdoen uit maatwerkbegeleiding, leiden vaak tot inzichten over de doelgroep als geheel. In combinatie met vertrouwen in professionals, kan maatwerk op die manier waardevolle input geven voor algemene preventie interventies en vise versa. Om deze positieve wisselwerking tussen een algemene aanpak en het bieden van maatwerk in stand te houden, is het belangrijk dat alle betrokkenen rondom het preventieplatform de verhalen, behoeften, wensen en percepties van ouders en van elkaar blijven horen. Dit zodat ze van daaruit ook in de toekomst aan kunnen blijven sluiten met wat nodig is.
- Wat betekent meedoen?
Kan iedereen meedoen in onze samenleving op een manier die bij hen past of verwachten we dat mensen meedoen op de manier zoals we dat bedacht hebben? Via social media kom ik regelmatig berichten tegen die linken aan dit onderwerp. We willen een samenleving zijn waarin iedereen een plek heeft. Tegelijkertijd hebben we de samenleving op zo’n manier ingericht, dat het voor sommige mensen onhaalbaar is om mee te doen. We verwachten bijvoorbeeld dat mensen elke week dezelfde hoeveelheid energie hebben om te werken – dat hebben we immers zo in het contract afgesproken. We verwachten dat mensen in een reguliere woning wonen zelfs wanneer het voor iemands mentale gezondheid beter is om in een vakantiehuisje te wonen. We verwachten dat je een specifiek diploma hebt, terwijl je werkervaring laat zien dat je dit werk prima kan – want ja, anders is er geen bewijs voor je vaardigheden. We verwachten dat mensen die uit de hulpverlening komen actief integreren in de straat – terwijl dat niet hoeft wanneer je geen diagnose hebt. Kortom, we verwachten dat je als burger minimaal aan een x aantal afspraken voldoet. En als dat lukt, dan mag je meedoen. Is dat rechtvaardig? Rechtvaardigheid biedt een samenleving een basis van orde – John Rawls Waarom willen we meedoen? Meedoen is een oer-verlangen Mensen hebben een oer-verlangen naar verbondenheid met anderen, erbij horen en meedoen. We zijn immers afhankelijk van elkaar voor onze overleving. De groep biedt bescherming en zorgt voor synergie – hierdoor hoef je zelf niet alles te kunnen maar vul je elkaar aan. Daardoor heb je samen meer! Handig en gezellig. Buiten de groep vallen is daarom op celniveau een levensbedreigende ervaring. Het bedreigt ons bestaansrecht en gevoel van waardigheid, omdat we onze betekenis vinden in relatie tot anderen. Verachting en uitsluiting wordt daarom niet voor niks als mensonterend ervaren. Koste wat kost willen we dat voorkomen. Van oer-behoefte naar samenleving Om onze overlevingskansen en ons levensgeluk te vergroten, leven mensen in groepen. Hoe groter de groep hoe meer synergie er in potentie kan ontstaan (ik focus mij in dit artikel op positieve synergie, niet op de decivaliserende potentie waar ook elke groep ontvankelijk voor is). Als vanzelf ontstonden er al vrij vroeg in de geschiedenis geciviliseerde samenlevingen op plekken waar veel mensen samenwoonden. Mensen zoeken elkaar op om het leven voor de groep als geheel leuker en gemakkelijker te maken. Binnen het samen leven in een groep kom je onvermijdelijk elkaars verschillen tegen. Daarom kan een samenleving niet zonder duidelijke regels en afspraken over hoe we samen leven en de manier waarop je hieraan een bijdrage levert. Het verschil dwingt ons daarom tot een norm. Die norm gaat op een diep niveau over wat we moeten doen om erbij te horen. Het gaat over de concrete uitvoering van ons recht op een waardig bestaan in wisselwerking met dit recht van anderen. In ons oer-verlangen naar samen leven en meedoen in een samenleving, komen we onvermijdelijk het spanningsveld tegen tussen of mensen zich moeten aanpassen aan de historisch gegroeide en overwogen norm gebaseerd op een vorm van rechtvaardigheid, of dat we de norm steeds opnieuw moeten aanpassen aan de mens die deel zijn van deze samenleving? Er bestaat hierin een spanningsveld in de wisselwerking tussen verleden en toekomst, het bekende en het onbekende, de mensen die al een plek hebben en de mensen die nog een plek kunnen krijgen en welke dynamiek hierin rechtvaardig en menswaardig is? Dit brengt mij bij het feit dat de vraag wat een rechtvaardige en menswaardige samenleving is, inherent verbonden is aan de vraag wat het betekent om mee te doen in een samenleving. In dit essay geef ik een beschouwing van waaruit je naar deze vraag kan kijken. Ik sluit af met een dialectische (zie voor meer achtergrond over dialectiek het essay ‘ Armoedebeleid moet meetbaar én voelbaar zijn’ ) overweging over hoe we met dit vraagstuk om kunnen gaan. Rechtvaardigheid en Meedoen De filosoof John Rawls stelt dat een rechtvaardige samenleving orde biedt aan een samenleving. Wanneer mensen niet weten welke rechten ze hebben, weten ze immers ook niet welke plichten ze hebben. Er bestaan dan geen regels en afspraken waardoor je elkaar nergens op kan beroepen. In feite kan iedereen dan doen waar die zelf zin in heeft – dat veroorzaakt wanorde of chaos. Die wanorde kan belemmerend werken in het participatieproces omdat er dan niks is wat ons bindt. Zonder een structuur is geen sprake van een samenleving. Het rechtvaardig inrichten van een samenleving met verschillende mensen, dwingt daarom tot een norm. Die norm helpt mensen vervolgens om te kunnen bepalen wat rechtvaardig is. Echter, wanneer we uitzoomen zien we hier een spanningsveld. Want wat is een rechtvaardige samenleving eigenlijk? Er zijn verschillende visies over hoe je een rechtvaardige samenleving inricht. - Moeten we ervoor zorgen dat verschillen tussen mensen worden opgeheven door iedereen een beetje water bij de wijn te laten doen, waardoor mensen gelijke kansen krijgen – of doen we dan geen recht meer aan het verschil? - Moeten we ervoor zorgen dat mensen ondanks verschillen gelijke kansen hebben, door verschillende mensen verschillend te behandelen waardoor ze in potentie dezelfde doelen kunnen behalen (positieve discriminatie) – dan krijgen sommige mensen meer hulp dan anderen, is dat wel eerlijk en hoe bepaal je dat? - Of is het juist rechtvaardig om niemand te helpen maar iedereen de vrijheid te geven om zijn eigen leven in te vullen – zijn mensen eigenlijk wel vrij om hun eigen keuzes te maken of worden mensen in deze situatie slachtoffer of multimiljonair vanwege de systemische invloeden waarin ze toevallig leven? Deze verschillende visies op rechtvaardigheid spreken elkaar tegen in de concrete praktijk. Het inrichten van een samenleving die door iedereen als rechtvaardig wordt ervaren is daarom nog moeilijker dan het objectiveren van hoe een rechtvaardige samenleving eruit zou kunnen zien. Want wat voor de een rechtvaardig is, kan voor de ander onrechtvaardig uitpakken. Wat betekent meedoen vanuit dit gegeven? Meedoen in een samenleving? Om mee te kunnen doen zij een aantal voorwaarden nodig 1) je moet zelf iets doen; 2) er moeten anderen zijn die iets doen, anders kan je niet spreken van meedoen en 3) er moet iets zijn waaraan je meedoet. Vanuit deze kijk op meedoen wil ik een aantal concrete visies geven op wat meedoen is. Meedoen is geven en ontvangen als economische transactie Meedoen in de samenleving betekent dat je iets geeft en hier ook wat voor terugkrijgt. Je participeert in de wisselwerking met andere mensen waardoor je waarde toevoegt. Vanuit deze visie is een rechtvaardige samenleving gebaseerd op een gevoelsmatige gezonde balans in de wisselwerking tussen geven en ontvangen. De boer verbouwt groente zodat de smid kan eten. De smid smeedt hoefijzers zodat de boer een gezond paard heeft om zijn land mee te bewerken. We werken samen en wisselen elkaars talenten en mogelijkheden uit zodat er synergie ontstaat. Efficiënt, hoef je het niet alleen te doen. De wisselwerking tussen de mensen in bovenstaand voorbeeld, gaat uit van een economische transactie. Hierin moet je ongeveer net zoveel geven als je ontvangt en verwacht je net zoveel te krijgen als dat je voor je gevoel gegeven hebt. Onbewust houden we constant een scorebordje bij. De ‘persoonlijke toegevoegde waarde’ van onszelf of anderen aan de rechtvaardige wisselwerking in de samenleving, bepalen we daarom op basis van deze economische nuts-principes. Om die waarde inzichtelijk te maken hebben we het concept ‘geld’ geïntroduceerd. Meedoen is geven en ontvangen als existentiële gewaarwording Is de wisselwerking dan onrechtvaardig wanneer dat wat iemand kan geven niet te vergelijken is met dat wat iemand nodig heeft? Bijvoorbeeld als het gaat om mensen met een chronische aandoening waardoor ze een verminderde arbeidsproductiviteit hebben. Zij maken hogere zorgkosten en ontvangen – gezien van uit de economische nuts-principes – meer dan zij terug kunnen geven. Maar wil dit ook zeggen dat zij minder waarde toevoegen aan de samenleving? Of dat de dynamiek tussen onevenredige mogelijkheden van mensen binnen een samenleving tot een onrechtvaardige verdeling van potentie leidt? We voelen hoop ik allemaal aan dat enkel uitgaan van economisch nut bij het bepalen van menselijke toegevoegde waarde en een rechtvaardige inrichting van de samenleving, een simplistisch uitgangspunt is. De waarde van mensen is niet plat te slaan in ‘geld’, omdat ‘geld’ nooit de menselijke waarde kan ‘vatten’ in de existentiële zin van het woord. Het platslaan van menselijke ‘waarde’ voor het inrichten van een samenleving waarin mensen rechtvaardig mee kunnen doen, is een te rationele benadering. Ze doet andere kenmerken van het menszijn te kort. Verbondenheid, liefde, nabijheid en samen zijn, zijn evenzo essentiële menselijke behoeften in relatie tot ons oer-verlangen naar verbondenheid en meedoen, als het leveren van een nuttige bijdrage – uitgedrukt in arbeidsproductiviteit. Meedoen als existentiële gewaarwording laat zien dat meedoen niet alleen gaat over een nuttige en efficiënte economische transacties die maakt dat we zelf makkelijker overleven. We willen niet alleen meedoen omdat we dan iets krijgen van een ander, maar ook omdat we hiermee bijdragen aan een groter geheel. We willen meedoen omdat het ons een gevoel van voldoening en zingeving geeft. We willen een bijdrage leveren aan de samenleving omdat we in de wisselwerking met anderen meerwaarde creëren op het gebied van schoonheid waardoor een geluks-ervaring ontstaat. Door onze uniekheid te gebruiken voor de gehele samenleving, ervaren we betekenis. We voelen ons verbonden en uniek tegelijkertijd (zie hierover ook het essay ‘ Idealistische impact’ ) en dat geeft ons vreugde. Vanuit bovenstaande wordt duidelijk dat jouw toegevoegde waarde niet te objectiveren is – hoe handig het concept ‘geld’ ook is. De waarde van jouw bestaan kunnen we niet in cijfers vatten zonder essentiële emotionele en woordloze existentiële ervaringen in het contact te kort te doen. Je hebt waarde omdat je bestaat. Meedoen als existentiële ervaring is daarom onafhankelijk van hoeveel je kan geven of hoeveel je te ontvangen hebt. Het gaat om de beweging om bij te dragen en te verkrijgen, niet om de rekensom die hierachter zit. Wanneer is meedoen rechtvaardig? Voor iedereen een plek, is beter voor iedereen Met bovenstaande twee visies op meedoen wordt de vraag wat een rechtvaardige samenleving is en hoe we dit inrichten, nog complexer. Mensen zijn immers ook van waarde wanneer ze geen economisch-nuttige bijdrage leveren. De menselijke waardigheid staat los van de objectieve bijdrage die ze kunnen leveren aan het grotere geheel. Vanwege deze inherente en van bijdrage onafhankelijke menselijke waardigheid, hebben we een diepe verantwoordelijkheid voor elkaar. Het rechtvaardig omgaan met elkaar is niet iets wat je hoeft te verdienen bij anderen. We zijn het verplicht aan elkaar. Omdat we in ons menszijn allemaal gelijkwaardig zijn en omdat we allemaal fases in ons leven kennen waarin we in meer of mindere mate kunnen meedoen met of bijdrage aan de samenleving. De inhoud waarmee en de mate waarin mensen kunnen bijdragen aan de samenleving, beïnvloedt daarnaast de mate van synergie van het geheel. Iedereen beïnvloedt immers de dynamiek – ook wanneer je niet actief kan bijdragen. Wanneer we iemand met verminderde arbeidsbeschikbaarheid links laten liggen, worden we er allemaal minder van. Het helpt alle mensen in de samenleving wanneer we met elkaar zorgen voor een dynamiek met rechtvaardige tendensen voor het individu. Rechtvaardigheid als dialectiek Hoe doen we dat dan, een samenleving inrichten met rechtvaardige tendensen voor het individu? En hoe weten we of we dit goed doen? De verschillende visies over hoe rechtvaardigheid eruit kan zien spreken elkaar toch tegen? Er trekt toch altijd iemand aan het kortste eind? Er zullen altijd mensen zijn die zich onrechtvaardig behandeld voelen? Moeten we dan stoppen met streven naar een rechtvaardige samenleving? Moeten we dan genoegen nemen met onrecht? Dat lijkt mij niet! Mijn overtuiging is dat er een pure vorm van rechtvaardigheid bestaat, maar dat we met onze subjectieve kijk op de werkelijkheid niet in staat zijn die puurheid te omvatten in ons eentje. We hebben elkaar nodig om meer te begrijpen van hoe een rechtvaardige samenleving eruit kan zien. Gezamenlijk moeten we blijven zoeken naar wat het betekent om op een rechtvaardige manier mee te doen – voor alle mensen die deel zijn van de samenleving. Dit is wat mij betreft geen uitzichtloze zin-verliezende manier van tijd verdrijven, maar juist een beweging vol van existentiële betekenis. In het samen zoeken naar hoe rechtvaardigheid eruit kan zien voor iedereen, worden we gedwongen open en ontvankelijk te zijn voor verschil. In zo’n samenleving doen we ons best elkaar te horen en te zien, waardoor er verbinding kan ontstaan ondanks onrecht. Het op dialectische wijze blijven zoeken naar een rechtvaardige inrichting van de samenleving waarin iedereen een plek heeft en mee kan doen, is belangrijker dan het vinden van een concreet antwoord. Met dit ‘samen zoeken’ wil ik niet zeggen dat je geen stelling over rechtvaardigheid in moet nemen – juist wel; vanwege het recht op rechtvaardigheid wat we onszelf gunnen en wat we hierin zelf nodig hebben, kunnen we elkaar beroepen op de plichten die we hebben richting de ander. Om die ander te kunnen blijven zien, moeten we vanuit de stelling die we innemen openblijven voor het gegeven dat die stelling subjectief is en dat we het perspectief van de ander nodig hebben om meer te begrijpen van wat rechtvaardig meedoen in zijn volheid kan betekenen. Laten we daarom blijven spreken over wat het betekent om mee te doen. Laten we ons eigen perspectief niet onder stoelen of banken steken. Laten we nieuwsgierig blijven naar elkaars verhalen en ervaringen. Laten we tegen de stroom inzwemmen wanneer we onrecht zien. Dan bewegen we dichter naar een samenleving waarin iedereen een plek heeft die recht doet aan de waardigheid van diens menselijke bestaan. Meedoen Is respect Voor het recht Op een plek Jouw plek Andermans plek Ieders plek Ondanks verschil Meedoen Is verzet Tegen onrecht Tegen gebrokenheid In mijzelf In de wereld In de ontmoeting Meedoen Is samen zoeken Naar wat het recht kan zijn Beroepend Op verkregen Verantwoordelijkheid
- Wortelen op een plek die voedt
Schone lucht Stille geluiden Zachte bewegingen Belevend stilstaan Kninnekulle, Zweden Terug naar de natuur De afgelopen weken hebben als gezin in de Zweedse bossen doorgebracht. Het was een experiment. Hoe zouden we ons fysiek en mentaal voelen als we naar een natuurlijke plek verkassen, terwijl we verder alles van ons persoonlijke leven meenemen? We namen ons werk mee, onze dochter, onze zorgen, onze overlevingsstrategieën, onze dromen, onze hoop en wanhoop, ons genieten, onze angsten, onze telefoon als connectie met de sociale en geopolitieke buitenwereld en al het andere waar het normale dagelijkse leven mee gevuld is. Kortom, we leefden ons normale leven, maar dan in een andere omgeving. In de bossen kan je niet weglopen van jezelf. Je kan je niet onbewust laten verzuipen in stadse snelheid, voorbij jagende motoren, stinkende smok, de druk van de prestatie en de input van iedereen die iemand zijn wil. In plaats daarvan word je teruggeworpen op alles wat je bij jezelf tegenkomt. Zo ervoer ik op een diepere laag wat een gezondere wisselwerking tussen mijzelf en de omgeving met een mens kan doen. Waar ik de mogelijkheden van mijn brein en de emotionele gewaarwordingen in mijn lichaam vaak mijlen ver bij elkaar verwijderd voel, vloeiden ze hier natuurlijk in elkaar over. Ik ervoer veel meer rust in mijn lijf, alleen omdat ik van omgeving was veranderd. Als ik in de bossen naar buiten stap hoor ik niks anders dan natuurgeluiden. Het ruizen van de bomen, vogelgezang, de wind langs mijn oren. Ik ruik de dennenbomen en het opkomende groen. Ik zie vogels en zo veel insecten. Het bos krioelt van het leven. Van het een op het andere moment voel ik alle fysieke spanning die zich in mijn lijf heeft opbouwt, van mij afglijden. In de bossen kan ik haarfijn voelen welke stress ik oploop als reactie op gewaarwordingen en persoonlijke ervaringen en welke stress het gevolg is van een toxische omgeving. Hiermee bedoel ik een omgeving waar het menselijk lichaam helemaal niet voor gemaakt is: de herrie van voorbijschietend verkeer, stank van uitlaadgassen en vele technische bewegingen die ik tegenkom wanneer ik ons huis uitstap. De emotionele en cognitieve veelheid die ik gewend ben te doorleven, wordt in de bossen dragelijk en reguleerbaar, omdat ik me niet meer ten onder voel gaan aan sensorische overweldiging. Mijn lichaam hoeft niet chronisch in de overlevingsstand te verkeren om mezelf staande te houden. Hier ben ik deel van de natuur en dat is helend. Deel van de natuur Om te kunnen (over)leven moet er sprake zijn van een gezonde wisselwerking tussen de mens en de omgeving. Dit mes snijdt aan twee kanten. Enerzijds past de natuur zich aan aan de (veranderende) omgeving, aan de andere kant zoeken we naar omgevingen die passen bij de mogelijkheden die we hebben of die ons gevoel van veiligheid bevestigen. Wanneer die plek ons veiligheid biedt kunnen we genieten van de schoonheid van de omgeving. De veiligheid van een passende en voedende bodem is een bron voor schoonheid en contactverwondering. Net als de dieren en het groen, zoekt daarom ook de mens naar een plek die voedt en waar ze voor zo lang als het nodig was kan wortelen. Daarom gaan we op ontdekkingsreis wanneer we ons veilig voelen en vluchten we wanneer er onveiligheid is. We zoeken een baan waar we onze passie in kwijt kunnen en trekken ons terug om bij te komen na een dag werken. Lukt het niet om hierin balans te vinden, dan zorgt dat voor chronische stress. De mens is gemaakt als deel van de natuur. Ik denk zeker dat we een andere positie in de natuur hebben dan al het andere leven – namelijk die van een zorgvuldige beheerder. Juist daarom denk ik niet dat we ervoor gemaakt zijn om zo te vervreemden van de natuur als we in Nederland zijn. Vervreemd van de natuur Ik vraag me ernstig af of we wel voldoende aandacht voor hebben voor de impact van onze directe leefomgeving op onze gezondheid. Aan de ene kant gaat er veel aandacht naar de impact van de omgeving, bijvoorbeeld als het gaat om het verveiligen van de omgeving en het uitsluiten van risico’s, zodat we onbezorgd kunnen genieten. Dit heeft ons veel gebracht, zoals betere hygiëne, veiliger verkeersomstandigheden en de mogelijkheid tot contact met anderen wanneer je er alleen op uit gaat. Aan de andere kant slaat dit zo ver door dat we niet meer bewust bezig zijn met de vraag of de omgeving die we hebben gecreëerd niet net zo schadelijk is voor onze gezondheid als gebrek aan hygiëne. Door onze westerse leefstijl vol snelheid, prestatie, bewerkt voedsel, technologische ontwikkeling, sociale media en onbeperkt en onbegrensd contact met de hele wereld, lopen er in verhouding meer mensen dan ooit rond met chronische zieken, mentale problemen, stress en burn-out. Ja het klopt dat we ouder worden dan ooit, maar we worden vaak niet gezond oud. Sterker nog, we zijn zo vervreemd van de natuur en haar sensorische prikkels, dat we vrijwillig in een slaapkamer liggen waar bijvoorbeeld laagfrequent geluid van technische apparaten of installaties in de omgeving, je lichaam in een chronische staat van stress houdt. Op de lange termijn heeft ook dit psychische en fysieke klachten tot gevolg. Begrijp me goed, ik ben niet tegen technologische ontwikkelingen – alhoewel de morele discussie van de menselijke vooruitgang voor een ander moment en een andere plek is. Dat neemt niet weg dat de consequenties van de technocratie waarin we leven enorm slecht voor onze fysieke en psychische gezondheid pijnlijk kunnen zijn. Het vraagt geen enorme denkstappen om te zien dat de leefomgeving die we hebben gecreëerd toxisch is. Ze maakt ons ziek, ze maakt onze relaties ziek, ze maakt de wereld ziek. Waarom hebben we er vrede mee dat we dit onszelf en de wereld om ons heen aandoen? Is de vervreemding van de natuur en de gehaastheid waarmee ons zenuwstelsel overspoeld wordt dan zo verslavend dan we er niet meer aan kunnen ontkomen? Hopeloze natuur Deze vraag – die teruggaan naar de aard van de mens – stel ik niet om er antwoord op te geven. Ik stel hem om mezelf alert te maken op wat we met de wereld doen. Want naast de klimaatcrisis die op ons afkomt – het ultieme voorbeeld van vervreemding van de natuur en gebrek aan zorgvuldig beheer van de schepping – helpen we onszelf ook om zeep. Het gaat daarbij niet alleen om onze eigen gezondheid, maar ook om die van onze kinderen en kleinkinderen. Willen we hier iets aan doen, dan moeten we terug naar onze natuurlijke wortels. Wortelen in de natuur De vervreemding van de natuur die ik beschrijf, is niet iets wat iedereen zo diep herkent. Er zijn genoeg mensen die zich juist op voelen bloeien in de drukte van de stad. Dat neemt niet weg dat we deel blijven van de natuur en dat wortelen in de natuur goed is voor ieders fysieke en mentale gezondheid. Het werkt bijvoorbeeld zo dat patiënten die uitkijken op een boom sneller herstellen van een operatie dan mensen die uitkijken op een muur. Daarnaast is wandelen in de natuur niet voor niks een basisrecept bij mentale klachten. De natuur doet ons bewust of onbewust beseffen dat we deel zijn van een groter geheel en dat geeft een gevoel van zingeving en voldoening. De natuur ís gewoon, dus wij mogen daar ook gewoon in zijn – zonder iets te hoeven worden of ergens aan te hoeven voldoen. De natuur vormt het contrast met de meritocratische en dat contrast hebben we nodig om staande te blijven in de heersende cultuur en deze cultuur te verzachten. Wortelen in de natuur betekent zoeken naar een manier waarop je lichaam en geest zich optimaal kunnen aanpassen aan de omgeving die bij je past. Hoe dit eruit ziet verschilt per persoon – als mens verschillen we immers in onze overeenkomsten. Ik schrijf dit artikel om je nieuwsgierigheid aan te wakkeren over hoe de natuur dichter bij jouw leefomgeving kan komen en wat het je kan brengen. Hoe heerlijk zou het zijn als je zenuwstelsel tot diepere rust komt vanwege contact met de natuur. Het gevolg van die rust is dat je gemakkelijker levend in plaats van overlevend in contact kan treden met anderen. Dit maakt je relaties hechter, dieper en steviger. De natuur is van nature een verbinder, omdat ze doet beseffen dat alles in verbinding staat met elkaar. De ander is dan de potentie voor ontmoeting en verbinding, in plaats van een bron voor verschilangst. Wanneer jij - vanuit welke rol of positie dan ook - de natuur dichter bij huis brengt, deel je de positieve effecten hiervan automatisch met anderen. De natuur doet immers niet aan kavelgrenzen. Bomen stoppen niet met zuurstof verspreiden wanneer ze het tuinhek bereiken, insecten kruipen onder stenen door en de geur van bloemen zweeft over muren heen. Door zelf te genieten van de rust van de natuur, deel je het met anderen. De natuur biedt ons de mogelijkheid om te wortelen in iets hogers, groters beters dan onszelf. Hoe mooi zou het zijn wanneer we elkaar hier weer in vinden.
- Armoedebeleid moet meetbaar én voelbaar zijn
Beleidsdialectie rondom bestaanszekerheid Voor beleidsmakers Durf jij de impact te maken die je hebt in het moment, zodat je samen kunt werken aan de toekomst? Introductie Binnen het sociaal domein waarin ik werkzaam ben, kom ik veel maatschappelijke vraagstukken tegen waarin het ‘verdelen van schaarste’ centraal staat. Talloze mensen en partijen zijn betrokken bij het eerlijk verdelen van iets waar een tekort aan is. Het gaat bijvoorbeeld over het verdelen van woningen, tijd en aandacht, zorg en hulpverlening, geld tussen en over domeinen heen. Het is een businessmodel op zich. Betrokkenen maken zich druk. ‘We voelen de urgentie’, ‘we moeten echt iets doen’. Als associatie consultant bij SenseGuide duik ik in persoonlijke verhalen via narratief onderzoek . Zo ook bij een onderzoek over bestaanszekerheid voor een gemeente in Noord-Holland. Op deze manier doen we recht aan de geleefde ervaring van betrokken rondom dit schaarste vraagstuk. We koppelen narratieve (kwalitatieve) informatie aan kwantitatieve data door middel van duidingsvragen. Zo kan de respondent zelf betekenis geven aan diens verhaal, wat bijzonder veel betrouwbare en valide data oplevert. Hieruit hebben we een bewust beeld van de onderliggende systemische structuren gekregen die op dit moment spelen rondom bestaanszekerheid. Vanuit daar kan de gemeente bij de praktijk passende stappen voor de toekomst formuleren. Door te reflecteren op deze verhalen ontdekte ik dat beleid een aanpak kent die uitgaat van tegenstellingen. Ik heb het hier niet zozeer over de inhoud van het beleid, als wel over de manier waarop het wordt uitgevoerd en de principes en informatie waarop het beleid is gebaseerd. Dit heeft tot gevolg dat beleid eenzijdig inspeelt op de schaarste vraagstukken rondom bestaanszekerheid, waardoor het onvoldoende recht doet aan de complexiteit van het maatschappelijke probleem. Ik pleit daarom voor een dialectische beleidsaanpak. In dit artikel leg ik uit wat ik bedoel met een dialectische beleidsaanpak door het te betrekken op het complexe maatschappelijke schaarste vraagstuk van bestaanszekerheid. Het doel is om een gesprek op gang te brengen over hoe er op een dialectische manier naar beleid gekeken kan worden in de praktijk. Dialectiek Dialectiek betekend dat er dialoog gevoerd wordt tussen tegenstellingen of kanten van een dualiteit (Bouwkamp & Bouwkamp, 2010; Keij, 2021). Wanneer één kant uitgesloten wordt of wanneer we enkel op extremen reageren, ontstaat er strijd. Hier komt een gevoel van onbegrip uit voort en dit werkt polarisatie (in de breedste zin van het woord) in de hand (Bouwkamp & Bouwkamp, 2010; Steijn, 2020). Onderling wantrouwen (van overheid naar burger en van burger naar overheid bijvoorbeeld) is dan een gemakkelijk gevolg. Via dialectiek wordt er gezocht naar het integreren van tegenstellingen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, zodat er geen strijd maar synergie ontstaat (Keij, 2021). Dit wil zeggen dat niet het verschil tussen de tegenstellingen maar de potentie in de wisselwerking benadrukt wordt. De kwaliteiten van beide kanten kunnen elkaar aanvullen waardoor de som der delen meer wordt. Vanwege het onderling aanvullen worden de valkuilen van beide kanten minder of zelfs opgeheven – meestal is de kwaliteit van de ene namelijk de valkuil van de andere kant. Denk bijvoorbeeld aan de dualiteit ‘licht’ en ‘donker’. Wanneer we alleen aandacht zouden hebben voor het ‘licht’, konden we het niet meer zien. We begrijpen pas wat ‘licht’ is, wanneer we ook het ‘donker’ kennen. Door beide kanten van de dualiteit op te merken en bewust aandacht aan te geven, doen we beide kanten van de werkelijkheid recht. Hierdoor wordt de potentie van beide kanten zichtbaar. Dat je misschien een hekel hebt aan het donker of dat je in het licht moeilijker kan slapen wordt minder belangrijk omdat de schoonheid en positieve wisselwerking tussen beide kanten doorleeft is. Dat geeft rust, je hoeft dan immers nergens tegen te vechten. Gebrek aan een dialectische beleidsaanpak rondom bestaanszekerheid Wanneer ik een dialectische manier van kijken toepas op de manier waarop beleid wordt uitgevoerd en de principes en informatie waarop het beleid is gebaseerd, dan valt op dat er vaak aandacht is voor één kant van de dualiteit. Hierdoor raakt ons wereldbeeld beperkt en ontstaat er gemakkelijk een onbewust conflict met de andere kant van de dualiteit. Dit kost veel onnodige energie. Wanneer er één kant wordt uitgesloten, zal de andere kant zich vanzelf openbaren – tegenstellingen zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden. Die openbaring is dan echter niet dialectisch. Bij beleid rondom bestaanszekerheid uit zich dit op verschillende manieren: 1 . Idealistische- of ad hoc oplossingen Wanneer er problemen ontstaan bij het verdelen van schaarste, trappen we vaak in één van de volgende valkuilen. Of we focussen ons op grootse idealistische toekomstplannen, of we reageren ad hoc en reactief. We proberen grip te krijgen op het probleem door hard te werken naar een idealistische ‘stip op de horizon’ of het lukt ons alleen om ons te focussen op de korte termijn met beleid wat geen langdurige impact heeft. Er is geen sprake van dialectiek tussen beide kanten, alleen van een tegenstelling. Als het gaat om beleid rondom bestaanszekerheid, dan wordt er vaak gefocust op de korte termijn. We willen ‘nu iets doen’ aan het probleem wat het probleem zichtbaar verminderd. Bijvoorbeeld door het verstrekken van een energietoeslag, wat tijdelijk de stijgende kosten drukt. De kant ‘korte termijn’ van de dualiteit ‘korte termijn en lange termijn’ krijg te veel aandacht, waardoor er op de lange termijn niks verandert aan de mate van bestaanszekerheid. Het geeft wel een goed gevoel dat we ‘nu’ iets hebben gedaan. 2. Gecompliceerde metingen, samenwerkingsverbanden en antwoorden Omdat we schaarste zo eerlijk mogelijk willen verdelen en willen voorkomen dat iemand deze eerlijkheid schaadt, hebben we strakke regels, kader en afspraken gemaakt. Vaak zijn hier verschillende partijen bij betrokken, zoals gemeenten, hulporganisaties en woningbouwcorporaties. We hebben hiervoor allerlei structuren opgetuigd. Het doel is om samen tot oplossingen te komen – het liefst onderbouwd met gemonitorde data over ‘hoe we ervoor staan’. Via samenwerkingsverbanden en cijfermatige data proberen we het probleem overzichtelijk te maken, waardoor we een gevoel van verbinding en grip hebben. Dit helpt en maakt ons tegelijkertijd afhankelijk – als iedereen verantwoordelijk is, is niemand verantwoordelijk. Naast dat deze bureaucratie onbedoeld wantrouwen veroorzaakt naar iedereen die gebruik maakt van het sociale vangnet, duurt het lang voordat we echt in beweging komen. Soms gebeurt het niet of niet structureel, waardoor waardevolle energie weglekt en we blijven doen wat we deden. De kant ‘controle’ van de dualiteit ‘controle en loslaten’ krijgt zoveel aandacht, dat we onszelf klemzetten. 3. We gaan uit van een ‘concreet’ probleem Wat ik regelmatig tegenkom is dat beleid rondom bestaanszekerheid uitgaat van het idee dat problemen ‘voorspelbaar’, ‘overzichtelijk’ en ‘concreet’ zijn. Er is één probleem (bijvoorbeeld schulden) en daar hoort een duidelijke oplossing bij. Wanneer je te maken hebt met problemen die zijn ontstaan door een samenloop van omstandigheden en factoren die vanuit het managementoogpunt in verschillende domeinen thuisoren, moet je bij meerdere instanties aankloppen en steeds je verhaal opnieuw vertellen. Deze instanties communiceren over het algemeen niet of in ieder geval niet effectief met elkaar. Mensen met meerdere of complexere problemen vallen hierdoor tussen wal en schip. De uitersten passen niet binnen het wereldbeeld van waaruit het beleid is opgesteld. De ‘concrete’ oplossingen zijn niet toereikend voor deze doelgroep. Strakke regels, kaders en afspraken die bedoeld zijn om niemand uit te sluiten, zorgen er op deze manier voor dat de mensen die de hulp het hards nodig hebben, niet krijgen wat ze nodig hebben. Ze zijn niet ‘gemiddeld’ genoeg. De kant ‘concreet’ van de dualiteit ‘concreet en complex’ voert de boventoon binnen beleid. Nog los van het feit dat hierdoor mensen met complexere problemen niet of onvoldoende geholpen worden, worden mensen met het enkel ‘concretiseren’ van de problematiek gereduceerd tot hun probleem en de oplossing die hierbij hoort. 4. Bij het verdelen van schaarste vergeten we gemakkelijk de mens Bovengenoemde dualiteiten maken het daarnaast gemakkelijk om de mens achter het vraagstuk uit het oog te verliezen. De mensen die het betreft zijn in de regel bijvoorbeeld geen onderdeel van de samenwerkingsverbanden tussen partijen die ofwel de idealistische ‘stip op de horizon’ formuleren of ad hoc beleid introduceren. Zij moeten het doen met het resultaat. Daarnaast wordt bestaanszekerheid als synoniem gezien voor armoede, waar een objectieve definitie aan is gekoppeld. Hoewel het aantal mensen wat onder de armoedegrens leeft al jaren afneemt, neemt de groep mensen die hier net boven leeft juist toe (CBS, 2024). Wil dit zeggen dat problemen rondom bestaanszekerheid minder zijn geworden of dat ze zijn veranderd? Het uitdrukken van het huidige armoedebeleid in feitelijke definities of cijfermatige data geeft ons een gevoel van grip. We evalueren op basis van gemiddelden, waardoor we snel het gevoel hebben dat we ‘goed zitten’ met ons beleid. Het maakt de wereld overzichtelijk, het probleem tastbaar en het geeft ons het gevoel dat we ‘gemakkelijk’ iets kunnen doen. De paradox zit hem in het feit dat mensen in het nu tussen wal en schip blijven vallen, waardoor er in het nu crisissen blijven ontstaan die ad hoc opgelost moeten worden. Door het probleem te objectiveren vraag ik mij af of we nog echt nog in contact staan met de mensen wiens bestaanszekerheid op de tocht staat? De mensen die eenzaam en in de kou moeten rondkomen van niks; de mensen die vanwege chronische ziekte niet meer kunnen deelnemen aan de samenleving en hun netwerk zijn kwijtgeraakt; de mensen die hun kinderen achter de tv grootbrengen omdat ze niemand hebben om op terug te vallen en doodmoe zijn omdat ze de eindjes aan elkaar moeten knopen; en zo kan ik nog even doorgaan. Of hebben we hen onbewust gereduceerd tot het vraagstuk zelf? De kant ‘objectiviteit van de dualiteit ‘objectief en subjectief voert de boventoon binnen beleid, waardoor het lastiger is om te begrijpen wat problemen rondom bestaanszekerheid voor mensen persoonlijk betekend. Beleidsdialectiek in de praktijk Het in praktijk brengen van beleidsdialectiek bij complexe maatschappelijke vraagstukken, vraagt daarom om een een probe-sense-respond aanpak (Snowden, 2025). Op deze manier wordt de context waarin het complexe maatschappelijke schaarste vraagstuk is ontstaan, haarfijn in kaart gebracht. Met doorvragen (probe) en het investeren van bewuste, aandacht, tijd, energie en focus, kunnen we de onderliggende structuur van het complexe probleem in kaart te brengen. Hierdoor worden beide kanten van de dualiteit en alles wat daar tussenin zit zichtbaar. De situatie kan dan gericht betekenis (sense) krijgen waardoor er inzicht ontstaat verschillende kanten van de werkelijkheid en waarin de vele factoren die bijdragen aan het probleem helder worden. Door deze ‘gegeven werkelijkheid’ te accepteren, krijgen we de mogelijkheid om alle kanten creatief met elkaar te integreren. Vanuit bewustzijn en acceptatie hebben we de mogelijkheid om de omgangspatronen te veranderen (respond), met oog voor de toekomst vanuit het nu. Op deze manier kunnen we recht doen aan de complexiteit van deze complexe maatschappelijke schaarste vraagstukken en laten we ons niet verleiden te zoeken naar causale oplossingen Dit heeft als voordeel dat we onze energie niet verdoen aan een negatieve onbewuste strijd met dat wat we ‘ontkennen’. Heel praktisch is hiervoor dialectiek nodig binnen in ieder geval de volgende dualiteiten: 1. Dialectiek tussen samenwerken en persoonlijke impact maken Vanuit de focus op samenwerking met allerlei partijen, kunnen beleidsmakers maar zo vergeten dat ze ook persoonlijke impact kunnen maken. Hiervoor mag je verantwoordelijkheid nemen die niet te veel (te overweldigend) en niet te weinig (onverschillig) is. Dit begint bij het terugdringen van het complexe vraagstuk naar jouw rol en naar het moment. Zo kan je persoonlijke impact maken. Waar sta jij voor? Waar word je warm van en hoe wil jij je hiervoor inzetten? Op welke plek sta jij in de samenleving? Welke functie of rol heb je? Welke invloed zou je kunnen uitoefenen die je nu (om allerlei goede redenen) niet gebruikt? Wat zou je vandaag nog kunnen doen om in ieder geval in beweging te komen? En (een zeer belangrijke stap) hoe doe je dat in samenwerking met anderen? Door bij jezelf te beginnen houd je het overzichtelijk en concreet. Hierdoor is het ook duidelijk voor anderen waar je (voor) staat. Zo weet je in de samenwerking beter wat je aan elkaar hebt en ontstaat er minder strijd over ‘wie, waarvoor verantwoordelijk is’. 2. Dialectiek tussen nu en straks Het nu en het straks kunnen elkaar meer aanvullen. Dit kan door je te beseffen dat alleen in het nu impact gemaakt kan worden. Alleen nu heb je invloed – niet gisteren, morgen of over vijf jaar. Door het nu bewuster te gebruiken, kan je meer impact maken voor de toekomst. Dat vraagt om stilstaan, bezinnen en reflecteren: ‘waar zijn we mee bezig? Is dit wat echt nodig is, of is onze blik vertroebeld geraakt?’ Veel mensen vinden het spannend om bewust in het moment aanwezig te zijn. Weg bewegen bij het nu voelt ‘veiliger’. Dit is begrijpelijk, want op die manier hoeven we ons eigen ongemak niet te voelen. In het moment praten we daarom gemakkelijker met elkaar over bestaande ideeën, terwijl we achteraf misschien denken ‘he, had ik dit of dat maar gedeeld’. Hierdoor laten we kansen liggen en weten we niet altijd of dat wat we nu doen ook aansluit bij wat er nu nodig is. Samengroeien en verder komen kan alleen in het nu. Het helpt daarom om samen in gesprek te gaan over wat we nu opmerken of denken, ook wanneer dit een beetje ongemakkelijk voelt. Verschillende mensen hebben namelijk verschillende creatieve ideeën, die prachtig bij kunnen dragen aan een oplossing. Om allerlei redenen noemen we die ideeën vaak niet. Bijvoorbeeld vanwege de onbewuste angst om af te wijken, om (n)iemand te zijn of om de plank mis te slaan. Het jammere hiervan is dat we hierdoor ongewild blijven doen wat we deden. Hoe mooi zou het zijn om meer aanwezige potentie aan te boren in het moment? 3. Dialectiek tussen het meetbare en het voelbare Een wisselwerking met potentie tussen alle genoemde dualiteiten, vindt haar oorsprong in het gesprek. Door het horen van andermans verhaal, diens perspectief op de wereld en iemands persoonlijke ervaringen, wordt je wereldbeeld verbreedt. In deze nieuwe inzichten liggen nieuwe kansen. Om te kunnen begrijpen wat iets (cijfermatig) betekent en om inzicht te krijgen in wat er nodig is en wat jij vanuit jouw positie kan doen, moet je erover praten. En dan bedoel ik niet alleen in gesprek gaan met mensen in je eigen bubbel. Stap uit je comfort-zone en spreek met de mensen die het vraagstuk betreft. Dit klinkt super logisch, maar we doen het veel te weinig. Aannames vertroebelen een open houding en verhinderen dat we een simpele vraag als ‘hoe is dat eigenlijk voor je?’ stellen. We denken vaak dat we al wel weten hoe het zit: ‘ik heb er een artikel over gelezen’. Juist daarom ligt hier de sleutel. Wanneer je een positie bekleed waarin je aan de knoppen van een complex maatschappelijk schaarste vraagstuk kan draaien – moet je in gesprek aangaan met mensen die het vraagstuk diep treft. Wanneer je luistert naar de verhalen van mensen in uitzonderlijke situaties, krijgt je inzicht in waar het schaarste beleid schuurt. Hiervoor moeten we verder kijken dan de feitelijke definitie van armoede. Doen we dit niet, dan lopen we het risico dat mensen die leven met weinig bestaanszekerheid niet alleen de financiële vrijheid wordt ontnomen, maar ook hun vrijheid om zelf te bepalen wat ‘nodig’ is en ‘wat-niet’. Hun zelfbeschikkingsrecht en autonomie komt op de tocht te staan, waardoor ze niet volwaardig deel kunnen nemen aan de samenleving. Dat wil zeggen – niet volwaardig kunnen delen met anderen waar ze goed in zijn en wat van toegevoegd waarde is. Dat zou een gemiste kans zijn! Durf je impact te maken die je hebt in het moment door een echt gesprek aan te gaan? Zodat je samen verder kan werken aan de toekomst? Bibliografie Bouwkamp, R., & Bouwkamp, S. (2010). Handboek psychosociale hulpverlening. Utrecht: De tijdstroom uitgeverij. CBS, N. S. (2024). De nieuwe methode om armoede in Nederland te meten. Kennisbijeenkomst, 4 november 2024. De nieuwe methode om armoede in Nederland te meten. CBS, NIBUD, Sociaal en Cultureel Planbureau. Keij, J. (2021). Tijd als kwetsbaarheid in de filosofie van Levinas. In J. Keij. Amsterdam: Boom uitgevers. Snowden, D. (2025). The cynefin Framework. Opgehaald van thecynefin.co : https://thecynefin.co/about-us/about-cynefin-framework/?srsltid=AfmBOoqcBa1nJ6DfB2lm6cqSMjuR49GU6OLt4SIYlvnfNCkVyZCb8s2a Steijn, E. v. (2020). De fontein Maak wijze keuzes. Utrecht: Uitgeverij Het Noorderlicht.












