Zoekresultaten
Search this site
27 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht
- Een existentiële zoektocht naar normaal gedrag
Gedrag in plaats van persoon ‘’Als ze me nu konden zien, zouden ze me voor gek verklaren’. Het was een zenuwslopende gedachte die maar door mijn hoofd bleef flitsen toen ik voor de zoveelste keer een dissociërende paniekaanval had. Ik was helemaal alleen, voelde me verkrampt terwijl ik in de foetushouding lag. Ik was doodsbang voor de eenzaamheid die zich onvermijdelijk aan mij opdrong. De angst en paniek die ik voelde door het gevoel dood te gaan vanbinnen, was bijna onverdraaglijk. Ik begreep het niet. Waarom voelde ik dit? De angst en veroordeling over mijn eigen onwetendheid hierover, deden mij nog verder uit elkaar vallen dan ik al was. Het hield de paniek in stand. Het voelde alsof ik in stukjes uiteenspatte en nooit meer heel zou worden. En ik strafte mijzelf ervoor – hoe kon ik toch zulk idioot gedrag vertonen? Was ik gek geworden!? Angst voor het ‘onbekende’ Sinds mensenheugenis zijn er ideeën over wat ‘normaal’ en ‘abnormaal’ gedrag is. Hoe dit wordt gedefinieerd is steeds aan verandering onderhevig. Wat echter een constante is, is dat we (in ieder geval hier in het westen) ons best doen om van ‘abnormaal’ gedrag af te komen. We willen het fixen en oplossen omdat we het niet begrijpen. Van gekkenhuizen tot heropvoedingskampen, van hersenstimulatie tot een bijbel voor psychopathologie, alles is erop gericht om de ‘abnormaliteit’ op te heffen zodat iemand ofwel geen overlast meer is voor de samenleving, ofwel weer deel kan nemen aan de samenleving op een manier zoals ‘wij’ dat verwachten. Alles wat afwijkt wordt gepropageerd als probleem. Dit gegeven raakt mij. Het raakt mij dat we in de zoektocht naar ‘normaal’ gedrag steeds een oordeel hebben over de ander, omdat we zelf zo bang zijn de onzekerheid over ‘onbekend’ of – zoals ze dat tegenwoordig noemen – ‘onbegrepen’ gedrag onder ogen te komen. Waarom zijn we zo bang voor dat wat we niet ‘begrijpen’ of voor de onzekere gevolgen van iemands onbekende gedrag? We overleven door ‘erbij’ te horen Als mens zijn we afhankelijk van elkaar voor onze overleving. Val je buiten de groep, dan is dit op celniveau een levensbedreigende ervaring. We doen er daarom alles aan om bij de groep te blijven horen. In deze zoektocht naar ‘erbij’ horen, vindt een paradox plaats in ons gedrag naar anderen. Aangezien een groep er alleen kan zijn wanneer er meerdere mensen betrokken zijn, zou je verwachten dat we ons best doen om zoveel mogelijk mensen bij de groep te betrekken – ongeacht hoe je bent. Het klopt dat we mensen niet zomaar laten vallen. Echter gebeurt er ook gemakkelijk iets anders. Vanuit de angst om onze eigen plek in de groep te verliezen, zoeken we naar normatieve gedragsregels die ons ‘vertellen’ dat we erbij horen. ‘Als ik mij zus of zo gedraag, dan ben ik zeker van mijn plek’. Het is een onbewust en constant checken. Alles wat van deze normen afwijk, wordt onbewust als potentiële bedreiging voor onze eigen plek gezien. De bekende gedragsregels worden hiermee immers ter discussie gesteld, wat onzekerheid in ons oproept over wat we zelf moeten doen om ‘erbij’ te blijven horen. We wijzen daarom ‘abnormaal’ gedrag af zodat we onbewust onze eigen positie in de groep veiligstellen. Kort gezegd is de historische zoektocht en dwangtocht naar ‘normaal’ gedrag een uiting van existentiële angst om buiten de groep te vallen als je afwijkt. We zijn bang om dood te gaan wanneer we er niet bij horen. We zijn daarom bang voor het onbekende en dat wat we niet begrijpen omdat dit onze ‘zekerheden’ ter discussie stelt. Dus verwachten we dat iedereen ‘normaal’ gedrag vertoon en doen we ons best om zelf absoluut niet ‘abnormaal’ te zijn. Begrijpelijk en schokkend! Lineaire verklaringen voor gedrag De geschiedenis kent vele oorzaken die hebben geleid tot de overtuiging die we nu hebben over wat ‘normaal’ gedrag is. Tegenwoordig richt de psychiatrie zich op het labelen van gedrag via diagnostiek. Oorspronkelijk was dit diagnose-systeem bedoeld om behandelingen overzichtelijk te kunnen bekostigen. Onze zorgfinanciering is erop gericht om de beschikbare middelen zo eerlijk mogelijk te verdelen, dus is het logisch om een lineair financieringssysteem te ontwikkelen wat uitgaat van vaste behandelprogramma’s op basis van ‘objectieve’ problemen. Een onderliggend idee hierbij is dat mensen op deze manier vrij efficiënt van hun probleem afgeholpen worden. ‘Heb je probleem A en wij behandelen je met optie B en C, dan zal dit leiden tot D’. Deze lineaire manier van financieren voert inmiddels iets minder de boventoon. De financiering en de diagnostiek zijn losgetrokken van elkaar. Dat neemt niet weg dat het principe van diagnostiek ver is doorgedrongen in de psychiatrie. Niet alleen om de financiering en behandeling overzichtelijk te maken, maar ook – zo is mijn hypothese – om onbegrepen gedrag te kunnen verklaren zoals ik hierboven toelichtte. Zo ‘begrijpen’ we wat ‘afwijkt’, en dat maakt het minder ‘bedreigend’. Sterker nog, het geeft ons handvaten om ermee om te gaan, waardoor we onze angst voor ‘erbuiten vallen’ en het ‘niet weten’ of het ervaren van ‘griploosheid’ niet onder ogen hoeven te komen. Met diagnostiek hebben we duidelijke handelingsperspectieven van waaruit we de persoon in kwestie kunnen helpen deel te nemen aan de samenleving op een manier die past bij ‘wat voor ons bekend is’. Het is een goed bedoelt en nobel streven om iedereen te betrekken bij de samenleving, waar op deze manier tegelijkertijd veel verdriet uit voortkomt. Ik zie zeer frequent jonge mensen in mijn praktijk die volgens de gangbare psychiatrie ‘niet te helpen zijn’. Ze zijn ‘te moeilijk’, ‘te complex’, de psycholoog heeft ‘ineens geen mogelijkheid meer’ om deze cliënt te helpen nu er een mogelijke sprake zou zijn van neurodivergentie (ook al kwam de betreffende cliënt al een aantal maanden bij deze psycholoog). De cliënt heeft ‘een steekje los’ en als de behandeling niet aanslaat dan wordt er meer diagnostiek gedaan om te kijken ‘waar het probleem dan zit’. Steeds wordt ernaar gestreefd grip te krijgen op dat wat niet begrepen wordt. Het raakt me telkens tot op het bot. De buitengewoon heftige consequentie hiervan is een gevoel van depersonalisatie bij deze cliënten. Ze voelen zich niet gezien voor wie ze zijn, maar gereduceerd tot hun gedragsprobleem. Cliënten die ik zie hebben zich geïdentificeerd met hun diagnose. Hun gedrag zien ze niet als een ingenieus overlevingsmechanisme wat zich adaptief aanpaste aan veranderende omstandigheden met de mogelijkheden die ze hadden. Ze zien de diagnose als definitie en verklaring voor wie ze in werkelijkheid zijn. Ze ‘zijn’ depressief, ze ‘zijn’ bipolair, ze ‘zijn’ een dissociatiestoornis. Alsof er verder niks meer is. Geen geschiedenis, geen levensverhaal, geen hobby’s, geen interesses, geen dromen en passies, geen veerkracht, geen levensenergie, geen niks… De cirkelredenering in persoonlijke diagnostiek Vaak wordt er bij diagnostiek uitgegaan van het idee dat de diagnose van het gedrag een verklaring geeft voor het gedrag zelf. Het gedrag wordt hiermee persoonlijk gemaakt – alsof iemand er direct schuld aan heeft. Er zit een cirkelredenering in deze manier van persoonlijk diagnosticeren. Garbor Maté beschrijft dit treffend in zijn boek ‘De mythe van normaal’. ‘Waarom is die persoon druk? Omdat hij ADHD heeft. Waarom heeft hij ADHD? Omdat hij druk is’. Het zegt precies niks over de oorsprong van het gedrag en waarom deze persoon dit gedrag nodig heeft in een betreffende situatie. Het zegt niks over wie deze persoon is, maar die suggestie wordt wel gewekt. Dit komt omdat de diagnose wel iets zegt over wat er van het gedrag gevonden wordt, namelijk dat het ‘abnormaal’ is. Het op deze manier persoonlijk maken van gedrag, doet iets met iemands zelfbeeld. Het wordt er meestal niet steviger van. Gedrag als product van interactie met de omgeving Het is niet nodig om gedrag persoonlijk te diagnosticeren wanneer je gedrag ziet als product van een interactie met de omgeving. Het individu en de omgeving zijn in een constante wisselwerking met elkaar. We groeien allemaal op in verschillende genetische, epi-genetische, familiaire, historische, culturele, maatschappelijke, geografische, psychologische en sociale omgevingen. We zijn daarnaast allemaal uniek. We hebben een eigen binnenwereld en die interacteert op unieke wijze met deze unieke context. Constant en altijd. Om te overleven moeten we ons effectief aanpassen aan deze omgeving (dit heet adaptatie), zodat we de aanwezige middelen en mogelijkheden in de omgeving kunnen gebruiken om te overleven. Zo vinden we voedsel, warmte en gezelschap in onze omgeving. Alles in ons is erop gericht om te overleven. Wanneer onze omgeving een bedreiging vormt, dan ontwikkelen we de meest effectieve overlevingsstrategie die we kunnen met de mogelijkheden die we op dat moment voor handen hebben. Op die manier proberen we de harmonie te herstellen tussen onszelf en onze omgeving (dit heet homeostase), waardoor er weer rust ontstaat in ons lijf en we ons verder kunnen ontwikkelen. De meest effectieve overlevingsstrategie die je als kind kan toepassen, is anders dan wat je als volwassene zou kunnen doen. Je bent immers veel afhankelijker en hebt minder ervaringen en vaardigheden dan wanneer je volwassen bent. De meest effectieve overlevingsstrategie die persoon A kan toepassen in situatie X, kan enorm verschillen van de meest effectieve overlevingsstrategie die persoon B in dezelfde situatie tot uiting kan brengen. Dit komt omdat we allemaal unieke mentale, fysieke en sociale mogelijkheden tot onze beschikking hebben. We hebben daarom ook allemaal onze eigen uitdagingen ten aanzien van onze omgeving. Daarom adapteren we ons allemaal op unieke wijze. Er zit dan ook een hoop subjectiviteit in wat wordt ervaren als een ‘bedreigende omgeving’ en ‘effectieve overlevingsstrategie’ op dat moment. Van persoonlijke diagnostiek naar oog voor gedrag in de context Ons gedrag hangt dus altijd samen met onze omgeving. In de interpretatie van deze context speelt zowel onze ervaringen uit het verleden, de gewaarwordingen in het heden en ons beeld van de toekomst een rol. Iemands gedrag is daarom een probleem wat op zichzelf staat of wat als psychopathologie in zichzelf kan worden gedefinieerd. Het is het gevolg van de manier waarop iemand zichzelf gezien diens mogelijkheden zo effectief mogelijk kon aanpassen aan de omgeving. Gedrag enkel persoonlijk diagnosticeren helpt daarom meestal niet om jezelf gezien jouw mogelijkheden op een gezondere manier aan te passen aan de omgeving. Het helpt vooral om te zien waar dit niet is gelukt. Oog voor de context vraagt om toestemming om af te wijken ‘Leuk en aardig’ kan je denken, ‘oog hebben voor de context. Iemands gedrag is nog steeds niet helpend’. Dat klopt, en dat wil ik ook niet onderuithalen. De context van het gedrag is niet het enige waar we aandacht voor moeten hebben. Waar ik wel voor pleit is dat we als hulpverleners verder durven te kijken dan het persoonlijk diagnosticeren van het gedrag. Dit vraagt echter ook dat we kunnen verdragen dat mensen ‘afwijken’ van wat wij verwachten. Willen we iemand heel laten en zien voor wie hij is dan moeten we accepteren dat mensen verschillen. We moeten onze eigen angst voor ‘onbekend’ en ‘onbegrepen’ gedrag onder ogen komen en onze eigen overtuigingen van ‘wat je moet doen om erbij te horen’ opzij durven zetten. We moeten ons wereldbeeld durven verruimen met de subjectieve ervaring van de betreffende cliënt tegenover ons. Hiermee pretendeer ik niet dat we oordeelloos kunnen of moeten zijn. Ik zeg wel dat het oog hebben voor het persoonlijke verhaal van iemand meer verbinding schept dan het objectief beoordelen van gedragskenmerken. En is verbinding niet de bron van heling? Dit was het eerste essay in de serie ‘Contact in plaats van diagnose’. Het tweede artikel gaat in op de rol van verbinding met onszelf en met de ander om heel te worden.
- Perfectionisme
Echt leven is de schoonheid omarmen van het imperfecte. Perfectionisme in de volksmond In de taal van de moderne psychologie en op de werkvloer kom ik de term ‘perfectionisme’ regelmatig tegen. Er wordt bijvoorbeeld mee bedoelt dat iemand ergens de beste in wil zijn en wil ‘winnen’. Er kan ook mee bedoeld worden dat een resultaat heel goed moet zijn en aan door jezelf bepaalde maatstaven moet voldoen. Soms zeggen mensen ‘ik ben een perfectionist’, om te laten zien hoe hard ze werken. Soms wordt het gedeeld vanuit een soort slachtoffer positie, ‘sorry, ik kan er ook niks aan doen dat ik de verantwoordelijkheid niet uit handen durf te geven’. De term wordt vrijwel altijd gebruikt als verklaring voor gedrag en als toestemming voor dit gedrag. In feite zegt het dus precies niks, zolang we het gesprek over wat perfectionisme voor iemand betekent uit de weg gaan. Door de dikke van Dale wordt een ‘perfectionist’ gedefinieerd als iemand die streeft naar perfectie. Perfectionisme kan je omschrijven als het streven naar volmaaktheid – wat doorgaans een onrealistisch hoge lat is. Deze drang naar perfectie en volmaaktheid staat nooit op zichzelf, het manifesteert zich altijd ‘in relatie tot’. Je wordt er ook niet mee geboren, het is een manier om het leven aan te kunnen, omdat iets in de wisselwerking tussen jouw en je omgeving aangaf dat dit een goede oplossing was. In dit artikel neem ik je hierin mee. De valkuil van projectie via taal Achter perfectionisme zit altijd een diepzinnige en onbewuste motivatie, die met dit oppervlakkig gebruik van het woord niet zichtbaar wordt. Bij het gebruik van het woord hebben we allemaal direct een associatie. Echter vergeten we het gesprek aan te gaan over wat perfectionisme voor de betreffende persoon betekent. Taal nodigt ons immers uit om betekenis te geven aan zaken en is tegelijkertijd kwetsbaar voor multi-interpretatie. Taal is niet objectief maar altijd bevlekt met onzekerheid. Hierdoor projecteren we onbewust onze eigen beleving en ervaring wanneer we ‘perfectionisme’ horen. In feite hebben we niks geleerd over de ander en zijn we de ander niet echt tegengekomen wanneer we niet doorvragen naar de diepere laag. In die zin is perfectionisme iets bekends onbekends. In dit artikel ga ik wel een aantal lagen dieper. Perfect willen zijn manifesteert zich altijd in relatie tot Vrijwel bij al mijn cliënten kom ik een vorm van perfectionisme tegen. De ene persoon wil zich ‘perfect’ afstemmen op de ander, en vergeet daarbij zichzelf. Een gevoel van vervreemding en depressie is het gevolg. De ander zoekt naar het perfecte leven, waarin je tot bloei komt en al je talenten kan gebruiken. Grote teleurstelling over de feitelijke werkelijkheid maken dat onderdrukte boosheid door de communicatie vloeit en dat er sprake is van verwijdering van anderen. Weer een ander verwacht van anderen dat ze perfect op hen reageren. Duurzame relaties in stand houden is dan lastig. Daarnaast kan perfectionisme ertoe leiden dat mensen nieuwe uitdagingen uit de weg gaan uit angst om te falen. Een ander gaat juist harder werken om falen te voorkomen. Vaak is het een combinatie van alles. Los van de vorm waarin het zich uit, voert eenzaamheid de ondertoon. Perfect zijn is helemaal niet leuk, waarom proberen we het dan te zijn? Perfectionisme als gedrag Ik kan mezelf ook een perfectionist noemen. Dit uit zich in dat ik ‘de lat hoog leg’ (althans zo omschrijven anderen het) en ik het graag ‘allemaal goed wil doen’ naar anderen. Het gevolg hiervan is dat ik veel energie lek, al meermaals overspannen ben geweest en ik het moeilijk vind om rust te nemen; ‘ik moet wel nuttig blijven’. Deze uitleg geeft echter geen verklaring. Het is alleen zichtbaar gedrag aan de oppervlakte. Het zegt nog steeds niks over wat perfectionisme voor mij betekent. Ieder mens heeft namelijk buitengewoon goede redenen voor slecht gedrag. Ik ook voor deze toxische vorm van perfectionisme. De functie van perfectionisme Perfectionisme heeft voor mij een nuttige functie. Wanneer ik ‘alles perfect’ doe en ‘een echt goed mens ben’, blijft de harmonie intact. Althans, dat is de diepgewortelde overtuiging die veel van mijn onbewuste gedrag voortduwt. De harmonie moet bewaard blijven, niet omdat ik bang ben voor conflict, maar wel omdat ik bang ben dat de ‘verbinding verbroken’ wordt. Ik wil alles zo goed doen, omdat ik bang ben om verlaten te worden en de verbinding met mijzelf te verliezen. Ik wil niet vervreemden van de wereld en ik wil niet alleen zijn. Ik moet alles perfect doen omdat ik bang ben voor eenzaamheid. Ironisch genoeg werkt het perfectionisme niet tegen het bestrijden van eenzaamheid. Hoe ‘beter’ ik wil zijn, hoe meer ik iemand verwacht te zijn die ik niet ben. Hiermee ga ik steeds uit contact met mezelf. Als ik perfectionisme nastreef keur ik bepaalde kanten van mijzelf af. Dingen die gewoon in mij zitten en die ik niet leuk vind aan mezelf of waarvan ik denk dat anderen het niet leuk vinden. Hoe meer ik mijn best doe dit te onderdrukken of te ‘reguleren’ (wat geen regulatie is), hoe harder het naar boven komt – natuurlijk! Door essentiële kanten van mijzelf af te wijzen, ben ik niet meer ‘echt’ en raakt de harmonie in mijzelf verstoord omdat ik mezelf niet heel laat. Daar komt nog bij dat ik indirect en onbewust een appél doe op de ander om net zo ‘perfect’ te worden en de kanten die ik van mijzelf afwijs ook bij henzelf af te wijzen. Reken er maar op dat we dan binnen de kortste keren op elkaars pijnpunten aan het drukken zijn en ‘hoera’ ook hier is de disharmonie geboren! Nog een laagje dieper Met het ‘perfect’ doen probeer ik de ongenoeglijke kanten van mijzelf te maskeren. Mijn kwetsbaarheiden hoef ik dan niet te tonen en mijn kracht hoef ik niet te laten zien. Dat wat ik lastig vind kan ik onder het tapijt vegen en daar waar ik goed in ben hoef ik geen aandacht voor te vragen. Het is een manier om het echte contact niet aan te gaan, omdat de angst voor onbegrip overheerst. Hier kan ik mij vanuit slachtofferschap gezellig achter verschuilen waardoor ik niet in beweging hoef te komen. Ook al werk ik mega hard om alles perfect te doen, in feite is ook dit een vermoeiende vorm van stagflatie (zie het blog Idealistische Impact ). Perfectionisme is mijn manier om bestaansrecht te claimen. Een illusionair bestaansrecht weliswaar, maar toch, dat is wat de perfectie in stand houdt. ‘Als ik maar zus of zo ben, dan mag ik er zijn’. En ook hiervoor geldt; hoe perfecter ik moet zijn om te mogen bestaan, hoe meer ik mijn eigen bestaan ten diepste afwijs. Ik kan immers nooit voldoen aan het beeld van de persoon die ik probeer te zijn – het moet altijd meer en altijd beter. Het is toxisch idealisme. In de tussentijd wijs ik mezelf in essentie af, scheur ik mezelf in stukken en laat ik mezelf alleen. Niet in staat tot echt contact. Te bang om mezelf echt te geven. Perfectionisme zie ik daarom als diep pijnpunt in mijn zelfbeeld en identiteit. Het is een manier om weg te blijven van het echte leven wat ik mag leven wanneer ik mezelf ben. Waarom zou ik dan nog steeds perfect willen zijn? Het moge duidelijk zijn dat ik met mijn streven naar perfectie averechts werkt. Nog los van het feit dat ik een bovenmenselijke verantwoordelijkheid op m’n schouders neem die helemaal niet past bij de plek die mij gegeven is en waarmee ik mezelf uitput, bereik ik ook niet dat wat ik ermee wil bereiken: bestaansrecht en echt contact met anderen. Dat neemt niet weg dat perfectionisme mij ook veel gebracht heeft. Blijkbaar was er als kind een wisselwerking tussen mij en mijn omgeving die maakte dat ik perfectionisme nodig had. Ik werd een ster in aanpassen, zodat ik erbij hoorde en mee kon doen. Dat heeft me doorzettingsvermogen en fijngevoeligheid gegeven waar ik nog altijd de vruchten van pluk. Gooi het kind dus niet met het badwater weg. Nu ik volwassen ben heb ik dit echter niet meer nodig om te ‘mogen zijn’. Ik heb nu de emotionele mogelijkheden om een andere invloed uit te oefenen op de wisselwerking tussen mij en mijn omgeving. Nu hoef ik mijzelf niet meer aan te passen met de hoop dat ik erbij hoor, maar durf ik mezelf steeds meer te onderscheiden met mijn authenticiteit. Het mooie hiervan is dat ik anderen onbewust ook ‘toestemming’ geef zichzelf te zijn. Met zelfacceptatie ontstaat er een gezondere wisselwerking tussen mij en mijn omgeving. Zo komt er ruimte voor het verschil waardoor we elkaar echt tegen kunnen komen. Er kan alleen contact ontstaan wanneer we onze eigen plek innemen. Echt contact ontstaat wanneer je op je eigen plek staat en omarmt wie je bent. Perfectionisme als omarmd deel Nu ik volwassen ben kan ik de perfectionistische kant van mijzelf op een gezonde manier inzetten. Hier hoort bij dat ik alle kracht en kwetsbaarheid die in mij zit een plek krijgt in mijn leven. Dat wil enerzijds zeggen dat ik ze zelf durf te zien en anderzijds dat ik er ook echt naar ga leven door ze te laten zien. Dit wil niet zeggen dat ik niet meer mag streven naar ‘perfectie’. Het zit namelijk in mij dat ik geniet van mooie dingen maken. Ik houd ervan ergens eindeloos over na te denken, bij te schaven en iets nog meer tot z’n recht te laten komen. Ik vind er levenslust in – ook al vinden anderen dat ik de lat te hoog leg. Het gaat erom dat ik mij bestaansrecht niet van het resultaat af laat hangen. De weg naar diepe zelfacceptatie (zie artikelen Bestaansrecht en de Medaille van angst ) kan zich daarom niet alleen in mijn hoofd afspelen! Zelfacceptatie betekend dat ik mezelf uitleef, deel en ontvang, zodat ik de ander tegen kan komen. Dan ga ik leven in plaats van overleven en heb ik het toxische perfectionisme niet meer nodig. Echt leven is zien en gezien worden Echt leven is geven en ontvangen Echt leven is de schoonheid omarmen van het imperfecte En dat allemaal in contact brengen met de ander Daar is zin Daar is betekenis
- De Controle Paradox
Alle mensen hebben een behoefte aan een gevoel van controle. Onze toekomst is vol met onzekerheden. Het zoeken naar controle geeft je als mens een schijngevoel van grip op de onbekende toekomst. Hierdoor heb je het idee ‘veilig’ te zijn in het nu. Dat gevoel van veiligheid is essentieel om te kunnen ontspannen. Je kan pas rust ervaren wanneer je niet constant over je schouder hoeft te kijken. Heel functioneel voor je als je wil overleven. In onze drukke samenleving heeft dit een keerzijde. We denken grip te kunnen krijgen op onze toekomst door te plannen. Druk, druk, druk en je agenda is vol. Geen tijd voor ademhalen. Even, heel even heb je hierdoor een gevoel van veiligheid. Maar op de lange termijn kom je zonder dat je het in de gaten hebt vast te zitten in beklemming. Je behoefte aan veiligheid gaan ten koste van je vrijheid. Je overleeft, in plaats van dat je leeft. Als ik voor mezelf spreek wil ik in tijden van grote stress de touwtjes nog strakker aantrekken. Hoe onzekerder mijn toekomst lijkt, hoe groter mijn behoefte aan controle. Op het obsessieve af. Hierdoor beland ik in een wanhopige loop van gevangenschap. Mijn eigen brein heeft mijn lichaam geketend. Ik geniet niet meer, maar voel me angstig en alleen. In plaats van rust en veiligheid kom ik onrust en verstikking tegen. Dat wat mij moest redden (controle) deed mij ten ondergaan. Dat wat mij moet redden (controle) doet mij ten ondergaan. Wat hieraan ten grondslag ligt is mijn onvermogen om om te gaan met onzekerheid. Twee vormen van onzekerheid, om wel te verstaan. Ze hangen nauw met elkaar samen. Wanneer de obsessieve controledrang overheerst is dat voor mij een teken dat ik niet kan verdragen dat mijn toekomst onzeker is en dat ik overgeleverd ben aan het onbekende. Dit onvermogen wordt aangewakkerd door onzekerheid over mijzelf. Ik geloof diep van binnen blijkbaar niet dat ik veerkrachtig genoeg ben om te kunnen dragen wat de toekomst mij te bieden heeft. Of ik denk dat ik niet over de juiste vaardigheden beschik. Deze diepe overtuiging helpt mij in geen enkel opzicht. Ze maakt mij nog krampachtiger, waardoor mijn lichaam in de overlevingsstand blijft. Los van het enorme verlies van levenslust wat hiermee gepaard gaat, belemmert het ook mijn vermogen om open te staan voor nieuwe dingen. Leren wordt hierdoor onmogelijk. Logisch dat ik vervolgens niet geloof ik mijn eigen veerkracht. Ik gun mezelf niet eens de kans om struikelend en stuntelend de toekomst te onderzoeken, te vallen en bovenal mezelf liefkozend te pushen weer op te staan. Ik gun mezelf niet om met hernieuwde kracht en levenswijsheid de volgende uitdaging te omarmen. Ik verwacht blijkbaar dat ik het allemaal al moet kunnen voordat ik überhaupt weet wat ik in de toekomst nodig heb. Of ik ben te bang te ontdekken dat het wel lukt en dat er ‘verrek nog aan toe’ geen enkele reden is om mijzelf het leven te ontzeggen. Er is geen enkele reden is om mijzelf het leven te ontzeggen Faalangst? Succesangst? Geeft het een naam. Het helpt in ieder geval niet. Mijn drang naar controle door grip te houden op een onzekere toekomst, maakt me ziek, uitgeput, eenzaam en levenloos. Ik leef niet in het hier en nu. Ik adem niet maar hijg, zucht en steun. Ik durf mijzelf niet te zijn in het moment. Steeds denk ik na over hoe ik had moeten wezen of hoe ik zou moeten worden. Ik ben op de vlucht voor het verleden en de toekomst en maak mijn leven zo tot één grote verstrikking. Controle is een illusie die mij kwetsbaar maakt. Controle is een illusie die mij kwetsbaar maakt. Maar wat dan wel? Ik blijf als mens toch een behoefte hebben aan controle? En dat klopt, die behoefte kan ik niet uitzetten. Maar ik kan mijn invloed wel terugbrengen naar het enige moment waar ik die invloed heb: het hier en nu. In het hier en nu kan ik regie nemen waardoor ik de controledrang over toen en straks kan laten gaan. Nú geef ik mezelf niet meer over aan angst voor onzekerheid maar kies ik voor het leven. In het nú vind ik betekenis via contact met anderen of via het verhaal wat ik over mijzelf vertel. Alleen in het nú kan mijn leven zin hebben. Alleen in het nú kan ik iets doen. Laat ik daarom het improviseren omarmen! Improviseren mag meer aandacht krijgen. Hiermee bedoel ik niet dat ik mij niet meer voorbereid of nergens meer over op anticipeer. Hiermee bedoel ik dat je erop vertrouwt dat je kan handelen met wat nodig is in het hier en nu, ook wanneer je niet weet wat het toekomstige ‘hier en nu’ nodig gaat hebben. Het leven is vol van chaos en complexe correlaties die zichzelf niet laten uitleggen, hoe veel je ook je best doet grip te krijgen op oorzaken en gevolg. Daarom is het kiezen van de beste volgende stap in het moment het enige waar je grip op hebt. Zo raak je niet beklemt en angstig in verwachtingen over de toekomst die anders uitpakt, maar blijf je flexibel in je reactie. Je komt niet vast te zitten in overtuigingen over hoe je denkt dat ‘het zit, zat of zou moeten zijn’ in je eigen leven, in dat van een ander of ten aanzien van complexe problemen waar je mee te maken hebt. Nee, je bent open voor nieuwe informatie en trekt hier lering uit. Ineens blijk je heel veerkrachtig te zijn. In het nú is iedereen gelijkwaardig. Wat een verademing! Wat een bevrijdende veiligheid! Voor het schrijven van dit artikel heb ik inspiratie gehaald uit een aantal theoretische concepten en stromingen: - Psychoneuroimmunologie - Cynefin Framework - Gestalt Psychologie
- Emotionele Afronding
Anders? Ik kom veel cliënten tegen die aangeven dat ze het gevoel hebben dat hun brein en zenuwstelsel anders werkt dan die van de meeste andere mensen. Ze denken sneller waardoor ze denkstappen ‘overslaan’, ze denken ‘top-down’ in plaats van ‘bottum-up’, ze denken in verbanden in plaats van in feiten, ze ervaren sneller diepere emoties en weten soms niet of die van henzelf zijn of van anderen, de overprikkeling en drukte in het hoofd is overweldigend en leidt tot allerlei lichamelijke en psychische symptomen – van slapeloosheid tot verslaving en van paniekaanvallen tot apathie, levenslust en enthousiasme zijn net zo heftig als het gevoel lamgeslagen en depressief te zijn. Kortom al je ervaringen zijn een factor 10 van wat je ziet bij mensen om je heen. Vervreemding Dit kan een gevoel van vervreemding geven wanneer je deze persoonlijke ervaringen niet kunt spiegelen met anderen. Maar daar zit niet het grootste probleem. Het probleem ontstaat pas wanneer je van jongs af aan te horen kreeg dat ‘het zo niet hoort’. ‘Je bent te extreem. Je bent wel heel bijzonder. Je gaat te snel. Je overdrijft. Je moet je rustiger gedragen en zoals alle anderen kinderen.’ En zo kan ik nog wel even doorgaan. Het komt dan ook niet weinig voor dat er een of andere diagnose gegeven wordt aan dit ‘afwijkende’ gedrag. Los van het feit of zo’n diagnose klopt of niet, helpt het vaak niet. Je voelde je als kind niet gezien, gehoord en begrepen voor wie je echt bent. Dat geeft een gevoel van onrust en veroorzaakt een onbewust zoeken naar bevestiging. De cyclus van gewaarzijn Vanuit de gestalt psychologie zeggen we dat een dusdanig belangrijke ‘gestalt’ van de cliënt niet is afgemaakt. Laat mij dit toelichten aan de hand van de cyclus van gewaarzijn. Wanneer we geen bijzondere behoeften hebben ervaren we rust. Wanneer we een behoefte voelen opkomen – bijvoorbeeld dorst, dan worden we dit gewaar. Vervolgens scannen we in onze omgeving voor water, we komen in beweging, gaan over tot het opdrinken van het water door er contact mee te maken. Onze behoefte is nu bevredigd waardoor we ons weer terug kunnen trekken. We ervaren weer rust. Het werkt zo met fysieke behoeftes, maar ook met emotionele. Wanneer iemand zich niet of nauwelijks gezien heeft gevoeld in zijn manier van denken, ervaren, beslissen en contact maken terwijl dit wel essentieel voor je was, dan verban je de behoefte aan ‘gezien worden’ en ‘je mag er zijn zoals je bent’ naar je onbewuste. Zo ontstaan er allerlei niet kloppende overtuigingen over hoe ‘vreemd’ je wel niet bent. Dat wil niet zeggen dat je deze behoefte ook niet meer hebt. Het wil wel zeggen dat je ze niet meer voelt. Het mooie aan het leven is dat omdat alles vraagt afgemaakt te worden, zich steeds situaties voordoen waarin je de kans krijgt om dat wat niet is afgemaakt alsnog af te maken. Niet afmaken en destructieve patronen Bij cliënten die zich als kind niet gezien hebben gevoeld, zie ik dat ze als volwassene steeds dezelfde destructieve patronen herhalen om alsnog gezien te zullen worden. Zo passen ze hun identiteit op existentieel niveau aan en stemmen ze zich af op de verwachting van de ander, in de hoop erbij te horen of te worden gewaardeerd voor de enorme moeite die ze doen. Een ander voorbeeld is dat ze alleen maar zorgen voor mensen in hun omgeving en zichzelf verwaarlozen, in de hoop zelf gezien te worden. Of mensen trekken zich destructief terug op hun eigen eiland waar ze met man en macht aantrappen tegen iedereen die in hun ‘ogen niet deugd’, in een wanhopige poging gezien te worden. Negatieve aandacht is immers ook aandacht. Of terwijl, mensen versmelten met de ander of trekken zich terug uit het contact. Beide zorgen voor eenzaamheid en een gevoel het alleen te moeten doen. Je wordt alsnog niet gezien. Een bewuste keuze voor verbinding Bewustwording van dit patroon maakt dat je een keuze krijgt om het anders te gaan doen. Nee, dat wat vroeger was kan je niet overdoen, compenseren of inhalen. Wat wel mogelijk is, is dat je als goede ouder voor jezelf het heft in eigen handen neemt. Dat wil zeggen dat je de kansen die het leven je biedt aanpakt om af te maken wat er niet afgemaakt is. Dit doe je door in contact te brengen welke behoefte jij hebt op dit moment. Zo neem je de plek in die jou gegeven is – niet meer en niet minder – met het brein wat jouw gegeven is. Je hoeft dan niet meer te versmelten en je hoeft je ook niet meer volledig terug te trekken. Door te staan voor wie jij bent en te delen wat jij nodig hebt (los van het feit of de ander je dit kan geven of niet), geef je jezelf de kans om tot je recht te komen en kom je de ander tegen op de contactgrens. En laat de contactgrens nu de plek zijn waar je zelf echt gezien kan worden en waar je de ander echt kan zien. Daar ontstaat verbondenheid! Herkenbaar? Voor mij wel! Benieuwd hoe dit voor jou werkt? Ik wandel graag met je mee!
- Gezondheid ondanks ziekte
Merijne Hazenoot-Hoorn, Public Note, December 2021 Abstract Based on a personal story, I explain three reasons why it is important that caregivers pay attention to the life-story and search for meaning of a person with a chronic disease in the middle of his/her life, during the diagnosis and treatment process. 1) Being chronically ill can disrupt the chronology of a life-story, whereas seeing cause and effect in a life-story can give people a sense of meaning. 2) This sense of meaning can result in an experience of health, despite illness. 3) However, during the diagnosis and treatment process there may be power tension between the caregiver and the care-receiver. Giving attention to these things and what it means to be sick, can overcome this. Therefore, I also explain the possible contribution of reflexive spaces against power tension and towards the attention of the life-story and search for meaning of a person with a chronic disease in the middle of his/her life. Lessons for practice 1) More attention should be given by caregivers to the life-story and search for meaning of a person with a chronic disease in the middle of his/her life. 2) Caregivers should be more aware of potential power tension between their professional opinion and the needs of a care-receiver given his/her life-story. 3) Reflexive spaces could help to emphasize the life-story of the care-receiver and can help to reduce possible power tension. Being chronically ill has influenced my life-story I am part of the 58% of the entire Dutch population who has one or more chronic conditions. Many think that only elderly have chronic disease, but 40% of all the chronic ill people was younger than 24 in 2019 (public health and care, 2021). These chronic diseases do not necessarily cause early death, but they do have a major impact on the daily lives of these people. My life-story confirms this. When I was a 12-year-old girl, after years of searching they discovered that I had Celiac disease. From one to the other moment, my whole life changed. The doctor told me I had a chronical disease of the intestines, which can only be treated by the elimination of gluten in my diet. After a year or so, I would be healthy again and life a normal live: no further impact. So, good luck with that. I did not even know what gluten were. But ‘no further impact’ could not have been more wrong. Trying to eat healthy and delicious food without gluten was one thing, but I was not prepared for the rest. From now on I always had to bring food for myself, or give explicit instructions, felt left out, or placed in a negative center during social occasions. Not to speak about the fear to fall ill from things other people enjoyed eating. For these reasons, I only saw this disease as a ‘social matter’. My body was ‘healed’, right? However, after a few years I recognized that not all the symptoms were ever gone, I just had ignored them. Some symptoms had come back, even though the test results constantly showed that my body was ‘healed’. Slowly I dared to face the fact that I was chronically ill and that this disease was not ‘simply’ a social matter. Because even if I would deny it or describe it differently, in fact I am chronically ill. Through this I came to see how this disease had influenced many choices in my life. For instance, the influence of this disease on my psychological wellbeing: the anxiety to eat, the fear to fall ill, the urge to control and the unhealthy amount of adaptability towards my social environment because ‘I was afraid to be a burden’. But also, the enormous amount of psychological resilience, the perseverance never to give up and above all, a way of looking at life that was not quite common for adolescences; a large amount of gratitude towards small things. Physical health was not the most important thing for me, it was the search for being meaningful and being grateful despite illness. In some ways the recognition of the fact that I am chronically ill, helped me to take myself seriously. However, I do not view myself as a ‘sick’ person, because despite the physical illness I still experience health through searching and experiencing a life that feels meaningful. The importance of a chronological life-story But experiencing health through meaning is difficult when I feel as if my life-story in relation to the disease is inconsistent. All people have the necessity to tell a chronological life-story. It helps us frame the elements of our personality. Besides, seeing cause and effect through chronology, helps us to make sense of ‘disruptions’ in our life-story, like illness or distress. This helps us to re-establish consistency and meaning in life, which contributes to processing difficult experiences (Zimbardo, Johnson & McCann, 2013). Being chronically ill is an inconsistent experience, which might lead to distress My experience is inconsistent because there is no ‘end’ with this disease. I cannot construct this experience of being ill in my history; looking back at it and thinking ‘right, that was hard, and I do understand why it was hard and how it has influenced my life, lets now deal with the present’. This makes chronical illness a different experience from for instance an infection disease. It will always be there! I therefore experience not only growth, stagnation, or neglect towards the experience, but also fallback, because I must cope and adapt towards the illness depending on the time and space in my life. Often, I experience growth, fallback, and everything in between in the same moment; I want to fight, flight, and freeze at the same time. This can be very confusing. It is like grieving; it never ends, but you must learn to deal with it over and over again, depending on the kind of confrontation. This could result in personal growth, but also in distress and anxiety. Every time I think that I have peace with this disease and focus on the thing that it brought me, instead of the things that could have been, I get confronted with it in a negative way. Then I experience incomprehension, condemnation, or fear that my body will just fall sick again. Every time I think ‘now I know how to relate to it the next time’ and see “the value” of it, life offers new challenges. This sometimes makes me feel like I am back where I started. As if all my resilience is gone and I am too tired to ‘fight’ again. These changes in experience as to the disease is threatening in itself. What if my perseverance is ever used up? Can I trust on my resilience throughout all the inconsistency of life? Will I always be able to keep searching meaning despite this disease? So, an experience of being chronically ill can be very inconsistent. According to Marsman (2021) and Boyer (2021), who both suffer from cancer, it is therefore logic that this experience leads to questions of meaning, which could lead to distress. Life-story, meaning and health Therefore, it is important to give attention to the life-story of people with a chronic disease, during the diagnosis and treatment process, so it can contribute to a feeling of meaning, and therefore a feeling of health. Because even though people are chronically ill, they can still experience health if they feel they are living a meaningful life (Huber & Jung, 2015). ‘Health’ not as a biomedical state, but also an interpersonal experience towards your own life. This could be explained by the idea of Frankl (1954) that the ‘will to meaning’ is the essence of being human; we cannot life without it, because it is what drives us. Besides, meaning also contributes to psychological and biomedical (physiological) health. Early finding of a study of Ryff, Singer & Love (2004) suggest that a sense of purpose results in lower levels of pro-inflammatory cytokines, cardiovascular risk, daily salivary cortisol, and longer duration of REM sleep in ageing women. Fogelman & Canli (2015) showed a faster recovery to pre-stress baseline levels of cortisol due to purpose. And Schaefer, Boylan, Van Reekum, Lapate, Norris, Ryff & Davidson (2013) showed that ‘having purpose in life may motivate reframing stressful situations to deal with them more productively, thereby facilitating recovery from stress and trauma’. These are hopeful effects of a feeling of meaning, especially for people who are chronically ill. Attention to meaning is just as important as attention to the biomedical It is however common in regular care, to only focus on biomedical treatments. Like in my story: ‘When you do not eat gluten, you will be cured’. Even though this was biomedically true, this led to power tension (Tronto, 1993) between the biomedical advice of the caregiver, and my personal needs as care-receiver. Most of my caregivers considered good care for my biomedical condition but did not consider my life-story and search for meaning in their advice. Also, neither when I was older and started to talk about this. This led to a feeling of not being seen and understood; sometimes even the feeling that I was reduced to an irreparable machine. This is worrisome, because we (myself and many with me) are as care-receivers vulnerable and depending on the expertise of the caregiver (Tronto, 1993). With a chronic disease, the ‘machine’ cannot be repaired (Barry & Yuill, 2016). And even though I am happy the disease symptoms are treatable; it has further impact besides the biomedical. It is therefore necessary to talk about what it means to be sick , and what kind of treatment fits your life-story and search for meaning. Attention to someone’s life-story and the impact of chronic disease on the search for meaning, could therefore overcome this power tension, and even contribute to a feeling of health despite illness. Life-story as a starting point in the diagnosis and treatment process: how reflexive spaces can help Reflexive spaces ( spaces where people collectively reflected in a metacognitive way on their own actions and that of other) (Wigg, Aas & Bal, 2019) could help caregivers and care- receivers, to give more attention to these things. During my master thesis I conducted research into how caregivers contribute to quality of life, of which meaning is part, of people with dementia in the palliative phase. I think we can learn something of use from the things I discovered, for the diagnosis and treatment process of people with a chronic disease who are still in the middle of life. The caregivers in my research were very aware of the integral connection between experiencing/searching meaning in life and the biomedical condition of someone. They reached these insights with a multidisciplinary team in reflexive spaces (Wiig, Aas & Bal, 2019). The role of their own frame of reference in the care process was also reflected. It was a safe and open place where people were open to learning through feedback, through dialogue and telling stories. Because they reflected in this way, they reached together with the care-receiver (or his/her family) the most appropriate care-vision for the individual, given his/her life-story. Their shared vision became a protective factor for the possible subjective judgment of one caregiver. This was because they became aware of the possible power tension , which allowed them to influence negative effects of this. This made the life- story of the care-receiver the starting-point of the treatment. Conclusion I argued the positive results of the use of reflexive spaces towards possible power tension between the caregiver and the care-receiver. Even though the care settings of care-receivers with dementia in the palliative phase and care-receivers with a chronic disease in the middle of life, are hard to compare, both groups need attention from the caregiver towards their life- story and search for meaning. Giving attention to the life-story of people with a chronic disease, can result in a less inconsistent experience. This may lead to a greater sense of meaning through chronology. Through this sense of meaning, people can still experience health despite their physical illness. The use of reflexive spaces could be helpful to give more attention to this. It could overcome possible power tension and make the life-story and search for meaning of the care- receiver the starting-point of the treatment. “My history, present and future are all influenced by this inconsistent experience of being ill, even during moments I feel completely healthy. Even though I always strongly resisted the idea that I must identify ‘myself’ with this disease, after 12 years I can no longer deny that disease is part of my identity. The fact that this disease will always be shaping my life, is the only consistent factor in this inconsistent and insecure experience. That is why I search for meaning through my disease, so I feel like being ‘more’ than just a person with a disease that never ends.” (A.M. Hazenoot-Hoorn, 2021) References Barry, A.M. & Yuill, C. (2016). Understanding the Sociology of Health (4th edition). London, United Kingdom: SAGE. Boyer, A. (2021). Het ontsterven. Amsterdam, The Netherlands: Atlas Contact. Frankl, V.E. (1952). The Doctor and the Soul: From Psychotherapy to Logotherapy. Vienna, Austria: Franz Deuticke. Fogelman, N. & Canli, T. (2015). ‘Purpose in Life’ as a psychosocial resources in healthy aging: an examination of cortisol baseline levels and response to the Tier Social Stress Test. Aging and Mechanisms of Disease, doi: 10.1038/npjamd.2015.6. Huber, M. & Jung, H.P. (2015). Persoonsgerichte zorg is gebaat bij kennis van ziekte en van gezondheid: een nieuwe invulling van gezondheid, gebaseerd op de beleving van de patiënt: ‘Positieve Gezondheid’. Bohn Stafleu van Loghum , 31: 589-597, doi: 10.1007/s12414-015- 0072-7. Marsman, L. (2021). In mijn mand, Amsterdam, The Netherlands: Uitgeverij Pluim.Ryff, C.D., Singer, B.H. & Love, G.D. (2004). Positive Health: connecting well-being with biology. Philosopical Transactions B, 359 (1449): 1383-1389. Schaefer, S.M., Boylan, J.M., Van Reekum, C.M., Papate, R.C., Norris, C.J., Ryff, C.D. & Davidson, R.J. (2013). Purpose in Life Predicts Better Emotional Recovery from Negative Stimuli. PLOS ONE, 8 (11): e80329. Doi: 10.1371/journal.pone.0080329. Tronto, J. (1993). Moral Boundaries. New York, United States: Routledge. Volksgezondheid en zorg. (2021). Prevalentie multimorbiditeit naar aantal chronische aandoeningen. Received on September 23 2021, from: https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/chronische-aandoeningen-en- multimorbiditeit/cijfers-context/huidige-situatie#node-prevalentie-multimorbiditeit-naar- aantal-chronische-aandoeningen Wiig, S., Aase, K., & Bal, R. (2019). Reflexive Spaces: Leveraging Resilience Into Healthcare Regulation and Management. Journal Patient Safety , 0 (0), 1-4. Zimbardo, P.G., Johnson, R.L. & McCann, V. (2013). Psychologie een inleiding (7th edition). Amsterdam, The Netherlands: Pearson.
- Verantwoordelijkheid als onvermijdbaar appél
Levinas was Franse filosoof (1906-1995) die veel nadacht over hoe je de verbinding aan kon gaan met mensen om je heen en hoe je daarin wel of niet verantwoordelijkheid kon of zelfs diende te nemen. Een van zijn voorwaarden voor verantwoordelijk wil ik hier bespreken. Ik geef hieraan ook een eigen invulling. Verantwoordelijkheid heb je omdat de ander (iedereen die je tegenkomt) een appèl op je doet: je ziet het lijden van de ander, omdat je herkenning vindt in het lijden. Jouw lijden heeft zin omdat het appèl je er bewust van maakt dat je de ander kan helpen in het lijden. Het lijden is niet goed in zichzelf; het is zinloos. Daarom heeft het als enige doel om het lijden bij de ander te verminderen. Het appèl dat de ander doet is een oproep om ‘zin’ te geven aan de zinloosheid van het lijden. Mijn drang naar verbondenheid, is de diepgaande sensitiviteit voor dat appèl van de ander. Ik zie het, ik voel het, ik ervaar het; omdat ik herkenning vind, omdat het lijden van de ander mij aan mijn eigen lijden herinnerd. Wanneer je het appèl van de ander opmerkt, wordt je persoonlijk ervaren gebrokenheid groter (het overstijgt je persoonlijke lijden): je ziet dat je niet de enige bent die lijdt. Maar wanneer de appèl veroorzaker (nog) niet beantwoord aan de reactie op dat appèl; wanneer je daar niet de juiste invulling op het juiste moment in de tijd aan geeft; of wanneer je zelf het appèl van de ander afwijst, ontstaat er geen verbinding. Wanneer er geen verbinding is tussen de mensen die lijden, er kan geen ‘zin’ ontstaan uit de zinloosheid van het lijden. Hetgeen waarop geappelleerd wordt, wordt afgewezen. Een scheiding van wegen is dan een feit. Er ontstaan niet alleen geen verbinding, er ontstaat ook een scheur in de potentie van verbinding. Je maakt beiden de keus een andere kant op te gaan. De gebrokenheid wordt voelbaar onder je huid, je ademt het, je lichaam zucht en steunt, de pijn bevestigt het gevoel van wanhoop in de onoplosbaarheid van hetgeen verscheurt is wanneer er geen mogelijkheid tot verbinding is. Dan is het ook nog zo dat niet al hetgeen waarop geappelleerd wordt, opgelost kan worden. Ook wanneer je reageert op het appèl, wil dat niet zeggen dat het appèl daarmee minder wordt. Echter, aandacht voor het appèl kan helpen de pijn te verzachten van het feit dat het leven niet maakbaar is; ook dat is een bron voor verbondenheid. Het appèl is daarmee een onbewuste gerichtheid op de ander. Verbondenheid in het leed. Je wordt in relatie gesteld wanneer je iemand ontmoet. Daarom, wanneer verbondenheid wordt afgewezen, is er altijd sprake van gebrokenheid. Het ‘in relatie stellen’, impliceert immers verbinding. Je ontkomt er niet aan: het overkomt je. Dit is de meta-communicatie in de interactie met ieder die je tegenkomt. Deze geappelleerde verantwoordelijkheid is de ethische gevoeligheid voor de verbonden relatie met de ander. Want kwetsbaarheid wordt zichtbaar in het appèl. Daarin hebben de ervaringen met mijn eigen lijden zin gekregen. Ik ben niet alleen wanneer ik jou niet alleen laat in je lijden
- De Medaille van Angst
Wanneer ik aan een collega vertel dat ik al jaren strijd met angst en paniek, dan zie ik die persoon meestal schrikken. Ik voel de sfeer in de ruimte een beetje ongemakkelijk worden. Wellicht omdat anderen niet geconfronteerd willen worden met psychische problemen, of omdat ze dit niet van mij verwachten: ‘maar je komt zo energiek en fit over.’ Op dat moment vraag ik me af of ik niet te veel heb gezegd. Ik voel de onzekerheid toeslaan en m’n hart begint sneller te kloppen. Ook nu voel ik de angst. Bang voor stigmatisering, reducering of simplificering van mijn persoonlijkheid? Angst voor het idee dat ik mij in de buitenwereld anders voordoe dan ik ben, op een manier die niet strookt met hoe ik wil zijn? Het oordeel, waarvan ik bang ben dat de ander het heeft, begin ik over mezelf af te roepen: ‘je bent niet goed zoals je bent’. Ik zou ineens liever door de grond willen zakken en ik kan mezelf wel voor het hoofd slaan dat ik weer zo openhartig ben geweest. Een mislukte poging tot diepgang en verbinding!? Natuurlijk maakte ik de opmerking over deze strijd niet zomaar. In ieder geval niet met het doel een sfeer van ongemak en verbazing op te roepen. Al had ik natuurlijk kunnen voorzien dat dit het effect zou zijn. Deze opmerking was bedoeld als bevestiging van het idee dat ik een oprecht en betrouwbaar persoon ben. Dat ik doorzettingsvermogen en een levendige verbeelding heb die nuttig kan zijn op de werkvloer. Dat klinkt nogal tegenstrijdig met angst en paniek. Het gaat hier echter om twee kanten van dezelfde medaille. Ja een medaille; niet omdat ik dankbaar ben voor de angst, maar wel omdat ik steeds meer ga inzien dat ík deze positieve eigenschappen niet had gehad of ontwikkeld, wanneer ik minder gevoelig voor angst was geweest en die constante strijd niet had gevoeld. Dat inzicht heeft mijn kijk op en ervaring met gevoelens van angst – die zo intens zijn – in een heel ander daglicht gezet. Daar wil ik je wat meer over vertellen. Want ik leef nog elke dag met intense angst. Je kunt mij er echter niet meer van overtuigen dat ik psychisch ziek ben, ondanks dat ik wellicht voldoe aan de DSM-definitie van een of andere stoornis. Een gezonde ontwikkeling: integratie of desintegratie Psychologische gezonde ontwikkeling wordt veelal gezien als een staat van psychische ‘integratie’. Hiermee wordt bedoeld dat er geen innerlijke conflicten zijn. Ook externe conflicten zouden gemakkelijk overwonnen worden. Men is in staat gemakkelijk en snel beslissingen te maken en te rederneren met ‘common sense’. Een automatisch gevolg hiervan is veelal dat psychologische ‘ des integratie’ als abnormaal of zelfs als psychopathologisch wordt gezien; alles wat niet ‘common sense’ is. Angsten, paniek, totale wanhoop, depressie en heftige emotionele reacties zijn voorbeelden van zogeheten psychoneurosen die je kunt ervaren bij desintegratie. Deze psychoneurosen kunnen innerlijke conflicten teweegbrengen. Zoals de strijd tussen wat is en wat zou kunnen (idealisme); existentiële angsten en depressies (de wereld is zo gebroken, wat ik doe zal nooit verschil maken); diepe persoonlijke onzekerheid wanneer men pogingen doet om erbij te horen maar het gedrag van de groep niet altijd kan rijmen met het geweten; en het verscheurende besef dat je fouten zult blijven maken en mensen pijn zal blijven doen, ook wanneer je dat niet wilt. Enzovoort. Wanneer iemand zich ‘gedesintegreerd’ voelt, dan wordt die persoon al snel als instabiel en nerveus gezien. Aangenomen wordt dat iemand die lijdt aan een psychische ziekte over het algemeen ‘onaangepast’ gedrag vertoont. Je kunt je echter afvragen of alle psychoneurosen ook psychopathologisch zijn. Want horen de innerlijke conflicten die hier genoemd worden niet gewoon bij het mens zijn? Toch zien we in de maatschappij de uiting hiervan (angst, depressie, onzekerheid, etc.) niet altijd als ‘menselijke’ gevoelens. Behandeling focust zich op medicatie en positieve gedachten. Wat wordt hiermee gezegd? Mogen we ons wel zo voelen? Is de persuasieve verwachting van deze benadering dat we ons conformeren, dus normaal ‘integreren’? Moeten we onze ‘gedesintegreerde’ binnenwereld negeren, terwijl de gebrokenheid van de wereld ons blijft bestoken met input voor desintegratie? Beseffen we wel waar we dan voor weglopen? Ik weet hoe heftig het is om gevoelens van desintegratie te doorstaan en hoe overweldigend, beangstigend en vervreemdend de ervaring kan zijn. Hoe zwaar het leven erdoor wordt. Ja, zo erg zelfs dat het onmenselijk voelt. Ik beweer dus in geen enkel opzicht dat psychische problemen niet bestaan. Maar er zit een keerzijde aan dit verhaal. Zolang we ervan overtuigd blijven dat we gevoelens van desintegratie niet mogen ervaren, zolang we dit inderdaad bestempelen als onmenselijk, zolang we niet leren met deze gevoelens om te gaan en zo lang we bang blijven voor het oordeel of het veroordelen, komen we er ook niet achter wat het ons wellicht brengt. Desintegratie hoeft niet per definitie negatief te zijn wanneer je erachter komt dat het de deuren opent naar een andere kijk op wat het betekent om mens te zijn. Mijn desintegratie: gebrokenheid Angst is een emotie die ons alert maakt op onze omgeving. Het gevoel laat ons weten wat we met onze zintuigen nog niet bewust hebben waargenomen: er is iets waar ik voor moet oppassen. Klinkt als een prachtig mechanisme, maar wanneer dit systeem té gevoelig is afgesteld, ben je altijd op de vlucht voor jezelf. Ik heb zo’n systeem, al zo lang ik mij kan herinneren. Een van mijn eerste herinneringen is een paniekaanval. Als puber vond ik het eng om te genieten van iets, want wat als dit de laatste keer was dat ik hiervan kon genieten? Ik beschermde mijzelf door minder te genieten, omdat de angst voor het verdriet van het verlies ervan groter was. Daarnaast is mijn fantasiewereld zó groot, dat ik doemscenario’s in mijn hoofd verzin en deze ervaar als daadwerkelijke gebeurtenissen. Het is niet alleen fantasie, het is werkelijkheid. Als kind had ik geen idee hoe ik dat moest reguleren. Nu weet ik daar beter mee om te gaan. Mijn hersenen beschikken ook over onvoldoende filter om relevante en irrelevante stimuli van elkaar te onderscheiden, zowel sensorisch als emotioneel. Dat heb ik nu wel een beetje geleerd, maar wanneer ik moe ben dan breekt het zorgvuldig opgebouwde filter en overspoelt de wereld mij weer als een vloedgolf. Elke sensorische stimulus roept heftige associaties bij mij op, positief of negatief. Ook emoties zijn intens en overweldigend, zeer complex en vaak moeilijk met woorden te omschrijven. Emoties van anderen neem ik gemakkelijk over. Ik moet mij constant bewust zijn van wat míjn emoties zijn en wat die van de ander. Dit om te voorkomen dat ik volledig in die ander opga en er niets van mij overblijft, met depersonalisatie tot gevolg. Nu weet ik dat ik zo in elkaar zit maar zoals iedereen ben ik niet met een gebruiksaanwijzing geboren. Met vallen en opstaan heeft het leven dat aan mij kenbaar gemaakt: van als zombie door het leven gaan (liever niets meer voelen dan teveel voelen) tot totaal weggespoeld worden door emoties en associaties (omdat niets voelen ook geen vreugde voelen betekent). Ik voelde me hierin alleen. Was ik de enige die zich zo gedesintegreerd voelde? Vervreemd van mezelf en van de wereld? Constante angst was daarom een feit. Existentiële angst. Perfectionistische angst. Angst om niet genoeg te doen, terwijl er zoveel lijden is. Angst om telkens opnieuw tekort te schieten en anderen pijn te doen. Op momenten waarop deze gedachten het heftigst waren, maakte zich intense paniek van mij meester. Mijn lichaam nam het over en liet aan mij merken dat ik te lang mijn binnenwereld had genegeerd: ‘nu uit je wat je echt voelt.’ Mijn angst voor de angst wakkerde hierdoor ook aan. Ik voelde me achtervolgd en mijn hele lijf deed pijn. Er waren tijden dat ik tot niets kwam. Al mijn creativiteit en levenslust waren toen verdwenen. Mijn positieve desintegratie: van gebrokenheid naar kracht Wanneer ik aan psychologen, coaches, huisartsen of weet ik het wie vertelde dat ik hier al 23 jaar mee worstelde (mijn leeftijd op dat moment), dan namen ze dat met een korrel zout. Ze keken alleen naar wat ik uitte: paniek en lichamelijke klachten. Er moest een externe oorzaak zijn voor mij ‘abnormale reacties op’, volgens professionals ‘normale dingen’ van het leven. Dat ik al van kleins af aan hier last van had zonder externe oorzaak, dat was niet plausibel. Een lichamelijke oorsprong van het probleem – de manier waarop ik geprogrammeerd ben – dat kon niet bestaan. Dus kreeg ik zeer ongenuanceerd te horen: ‘het zit tussen je oren, ‘je moet je laten testen’, ‘het is je religieuze opvoeding’, ‘waarom neem je de wereld dan ook op je schouders’, ‘stel je gewoon niet zo aan’, ‘je moet het maar gewoon naast je neerleggen en afleiding zoeken’. Of anders gezegd: ik mocht dit dus niet voelen? Maar ik voelde het wel. Wat ik ook deed, welk stappenplan, welke ademhalings-, of positieve gedachteoefening of leefstijlritme ik ook volgde. Ik voelde het. Langzaam maar zeker raakte ik ervan overtuigd dat er iets grondig mis met mij was. Alleen al van die gedachte raakte ik buitengewoon in paniek, want onbewust wist ik dat het niet klopte. Toch schreeuwde ik tegen mezelf dat ik ‘normaal’ moest doen en me ‘niet zo moest aanstellen’! Ik voelde me zo in en in bezwaard en tot last van de mensen om me heen. Ik mocht niet meer zo zijn, ik was verkeerd, ik moest anders worden. Al mijn intensiteiten waren verkeerd. Ik begon me erg onveilig te voelen bij mezelf, in de steek gelaten door mezelf. Dat kon toch niet goed zijn? Ik besefte diep van binnen dat geen enkel label (waarvan ik had voorkomen dat ik die had gekregen van de specialisten) zou verklaren waarom ik voelde wat ik voelde. Of kon verklaren wie ik ben. Die labels kunnen immers mijn essentie niet erkennen. Of, als ze dat wel kunnen, dan zouden ze haar alleen negatief bestempelen. Vanuit dat gevoel van radeloze eenzaamheid in mezelf en bij mezelf, besloot ik dat ik mijn eigen therapeut ging worden. Als we de schoonheid van de sterren alleen zien omdat de hemel donker is, dan zou de oorsprong van mijn innerlijke strijd ook een positieve kant moeten hebben. Een tegenhanger die de balans terugbrengt. Vanuit dat idee besloot ik bij mezelf in therapie te gaan, met in het achterhoofd de overtuiging dat ik ‘veerkracht’ bezat. Ik liep hier immers al 23 jaar mee rond. Ik begon aandacht te hebben voor het feit dat ik met verbeeldingskracht niet alleen doemscenario’s, maar ook luchtkastelen kon bouwen. Een eigenschap die ik zo ‘vanzelfsprekend’ of negatief had gevonden, dat ik hem al die jaren was vergeten te waarderen. Zo kon ik dat doen met alle intensiteiten waar ik mee worstelde: hen benaderen als kracht. Ik kwam in aanraking met Dabrowski en zijn theorie van positieve desintegratie en er ging een wereld voor mij open. Er ontstond een totaal andere kijk op mijn innerlijke strijd, mijn intensiteiten en de struggle met mijn complexe binnenwereld. Het raakte mij dat hij psychoneurosen niet automatisch definieerde als psychopathologisch. Hij zei dat men ook moet kijken naar de mogelijk oorsprong van deze neurosen in de manier waarop iemand ‘geprogrammeerd’ is. Hoe diverser en intenser de intensiteiten of overprikkelbaarheden , hoe gevoeliger voor desintegratie en psychische problemen. Echter, juist die intensiteiten bevatten ook enorm veel ontwikkelingspotentieel voor leven vanuit compassie en verbinding met de ander. Was dit een verklaring voor zowel mijn strijd als de veerkracht? Waren deze intensiteiten (het zit ín mij) de oorsprong voor mijn gevoeligheid voor angst? Een paradigmaverschuiving vond plaats. Positieve desintegratie Desintegratie is het niet meer integreren van je psyche, of het uiteenvallen van je binnenwereld. Het is een pijnlijk proces maar behelst ook de potentie voor een herstructurering van je binnenwereld op een altruïstische manier. Een grote aanwezigheid van emotionele overprikkelbaarheden kan leiden tot desintegratie, angst en intens verdriet over de gebrokenheid die je ervaart en waarneemt bij de mensen om je heen. Juist deze overprikkelbaarheden kunnen leiden tot positieve desintegratie. Logisch ook, want is het niet juist de doorleefde, doorvoelde en doordachte angst die maakt dat je compassievol de wereld kan benaderen? Omdat je ziet dat je niet de enige bent die dit ervaart, maar dat angst een menselijke emotie is? Is het niet juist het verdriet over gebrokenheid dat maakt dat je jezelf onophoudelijk wilt inzetten voor het welzijn van de ander? Zijn het niet juist de vragen, de twijfels en onzekerheden over wat de zin is van je leven, die maken dat je blijft zoeken naar een antwoord en dat je je nergens bij neerlegt? En is het niet juist de herkenning die je ziet in het lijden van anderen, die maakt dat je helpen wil? Innerlijke conflicten kunnen daarom ook leiden tot een nieuwe mentale ordening waarin zelfreflectie, autonomie, zelfkennis en een diepe waardenhiërarchie – die altruïstisch gefundeerd is – de drijfveren zijn. Het oordeel, of de ‘integratie’ die de samenleving blijkbaar zo belangrijk vindt, doet er dan niet meer toe. Je zoekt naar het goede en je wilt van daaruit leven; met vallen en opstaan. Wetende waar je kracht en je zwakheid zit. Dabrowski omschrijft dit als positieve onaangepastheid: een positief effect teweegbrengen door tegen de groep in te gaan. Immers, daar waar de samenleving psychische integratie van mij verwacht, ervaar ik een waardevolle ontwikkeling door de pijn van desintegratie heen. Wanneer wij niet meer durven spreken over onze gevoelens van desintegratie uit angst voor stigmatisering kan de maatschappelijk wenselijke psychische integratie depersonalisatie in de hand werken. We staan er dan helemaal alleen voor. Deze maatschappelijk wenselijke vorm van aangepastheid verliest de oprechte aandacht voor het individu en maakt dat we belemmerd worden in het aangaan van diepe verbindingen met elkaar, omdat de pijn van de ander dan onzichtbaar blijft. Transcendente paniek Dabrowski’s kijk op het innerlijke conflict en psychoneurosen heeft mij geleerd wat ik diep van binnen allang wist, maar niet durfde te erkennen: dat ik meer ben dan mijn psychoneurosen. Ik kon beide kanten van de medaille ontdekken. Angst versus compassie; wanhoop versus de zoektocht naar diepe verbondenheid; overprikkeling versus intens genieten; verdriet versus begrip voor de ander; en zo kan ik nog wel even doorgaan. Maar dat niet alleen. Ook de angst en paniek zelf ben ik anders gaan ervaren, nu ik het idee van maatschappelijke integratie los durf te laten. De angst is minder bedreigend en vervreemdend. Hoe overweldigend en verscheurend het nog steeds kan zijn, tijdens een paniekaanval ervaar ik ook een moment van diepe, persoonlijke reflectie. Ik kan mijn geweten dieper in de ogen kijken zonder verzwolgen te worden door een gevoel van eindeloos falen en ‘niet (goed) genoeg zijn’. Het is diepe reflectie omdat de informatie waarop ik reflecteer tijdens een paniekaanval uit mijn onbewuste komt. Ik lijk toegang te hebben tot informatie over mezelf die ik via de ratio niet kan bereiken. Ik leer nog beter in te zien wat er onder het oppervlak schuilgaat. Een ontmoeting met een andere kant in mezelf, met God, met dat wat de mens overstijgt. Is dit iets universeels? Voor mij is een paniekaanval nu een signaal vanuit mijn lichaam dat ik serieus neem en niet meer negeer: ik moet aan zelfonderzoek gaan doen. Ik leer mezelf zo beter kennen. Angst laat mij inzien welke kanten van mezelf niet leuk zijn en wat ik moet bijschaven om een beter mens te worden. Angst helpt me begrijpen waarom ik mij op bepaalde plekken veilig of onveilig voel. Ik ontdek hoe mijn emoties werken en hoe ik kan omgaan met de intens overweldigende wereld. Alsof de angst nodig is om rust te vinden. De functie van mijn angst is nu anders geworden en mijn perceptie ten aanzien van mijn angstige zelf heeft een totale metamorfose ondergaan. Omdat ik nu begrijp waarom ik gevoelig ben voor angst: angst is een expressieve uiting van mijn binnenwereld. Een spiegel die mij focust op wat er écht toe doet in het leven. Soms juist door te laten zien waar het niet goed gaat, waar ik fouten maak. Door al het falen en alle teleurstellingen heen wil ik me niet langer laten leiden door wat anderen van mij denken, of hoe de samenleving mij het liefst psychologisch ziet integreren. Ik wil me laten leiden door zelfbegrip en een pure, oprechte levenshouding die gericht is op de ander zonder verloochening van mijn eigen talenten en tekortkomingen. Ik merk dat er een andere vorm van integratie ontstaat. Integratie en acceptatie van mijn eigen emoties en respect en mildheid naar mijn omgeving, in plaats van voldoen aan de verwachtingen van wat als maatschappelijk geïntegreerd wordt gedefinieerd. Ik ben liever positief onaangepast, dan maatschappelijk geïntegreerd. Hoeveel scheve gezichten dat ook zal opleveren. De inzichten die het doorleven, doorvoelen en doordenken van angst mij hebben gegeven en nog steeds geven, kan ik nu met anderen delen. Angst kan nu ook een vorm van reflexieve inspiratie zijn. Kortom: wanneer je onderzoekt wat er onder de angst schuilgaat, is angst geen slechte raadgever.
- Bestaansrecht
Meerlagige ontwikkeling vanuit de gestaltpsychologie en de theorie van positieve desintegratie. Een persoonlijke reflectie over hoe je in contact met de ander jezelf leert kennen en de ander echt ontmoet vanuit authenticiteit. Verdwijnen in de groep Op het moment dat ik de groep instapte, voelde in de grond onder mijn voeten wegzakken. Het was alsof ik overspoeld werd door de aanwezigheid van ieders gevoelens en emoties. Alles in mij begon te trillen. Met wijd opengesperde ogen zocht ik een plekje in de ruimte. Het liefst aan de rand, waar ik de mogelijkheid had om te vluchten. Mijn hoofd draaide op volle toeren en dacht over elke beweging na. Ik hoorde mezelf praten, maar voelde mij niet in mijn lichaam aanwezig. Buitengewoon bewust werd ik van alles wat ik deed, terwijl ik in geen enkel opzicht het gevoel had mijn gedrag te kunnen beïnvloeden. Het was alsof ik geleefd werd door de groep. Mijn volledige identiteit was erin opgegaan. Van binnen voelde ik mij in stukjes uiteengevallen. Gefragmenteerd en losgeslagen. Alsof ik was verdwenen. De pijn die ik hierdoor voelde, werd ik pas achteraf gewaar. Mijn eigen ervaringen in de groep waren naar de achtergrond van mijn veld [1] verdwenen. Zo ver weggedrukt, dat ik ze zelfs met de grootst mogelijke wilskracht niet kon bereiken. Toen ik weer alleen was, kwam alles naar voren: elk detail, elk gesprek, iedere emotie, alles wat ik had beleefd. Ik ervoer het nu pas. Mezelf kennende wist ik dat het nog dagen zou duren voordat ik alle onervaren ervaringen ervaren zou hebben. Voordat ik alles wat ik niet had kunnen afmaken in het gezelschap, weer tot rust zou kunnen brengen. Bewustzijn als basis voor contact We hebben bewustzijn nodig om contact te maken met onze ervaring in relatie tot onze omgeving in het hier en nu. Van daaruit kunnen we ons gedrag beïnvloeden. Immers, wanneer we ons niet bewust zijn van ons gedrag, kunnen we ook niet kiezen voor ander – constructiever – gedrag. Door het inzetten van onze creativiteit, kunnen we ons vervolgens constructief aanpassen aan een veranderende omgeving. Hierdoor houden we regie over ons leven. Omdat ik mij niet bewust was van mijzelf en wat ik nodig had, verloor ik de mogelijkheid om mijn creativiteit in te zetten zodat ik mij constructief kon aanpassen. Automatisch zette ik alle deuren en ramen van mijn binnenwereld open voor wat de ander en de groep uitzond. In een helikopter zweefde ik boven mijn eigen aanwezigheid. Alsof mijn ziel uit mijn lichaam was getreden. Tot in elk detail zag ik mijzelf handelen in de groep, maar ik werd mij niet gewaar van wat ik zelf ervoer. In plaats daarvan was ik gedesintegreerd met mijn ervaring. Echt contact werd onmogelijk, omdat ik uiteen was gevallen en mij gebroken voelde. Mijn hart huilde! Ik voelde het niet. Er was enkel nog chaos en totale overweldiging in mijn veld. Automatisch aanpassen Zonder creativiteit was ik niet in staat om ander gedrag te kiezen dan ik altijd al deed. Afstemmen, afmeten, inpassen, aanpassen en overgeven. In alles voelde ik mij verantwoordelijk voor het wel en wee van mijn omgeving. Eigen behoeften werden mij vaag. Voor mezelf zorgen kon ik niet meer. Had ik honger of dorst? Was ik moe of overprikkeld? Wilde ik nabijheid of afstand? Ik had werkelijk geen idee. Mijn grenzen werden fluïde waardoor ik niet in de gaten had dat ik ze overschreed. Mijn persoonlijk evenwicht kon ik niet handhaven, want in de groep was ik gedesintegreerd. Het leek zo mooi om op de ander gericht te zijn. Empathie is een talent, toch? Maar in werkelijkheid bevond ik me in een poppenkast. Ik was niet bewust een rolletje aan het spelen waarvan ik wist dat dit goed in de smaak zou vallen, maar bracht mijn werkelijke zelf niet in de groep. Onbewust deed ik wel alsof. Daar kwam nog bij dat ik mezelf eigenaar maakte van de problemen van anderen. Zoveel verantwoordelijkheid als ik voelde voor het welzijn van de ander, zo weinig aandacht had ik voor mezelf. Hiermee drukte ik de ander paternalistisch in de rol van de ‘onvermogende zielige’ en ontnam ik mijzelf de stevige grond om op te staan. De oorsprong van automatisme Blijkbaar was het ooit nodig geweest om mijzelf onzichtbaar te maken door mij volledig op de ander te richten. Dit had alles te maken met de verdraaide perceptie op mijn bestaansrecht. Al jong nam ik de overtuiging aan dat ik er alleen bij hoorde wanneer ik mijzelf op zou laten gaan in de behoeften van de ander. Alsof ik mijzelf op die manier een legitieme reden gaf om aanwezig te mogen zijn. Dan pas voelde ik ‘toegevoegde waarde’. Zo ontleende ik mijn bestaansrecht, mijn volledige identiteit, aan het wel en wee van mijn omgeving. En ik werd erom geprezen… Daar kwam nog bij dat ik al jong het gevoel had dat alle andere mensen als vanzelf verbinding maken met elkaar. Alle aanwezigen lijken elkaar te kunnen vinden op een bepaalde frequentie. Ze spiegelen elkaar en vinden herkenning. Alsof ze een taal spreken die ik alleen kan beheersen door mijn moedertaal teniet te doen. In een groep vind ik geen herkenning, slechts verwarring en ontwrichting. Doordat ik intense overprikkelbaarheden heb, leek eenzaamheid lange tijd onvermijdelijk. Ik kende de kracht van deze talenten toen nog niet, en voelde mezelf door de verwarring hierover gek en vreemd, alsof er iets grondig mis met mij was. Ik had het gevoel dat ik met mijn gedachten en gevoelens de ander altijd tot last was. Schaamde mij voor wie ik was – voor alles wat ik voelde, ervaarde en dacht. Schuld was een emotie die mij leegzoog – gegrond in het idee nooit goed genoeg te kunnen zijn voor de ander. Mijn aanpassingsvermogen schoot altijd te kort. Toch leek aanpassen de enige manier om ergens bij te horen. Door mijzelf in stukken te knippen en mijn echte ervaring, gedachten en gevoelens naar de achtergrond te verbannen, werd ik deel van de groep. Een mechanisme om te overleven. Desintegreren van mijzelf was een tactiek om integratie met anderen te behouden. Maar die integratie bleek schijn te zijn, waardoor ik nog meer uit elkaar viel. Bestaanswil vind je in contact met je omgeving Wat ik toen niet wist, is dat we als mens bestaansrecht ontlenen aan onze omgeving. We zijn niets zonder de ander. In contact met onze omgeving vinden we zin en betekenis, ontdekken we onszelf en kunnen we tot bloei komen. In contact vinden we de wil om te bestaan. Echter, door mijzelf – mijn volledige zelf – uit de formule tot contact te filteren, werd ik geen onderdeel van het resultaat. Dus vond ik geen betekenis, geen reden om te leven, geen bestaansrecht. Echt contact kon niet ontstaan omdat ik de contactgrens uit de weg ging. Vervolgens fragmenteerde ik mijzelf, omdat ik er diep van binnen van overtuigd was dat ik helemaal geen bestaansrecht had. Dat ik helemaal niet echt zou mogen verbinden met anderen. Gevoed door de angst voor afwijzing, bleef ik de contactgrens ontwijken en bleef ik mijn eigen overtuiging bevestigen. Terwijl ik smachtte naar verbinding, vond ik eenzaamheid. De verscheurdheid die ik hierdoor voelde veroorzaakte zielenpijn die mijn onbewuste handelen voortdreef. Dit ondoorgrondelijk existentieel verdriet, bepaalde mijn gedrag. Dit ‘gifted-trauma’ [2] hield ik zelf in stand. De wil om te leven De wil om te leven is een fundamentele oerkracht, alles in ons fysieke systeem is gebouwd om te overleven. Het liefst willen we, met creatief aanpassingsvermogen, op een gezonde manier integreren met onze omgeving. Zo komen we tot bloei. De zielsdiepe overtuiging dat ik geen bestaansrecht had, kon dankzij deze levenswil mij er niet van weerhouden om toch bestaansrecht te claimen. Onbewust zocht ik naar eenheid in mijzelf. De gestalt [3] van mijn identiteit vroeg om vorming, ze wilde worden afgemaakt – heel worden. Ik wilde niet gefragmenteerd achterblijven, ik wilde heel worden. Vanuit levenswil maakte desintegratie plaats voor een nieuwe vorm van integratie. Bestaansrecht claimen is bestaansrecht geven Het leven bracht mij een geschenk: moederschap! Deze nieuwe ervaring veroorzaakte een onverwachte herstructurering van mijn chaotische veld van verdriet en zette aan tot integratie in meerlagige vorm. Mijn zwangerschap was een lange, strijdende weg van desintegratie geweest. Maar toen onze dochter geboren was, ging er een knop bij mij om. Ik realiseerde mij dat ik haar in geen enkel opzicht wilde laten geloven dat ik alleen van haar zou houden als ze als ieder ander zou zijn. Waarom gaf ik haar dan dit voorbeeld? In de eerste maanden van haar leven voelde ik een groeiend zelfvertrouwen over mijn eigen identiteit. Maar toch werd ik nog regelmatig in het zwarte gat van zelfondermijning en zelfsabotage gezogen. Wanneer ik hier zelf nog niet bewust van was, had mijn dochter dit wel al in de gaten. Je kind spiegelt immers alles, zeker in het begin als baby en moeder nog volledig één zijn. Haar basale gedrag liet zien hoe beangstigend het is als je niet mag zijn wie je bent. Als ik mezelf dat niet toestond, werd niet alleen mijn basis wankel en onzeker, maar ook die van haar: ze overstrekte haar lijfje op het moment dat ik weggleed in twijfel over mijn bestaansrecht. Ze begon te kreunen wanneer ik mijn best deed om deze ‘vergissing’ van mijn identiteit op te heffen door mij aan te passen. Ze begon wild om zich heen te slaan toen ik mijzelf weer in stukken uiteen liet vallen. Alsof ze zocht naar houvast, maar dit niet bij mij kon vinden. Moederziel alleen bleef ze achter. Alles in haar zijn protesteerde. Ze wilde leven in plaats van overleven! Mijn dochter claimde het bestaansrecht wat ik mijzelf niet gunde. Mijn intuïtieve reactie was om nog meer te focussen op het welzijn van mijn kind: ik zag haar onrust en begon haar krampachtig te sussen. Haar verdriet deed me pijn en opnieuw voelde ik me uiteenvallen, tekortschieten, verzanden in schuld en schaamte. Dat was precies niet wat ze nodig had! Ze wilde de stevige basis van haar mama, zodat ze zich staande kon houden in de voor haar nog overweldigende en ongekaderde wereld. Ik zou haar ankerpunt moeten zijn, maar ik was verdwenen. Op het moment dat ik mijzelf verloor, verloor zij haar veilige haven. Dit besef ging bij mij door merg en been. Het is pijnlijk confronterend hoe zij lijdt onder mijn gebrek aan zelfcompassie. Het voelt onvergeeflijk dat dit haar voorbeeld is. De pure, ongeschonden en eerlijke aanwezigheid van mijn babydochter bracht mij meer levenswijsheid dan welke eerdere ervaring ook. Ze eiste van mij dat ik eindelijk mijn authentieke identiteit zou aannemen. Alleen dan is ze immers verzekerd van veiligheid en geborgenheid. Ik besefte ten diepste dat ik het vanaf nu anders wilde doen. Zij had mijn positieve onaangepastheid en authenticiteit nodig om stevigheid te ervaren. Daarmee gaf ze mij een groots cadeau. Haar ‘zijn’ deed mij beseffen dat ik ook mocht ‘zijn’. Daarmee geef ik háár bestaansrecht. Keer op keer zie ik haar ontspannen wanneer ik mijn stevige basis hervind. Dan zoekt ze mijn blik en lacht! Nieuwe gestaltformatie Nooit had ik voorzien dat deze nieuwe rol als moeder mij niet verder fragmenteerde, maar juist heel maakte. Toch voelde dit effect ondanks haar onvoorspelbaarheid onvermijdelijk. Het moest gebeuren. Vanuit dit bewustzijn ontstond een nieuwe gestaltformatie [4] waarin ik mijzelf in haar volledigheid opnam. Alle losse fragmenten van gedesintegreerde identiteit kwamen samen om zich tot een nieuw en mooier geheel te komen. Om één te worden. Ik hoefde niks te worden om te mogen zijn. Toen ik werd wie ik ben, losten mijn problemen zich vanzelf op. Angst, depressie, en dwang verdwenen bijna geheel als sneeuw voor de zon. Door dichter bij mijzelf te komen, bij mijn behoeften en mijn creatieve mogelijkheden, hoefde ik me niet meer aan te passen, maar veranderde ik op natuurlijke wijze mee met mijn omgeving. Ik kon bewust kiezen welke elementen van mijzelf ik wanneer wilde gebruiken en hoe ik mijn overprikkelbaarheden in kon zetten. Eindelijk kon ik ervaren wat georganiseerde meerlagige desintegratie (level 4) inhoudt. Een welkome rust na de fragmentatie en een uitnodigende voorbode voor integratie vanuit verbonden autonomie: secondaire integratie . Het was een eerste stap in het herstellen van de verbinding tussen mijzelf en mijn omgeving. Voor het eerst in mijn leven voelde ik mij bewust heel en stevig, in plaats van gefragmenteerd, gebroken en verscheurd. Nu kon ik een stevige moeder zijn voor mijn kind. Verbinding aangaan met anderen zonder verloren te gaan. Langzaam werd de groep minder bedreigend. Het causale effect Door vanuit heelheid de contactgrens tussen mijzelf en de ander op te zoeken, maak ik alle kanten van mijzelf openbaar. Doodeng vind ik het. Toch voelt dit nu minder bedreigend dan mijzelf in stukken snijden. Ik realiseer mij dat afwijzing van anderen minder erg is dan afwijzing van mijzelf. Door mijzelf als geheel te zien en als geheel te gebruiken, ervaar ik regie over mijn eigen leven. De overprikkelbaarheden overspoelen mij niet langer, ik kan ze gericht inzetten. Hierdoor ontmoet ik – tegen al mijn verwachtingen in – de échte ander en ontstaat er échte verbinding. Nu geef ik mezelf eindelijk het bestaansrecht waarvan ik dacht dat ik het moest verdienen. En wat blijkt: het verschil in frequentie tussen mij en de ander is veel minder belangrijk dan ik dacht. Sterker nog, om te kunnen verbinden moeten er verschillen zijn. Zonder verschil, hoeft er immers niets meer verbonden te worden. Als ik het andere van de ander echt wil ontmoeten, moet ik mijzelf zijn. Daarom ben ik nu bereid om in contact met de ander mijn hele ‘zijn’ in de strijd te gooien, ongeacht de consequenties. Juist die onzekerheid doet me leven! Notes en Bronnen [1] Het concept ‘veld’ komt uit de veldtheorie. Deze theorie gaat ervan uit dat al onze ervaringen plaatsvinden in een dynamisch geheel van zaken die in het heden betrokken zijn bij de interactie tussen onszelf en onze omgeving. Denk aan fysieke zaken die we zintuigelijk waarnemen. Innerlijke gewaarwordingen. Emotionele zaken die we opmerken in de interactie. Herinneringen die we meedragen of zaken die onderworpen zijn aan de toekomst. Met al deze zaken kunnen we in het nu geconfronteerd worden. Ons gedrag wordt door ons ‘veld’ beïnvloed omdat ons referentiekader erdoor gevormd wordt. We kunnen onszelf daarom nooit los zien van onze omgeving: ‘ik en mijn omgeving komen samen in het veld’. Bronnen: Daan van Praag, 1998; Georges Wollants, 1998; Bouwkamp, Bijzet en Van der Laan, 2020) [2] Gifted-trauma is het trauma wat hoogbegaafden ervaren vanwege het grote verschil in hun manier van denken en 98% van de rest van de bevolking. Zeker wanneer dit leidt tot afwijzing, onbegrip, buitensluiting en eenzaamheid. De mentale complexiteit en vaak emotionele intensiteit van hoogbegaafden brengt veel vragen met zich mee over het ‘waarom’ van het trauma. Dit existentiële trauma vanuit hun manier van zijn, kan niet op dezelfde manier begrepen worden als situationeel trauma. Geinspireerd door intergifted.com [3] Gestalt betekend letterlijk ‘figuur’. Wanneer we spreken over een gestalt in de psychologie, dan heeft dit betrekking op een psychologisch afgemaakt geheel of een psychologische eenheid. In het nu heeft dit een bepaalde vorm (figuur). Maar een gestalt is ook altijd aan een dynamisch proces onderhevig. De huidige vorm kan veranderen gezien de omstandigheden. Wanneer we dit betrekken op onze ‘identiteit’, dan begrijpen we dat we in het nu een bepaalde identiteit hebben welke niet vaststaand is voor de toekomst. Onze identiteit streeft naar ontwikkeling, heelheid en vorming – tot zij – zoals Dabrowski het noemt – een persoonlijkheid wordt. Bronnen: Daan van Praag, 1998; Georges Wollants, 1998; Bouwkamp, Bijzet en Van der Laan, 2020) [4] Gestaltformatie is het proces van het (her)vormen van een gestalt. We raken los van de gestalt in het verleden, komen in een staat van ontwrichting (of desintegratie zoals Dąbrowski dit beschrijft) en vormen vanuit daar een nieuwe gestalt. Bronnen: Daan van Praag, 1998; Georges Wollants, 1998; Bouwkamp, Bijzet en Van der Laan, 2020)
- Idealistische Impact
Teleurstelling is inherent aan een idealistische tunnelvisie Wanneer ik bij mijzelf naar binnen keer, kom ik keer op keer een idealistische zoektocht naar het ‘goede’ tegen. Veel van wat ik doe wordt naast de ‘lat van een moreel ideaal’ gelegd. Het liefst wil ik verbinden op zielsniveau, conflicten de wereld uit helpen, klimaatverandering tegengaan, rechtvaardige verdeling van goederen en diensten bevorderen, een goede vriendin, vrouw en moeder zijn. En dat op een rechtvaardige, eerlijke, niet -vrijheid of -gelijkheid beperkende manier. Deze lat lag lang hoog. Te hoog. Onrealistisch en onmenselijk hoog. Ik creëerde met mijn zoektocht naar vrije rechtvaardige gelijkheid ongezonde druk op mezelf. Mijn gezondheid leed eronder waardoor ik zelf het levende voorbeeld was van de wanhopige gebrokenheid die ik tegenkom in de zoektocht naar het ‘goede’. Ik voelde aan alles dat ik iets van mijzelf verwachte wat ik niet waar kan maken omdat ik er helemaal geen invloed op heb. Die verwachting lekte energie. Veel energie. Mijn invloed is immers beperkt. Maar die constatering frustreerde me dusdanig dat ik er liever bij vandaan bleef. Harder en harder zag ik mezelf werken. Met de lineair groeiende onmogelijke verwachtingsdruk nam mijn uitputting exponentieel toe. Daar komt bij dat goede en mooie dingen bereiken veel moeilijker is dan slechte dingen veroorzaken. Hiermee doel ik niet alleen op bewuste vernieling of sabotage. Ik doel ook op het feit dat ik de plank zomaar mis kan slaan, waardoor het beetje impact dat ik heb op een zorgvuldig opgebouwd kaartenhuis van schoonheid, gemakkelijk omvergeworpen wordt. Deze angst verlamde me en maakte dat ik stil kwam te staan in het harde werken. Deze idealistische vorm van stagflatie die maakte dat ik een afwachtende houding aannam en stiekem hoopte dat iemand anders het initiatief zou nemen. Met impact-loze druk die angstig doet verstarren, worden wereldproblemen niet opgelost. Had het dan wel zin om er überhaupt moeite voor te doen? Of kon ik net zo goed YOLO alleen aan mijn eigen natje en droogje gaan denken? Die gedachte maakte me machteloos en gaf me het gevoel dat ik niks toevoeg en dat ik overbodig ben. Mijn idealisme sloeg telkens stuk op teleurstelling. Discrepanties zuigen – ik ben niet heel gebleven In wanhopig idealisme schuilt een risico op verstarring wanneer ik denk dat ik iets moet doen wat ik niet kan. Idealistisch geblaat wordt dan een schijnvertoning geframed in nobelheid. Het idealistisch geblaat is een angstige vlucht voor het maken van persoonlijke impact. In deze ongebalanceerde vorm van idealisme en moedeloosheid zag ik een discrepantie tussen energie en uitputting, wilskracht en moedeloosheid, gejaagdheid en depressie. Zolang ik bleef bewegen tussen deze ongebalanceerde vorm van idealisme en moedeloosheid, zoog deze discrepantie mij leeg. Ik bewoog tussen uitersten die elkaar tegen bleven spreken. De wil om iets te doen aan wereldproblemen hield mij in beweging. Die beweging putte mij uit omdat ik geen effect zag. Ik miste de dialectiek tussen deze uitersten. Beide uitersten ontnamen mij het genieten in het moment, het zicht op de mooie dingen van het leven en de schoonheid in de kleine dingen. Impact die ik wel had (bijvoorbeeld in mijn relatie of richting mijn kind) viel mij niet op en ik belande in een tunnel van machteloze woede. Vooral woede op mijzelf vanwege mijn ‘tergende nutteloosheid’. Ik strookte niet met het idealistische beeld wat ik van mijzelf had en ook niet met het effect wat mijn aanwezigheid zou moeten hebben. Ik was ook boos op de mensheid, omdat we niet in staat lijken te zijn samen te werken en elkaar uiteindelijk altijd om zeep helpen. Maar idealisme is toch heel nobel? Jezelf opofferen voor het grote geheel is toch een goede zaak? Ja, Ik kreeg lovende reacties: ‘het siert je’. Wat me echter opviel is dat ik het allemaal alleen dacht te moeten doen. Wederom was ik hierin het levende voorbeeld van gebroken idealisme – hoeveel ik ook zocht naar het ‘goede’. In relatie tot anderen krijgen we immers betekenis, dus alleen kan ik niemand zijn en niks bereiken. We hebben elkaar nodig. Toch zette ik mezelf apart en klaagde ik vervolgens over gevoelens van eenzaamheid en onbegrip. Niks niet nobel – ik creëerde mijn eigen probleem en hield het zelf in stand. Dit probleem hield in dat ik in een staat van eenzaamheid en ongelijkwaardigheid belande vanwege de hoge idealistische lat. Ik vond mezelf niks, terwijl ik tegelijkertijd het onmenselijke van mezelf verwachte. Ik hield mezelf klein, terwijl ik wel verwachte dat ik alle wereldproblemen op zou lossen. Met te weinig van mijzelf wilde ik te veel bereiken. Terwijl de ander gewoon z’n dingetje mocht blijven doen. De constatering van deze discrepantie legde bloot dat het ergens in mij schuurde. Ik voerde een strijd in mijzelf over verschillende waarden en uitingen hiervan die ik nog niet met elkaar had verenigd omdat ik nog te veel bezig was met ‘voldoen aan verwachtingen’. Het ging over waarden als rechtvaardigheid, vrijheid, gelijkheid, eerlijkheid en hoe dit zich verhoudt tot wie ik ben en wie jij ben? Wie ik mag zijn in relatie tot de jou en hoe jij dan vorm krijgt? Hoe ik ervoor zorg dat ik jou zie zonder mijzelf te verliezen? Wat mijn individuele verhouding is tot het collectief? Wat ik kan en wat ik niet kan? Wat mijn grens is en wat mijn streven? Waar ik vrijheid nodig heb en hoe ik daarmee bijdraag aan veiligheid? Hoe ik jou tegenkom wanneer ik gewoon ik ben? Het energielek wat voorkwam uit de discrepanties in mijn innerlijke strijd, lieten zien dat ik nog gefragmenteerd was vanbinnen. Ik liet mijzelf niet heel, maar bepaalde mijn richting op basis van oordeel over wat ik deed en liet, over wie ik ben en wie ik mocht zijn. Ik had zoveel zelfverwijt en afwijzing over de persoonlijke impact die mij in potentie gegeven is, dat ik het niet gebruikte. Ik rommelde maar wat aan en noemde het ‘idealisme’. Het gebrek aan zelfacceptatie en het gebrek aan durf om de grond in te nemen die mij gegeven is, maakte dat mijn energie richtingloos in de leegte verdween. Het idealisme en ‘o zo nobele streven’ was een masker om mijn angst te verbergen – angst om mijzelf te zijn en de impact te maken die ik wel heb. Ik durfde niet te staan voor waar ik in geloof. Diep van binnen was ik een klein meisje; bang om mezelf te laten zien, bang voor afwijzing en er niet bij horen. Maar bovenal bang voor het maken van negatieve impact. Het idee dat ik de harmonie zou verstoren was onverdraaglijk. Ik ben bang om mijzelf te zijn en de impact te hebben die ik heb. Wat had ik te doen? De innerlijke strijd vroeg om doordachte, doorleefde en doorvoelde aandacht voor de waarden die eronder liggen. Dit zodat ik ze kon gaan verinnerlijken. Wat ik hieraan parallel te doen had is mijzelf serieus nemen met de impact die ik heb vanuit de persoon die ik ben, zodat ik de impact kon gaan maken die ik kan maken. Zo zou ik de grond innemen die ik gekregen heb en iets realistisch verwachten van mijzelf in plaats van iets bovenmenselijks. Zo zou ik in een gelijkwaardige relatie komen te staan ten opzichte van de ander en van de wereld als geheel. Dit in plaats van mijzelf kleiner of groter maken dan ik ben. De energie die weglekte zou dan meer richting en focus krijgen. Je plek innemen betekend niet meer en minder grond innemen dan je gegeven is. Dit wilde niet zeggen dat mijn waarden in beton gegoten moesten worden zodat ze zouden vastroesten waardoor er in een andere vorm opnieuw verstarring ontstond. Het wil zeggen dat ik ben gaan leven vanuit een kern waarin ik zowel mijzelf als de ander steeds heel houdt in plaats van fragmenteer. Zonder oordeel mag ik naar de wereld kijken. Alles mag er zijn. Kunnen en onkunde, kracht en zwakheid, impact en nutteloosheid, genieten en lijden, wilskracht en angst. Alleen wanneer ik mijzelf en de ander heel houd, is er gelijkwaardigheid. Dan is niemand meer of minder. Voor mij begon het vinden van doorvoelde waarden bij het doordenken. Maar dit kon niet zonder ze te doorleven. Ik ben daarom gaan doen waar ik in geloof. Als ik mensen met elkaar wil verbinden, moet ik bereid zijn mijzelf te geven in contact. Met alle consequenties die hierbij horen, ook het risico’s op afwijzing of negatieve impact. De angst waar ik mij met idealistisch geblaat achter kan verschuilen wordt niet overwonnen door stil te blijven zitten, te hopen dat het geluk uit de lucht komt vallen of af te wachten tot iemand anders iets gaat doen. Ik moet de stoute schoenen aantrekken en uitstappen, mijzelf laten zien, fouten maken, kwetsbaar zijn en mijn kracht laten zien. Ik moet bereid zijn de plank mis te slaan en resultaten te bereiken die ik nooit had durven dromen. Bovenal moet ik het ongemak van de onwetendheid durven verdragen. Want als ik impact maak is het effect altijd onzeker. Ik weet immers nooit welk effect mijn impact hebben zal. Diep van binnen kende ik allang de betekenis van mijn impact: mijn talenten, mijn onkunde, mijn zijn. Het belang van persoonlijke impact Impact is al het effect van ons handelen of ons niet-handelen. Alles wat je doet heeft effect. Aan jou de keus of je weloverwogen en bewuste impact wil maken, of dat je jouw impact laat vertroebelen door oordeel en afwijzing. Je kan je afvragen waarom ik zoveel waarde hecht aan het maken van impact. Hiervoor heb ik meerdere verklaringen. Allereerst denk ik dat ieder mens op een dieper niveau impact wil maken. Niemand wil vergeten worden en we zijn bang voor het leven van een zinloos leven. Wanneer je impact maakt tel je mee. Het geeft een gevoel dat je van waarde bent. Daarnaast heeft persoonlijke impact nog een ander positief effect. Wanneer je met jezelf komt kan je echt in contact komen me een ander. Alleen wanneer je jezelf bent kan je de ander tegenkomen. Alleen wanneer je jezelf bent kan je gezien worden. Wanneer je jezelf kent kan je je oordeelloos verwonderen over de uniekheid van de ander. Dit vermindert het gevoel van existentiële eenzaamheid. Ook zorgt het maken van persoonlijke impact voor een gevoel van vrijheid. Je maakt jezelf niet afhankelijk door je acties niet afhangen van wat iemand anders wel of niet doet, maar neemt regie. Het besef altijd een keuze te hebben voor het gedrag wat je zelf laat zien of de manier waarop jij je verhoudt tot een situatie, vermindert stress en geeft lucht en ruimte. Hoe maak je persoonlijke impact? Wil je impact maken, dan moet je accepteren dat je bent wie je bent. Het maken van persoonlijke impact kan alleen in het hier en nu. Nooit op een ander moment kan je handelen of veranderen, iets doen of iets niet doen dan in het moment (zie ook het blog over De Controle Paradox ). Het nu is het moment waar het op aankomt. Persoonlijke impact gaat erover dat jij nú durft te zijn, te doen en in te brengen. Niet straks of gister. Of je met je impact ook bereikt wat je wil of had verwacht, is hieraan ondergeschikt. Het gaat erom dat je bewust een keuze maakt in het nú voor wat je doet in relatie tot waar je voor staat. Wil je persoonlijke impact hebben, dan zal je bereid moeten zijn bewust te handelen in het moment. Wil je persoonlijke impact hebben dat moet je bereid zijn initiatief te nemen in plaats van jezelf afhankelijk maken van wat anderen wel of niet doen. Wanneer ik naar mezelf kijk dan zie ik dat ik hier veel kansen laat liggen. Ik noem niet welke patronen mij opvallen omdat ik te bang ben voor weerstand. Ik praat soms juist te snel waardoor ik de ander geen ruimte geef voor diens proces. Soms zeg ik bewust niks, uit angst voor schaamte of afwijzing. Mij bewuste ‘doen’ en ‘niet doen’ kan echter groot effect hebben wanneer ik het inzet. Andere aanwezigen ervaren vaak veel meer herkenning dan ik in eerste instantie verwacht. Het inbrengen van mijzelf en het openstaan voor de ander, werkt daarmee heel verbindend. Ook wanneer ik de plank missla, want juist dat biedt stof voor een gesprek. Negatieve impact kan een positief effect teweegbrengen wanneer ik bereid ben dit aan te gaan. Persoonlijke impact maken is dus iets wat je als mens nodig hebt. Het geeft je levensenergie. Logischerwijs lek je energie wanneer je streeft naar de ‘verkeerde’ impact. Dat wil zeggen impact die niet bij je past, impact die tot ver buiten je invloedsfeer reikt of impact waarin je jezelf voorwaardelijk afhankelijk maakt van de acties van anderen en geen regie pakt. Persoonlijke impact gaat om bewuste impact vanuit het besef dat je de keuze hebt om je eigen acties en daarmee de situatie te beïnvloeden. Met het accepteren van deze persoonlijke impact, moet je ook accepteren dat deze impact beperkt is. Het verdragen van mijn beperkte impact Je kan niet geven wat je niet hebt Mijn impact reikt niet verder dan het rijkt. Ontwrichte systemen kan ik niet in mijn eentje veranderen en eeuwenoude wereldproblemen kan ik niet oplossen. Om te voorkomen dat de moedeloosheid weer de overhand neemt, moet ik dit accepteren. Via milde acceptatie kan ik verdragen dat sommige dingen zijn zoals ze zijn, zonder ze weg te stoppen maar juist zodat ik mij ertoe leer te verhouden. Vanuit daar kan ik mijn handelingsperspectief concreet vormgeven. Dit betekent voor mij dat ik de eenzaamheid en gebrokenheid die het leven kent moet accepteren. We komen elkaar niet altijd tegen en harmonie wordt altijd door de chaos ingehaald. Ik kan dat niet oplossen. Met dit deze acceptatie kan ik open staan voor het idee dat dit niet eens een probleem hoeft te zijn. Disharmonie biedt immers kansen tot het creëren van iets nieuws. Chaos behelst potentie. Gebrokenheid vraagt om creativiteit. Dit bewustzijn helpt mij om mijn idealisme te focussen. Ik verzand niet langer in de uitzichtloosheid van nutteloze impact, maar kies heel bewust welke impact ik wil maken met de mogelijkheden die ik gekregen heb. Bijna zonder schuldgevoel kan ik nu andere zaken laten liggen ;) Bewust kiezen voor de impact die je maken wil, vraagt om een dans rondom je vermogen en je grens, je wilskracht en verwachting, mogelijkheden en vertroebeling, willen en kunnen. Bewust en gelijkwaardig Met een bewuste keuze voor het maken van impact in het moment, biedt de mogelijkheid dat ik en de ander in gelijkwaardig contact blijven. Zo ontstaat er dialectiek tussen idealisme en moedeloosheid. Het mag er beide zijn, sterker nog het voedt elkaar. Mijn idealisme drijft me voort, de moedeloosheid voorkomt roekeloosheid. Moed en angst vullen elkaar aan en zorgen in de dialectische balans voor lucht en vrijheid, in plaats van dat ze een discrepantie vormen die ervoor zorgt dat ik verdrink in een innerlijke strijd. Door het bewust doorleven van deze realistisch doordachte verwachtingen van mijzelf en de wereld, doorvoel ik dat ik heel blijf. Mijn boosheid naar de wereld wordt milder – nu kan ook zij heel blijven in haar gebrokenheid. Nu kan de wereld heel blijven ondanks haar gebrokenheid.
- Het creatieve midden
Het punt waar stilstand leidt tot nieuwe wegen Het punt waar ik het niet hoef te weten Het punt waar ik gewoon mag zijn Het punt verwachtingsvol leven Het moment dat ik aanvaard dat dat wat was voorbij is Het moment dat ik besef dat wat ik ook doe, de toekomst onbekend is Het moment dat ik accepteren kan dat het komt zoals het zijn moet In het midden van de strijd tussen dualiteiten liggen kansen Durf ik dat, durf ik daar, durf ik nu, echt stil te staan? Om te zijn bij wat mij, vanzelf weer in beweging brengt? Of blijf ik hopeloos gefrustreerd ongeduldig en verloren zoeken naar de illusie van grip? Het nu is niet alleen het veiligste moment voor wanhopige onwetenden Het nu is het moment van het leven Wat heeft het leven nu te geven? Ben ik bereid dat aan te nemen?
- Podcast Binnenskamers
Dit voorjaar was ik te gast bij Maurits van Urk, in zijn podcast Binnenskamers. Binnenskamers is de podcast over de mens achter de zorgporfessional. Maurits gaat in gesprek met zorgprofessionals over hoe deze in dit beroep beland zijn, wat daarin aansprak en wat hem/haar in het werk geraakt heeft. In een open gesprek spraken we over wat er gebeurt in de binnenkamer van de zorg én in de binnenkamer van de professional. We spraken over de uitdagingen die komen kijken bij bewegen tussen tegendelen, de complexiteit van het zorg- en welzijnsveld en hoe we hier zowel persoonlijke als professioneel doorheen bewegen. De vraag hoe we als mens(en) een gezonde wisselwerking met de omgeving aan kunnen gaan, stond hierin centraal - zowel in ons werk als therapeut en ondernemer, als op het gebied van beleid binnen het Sociaal Domein en de uitdagingen waar het zorgstelsel in Nederland voor staat. Binnenskamers is een initiatief van Blended Family . Luister hier de aflevering.
- Stilstaan bij het verhaal van Ouders
Een pleidooi voor trage hulpverlening in achterstandswijken Voor beleidsmakers in het sociaal domein, die zich bezighouden met jeugd en opvoeding Inleiding 15u. De schoolbel gaat. Je werkdag als Intern Begeleider (IB’er) op een basisschool in een achterstandswijk zit erop. Op het plein sta je nog een paar kinderen uit te zwaaien. Vlak bij het hek hebben twee kinderen slaande ruzie. Een ouder van een van de kinderen staat erbij, maar grijpt niet in. Dat verbaast je. Natuurlijk ben je er voorstander van dat kinderen voor zichzelf opkomen en conflicten zelf leren oplossen, maar de agressie die je hier ziet gaat te ver. Waarom doet de ouder niks? Je loopt naar de ruziënde kinderen om ze uit elkaar te halen. ‘Waarom grijp je niet in?’ vraag je aan de ouder. ‘Thuis ben ik de baas, hier op school zijn jullie de baas’, is het antwoord wat je terugkrijgt. Met je mond vol tanden sta je perplex toe te kijken, terwijl de kinderen het goedmaken. Dit kan zomaar een anekdote zijn van een reguliere schooldag. Ouders en professionals hebben verschillende ideeën over hoe normen en waarden invulling moeten krijgen waardoor ze elkaar niet begrijpen. In de praktijk kunnen deze verschillen voor problemen zorgen, zeker wanneer professionals te weinig tijd hebben om stil te staan bij het culturele opvoedparadigma van de ouders of wanneer het professionele handelen is gebaseerd op aannames over ‘probleemgezinnen’ in achterstandswijken. Ongewenst gedrag van kinderen moet vaak zo snel mogelijk worden aangepakt, omdat het zowel schadelijk kan zijn voor de ontwikkeling van het kind als voor kinderen in diens omgeving. Bij het aanpakken van dit gedrag zijn de ouders sleutelfiguren, zowel in het voorbeeld wat zij geven als in de manier waarop zij hun kind al dan niet begrenzen. De paradox is echter dat wanneer professionals hun eigen culturele opvoedparadigma op ouders met een andere culturele achtergrond projecteren, ouders het gevoel hebben dat er te weinig ruimte is voor hun opvoedperspectief. Uit ons onderzoek blijkt dat sommige ouders dan afhaken en hun vertrouwen in professionele hulpverlening verliezen. Dit komt niet ten goede van het kind. In dit artikel leg ik uit waarom ik, samen met professionals die hun verhaal deelden in ons onderzoek, pleit voor trage hulpverlening. Hiermee bedoel ik dat professionals, die betrokken zijn bij de opvoeding, de ruimte en tijd hebben om stil te staan en een open gesprek voeren met ouders over hun normen en waarden, in plaats van dat er direct gefocust wordt op het gedrag van het kind. Het helpt professionals wanneer sociaal beleid vanuit het domein Jeugd, deze aanpak ondersteund vanuit de missie, visie en strategie. Dit draagt namelijk bij aan het opvoedparadigma waar vanuit professionals verwacht worden te handelen. Preventieplatform Opvoeding – Dukenburg Als associatie consultant bij SenseGuide duik ik in persoonlijke verhalen via narratief onderzoek. Door het combineren van de ervaringsverhalen, geven we duiding aan deze verhalen en hun onderliggende structuur. Op deze manier krijgen we inzicht in patronen die schuilgaan in de interactie tussen mensen of tussen mensen en interventies. Afgelopen maanden onderzochten we het preventieplatform rondom opvoeding in Dukenburg. Dit is een wijk in Nijmegen die als achterstandswijk wordt omschreven. Vanuit de narratieve analyse van verhalen van ouders en professionals, zien we dat er een discrepantie kan bestaat tussen het paradigma van ouders en van professionals als het gaat om ‘wat een goede opvoeding is’. Deze discrepantie bevindt zich niet op het niveau van normen en waarden, maar vooral op het niveau van concreet gedrag – van kinderen of van ouders naar kinderen. Dus hoewel ouders en professionals zaken als respect, voor jezelf opkomen, eerlijkheid, vriendelijkheid, geduld, doorzetten en consequent zijn beide belangrijk vinden in de opvoeding, verschilt de manier waarop ze dit in praktijk brengen. Paradigma’s binnen sociaal beleid voor Jeugd Hoewel het bestaan van een opvoedparadigma an sich geen probleem hoeft te zijn, is een zorgvuldige professionele omgang hiermee van groot belang voor het accepteren van hulp of het slagen van een hulpverleningstraject. Sociaal beleid vanuit het domein Jeugd moet deze zorgvuldige omgang ondersteunen. Vanuit beleid vertegenwoordigen professionals – hoe je het ook wendt of keert – altijd een paradigma. Dit paradigma is gebaseerd op een cultureel ideaalbeeld in de huidige tijdsgeest, van hoe een goede opvoeding eruit zou moeten zien en over wat er nu nodig is in een achterstandswijk om ouders te helpen. Forse problemen en enorme veerkracht Dit paradigma is daarnaast vaak gebaseerd op aannames over de hele wijk die volgen uit statistieken over een deel van de wijk. Zo blijkt uit ons onderzoek dat 10% van de ouders forse problemen hebben op allerlei terreinen van het leven. Die 10% is zo sterk op de voorgrond aanwezig, dat dit het beeld van de overige 90% drastisch beïnvloedt. Dat terwijl het overgrote deel van de ouders in Dukenburg weet veerkrachtig om te gaan met de soms suboptimale omstandigheden waar ze mee te maken hebben. Ze doen hun best om net als ouders uit andere lagen van de bevolking, ondanks de druk om alle ballen hoog te houden, emotioneel beschikbaar te zijn voor hun kinderen. Deze ouders zitten meestal niet te wachten op iemand die hen goed bedoeld, maar ongevraagd advies geeft. Zeker niet als de zorg en het advies voortkomt uit het idee dat je een ‘probleemgezin’ zou zijn. Alertheid gebaseerd op aannames werkt soms averechts Dat forse problemen bij een kleine groep ouders in de wijk, het beeld over de hele wijk beïnvloedt is een menselijk gegeven waar we het mee zullen moeten doen. Juist daarom is het belangrijk om hulpverlening te vertragen. Met vertragen bedoel ik dat er tijd en ruimte nodig is om het vertrouwen op te bouwen door interesse te tonen in het verhaal van de ouder. Maar zonder het doel om dat opvoedstijl van de ouders meteen te veranderen naar het paradigma wat je als professional het meest passend vindt. Het gaat in eerste instantie puur om het onderlinge contact en het opbouwen van vertrouwen. Culturele paradigma verschillen en niet geverifieerde aannames kunnen anders tot gevolg hebben dat er te weinig ruimte is voor het perspectief van de ouders waardoor ze het vertrouwen in de hulpverlening verliezen – terwijl de ouders wel hulp nodig hebben. Trage hulpverlening binnen het paradigma voor sociaal beleid voor Jeugd De sleutel tot trage hulpverlening, ligt niet alleen bij de professionals. Er moet ruimte voor worden gemaakt binnen het paradigma van waaruit de professionals werken. Dit paradigma wordt onder andere vormgegeven in de manier waarop de missie, visie en strategie in het sociaal beleid voor Jeugd wordt geformuleerd. Binnen dit beleid mag daarom expliciet aandacht zijn voor vertrouwen, contact in plaats van doelen als basis, respect voor het verschil en de hieruit volgende ruimte voor maatwerk. Ruimte en tijd voor het opbouwen van vertrouwen Uit de verhalen blijkt dat persoonlijk vertrouwen in de hulpverlening de basis is voor het praten over, het accepteren van en slagen van een hulpverleningstraject. Dit vertrouwen is onder ouders die niet eerder met professionele hulpverlening te maken hebben gehad, erg laag. Sommige ouders vragen bijvoorbeeld geen hulp omdat ze bang zijn dat de hulpverlening hun kind afpakt. Het vertrouwen onder ouders die wel hulpverlening hebben gehad, is juist hoog. Zij waren achteraf zeer tevreden en voelden zich over het algemeen gehoord en gezien. Het vertrouwen groeide wanneer een ouder werd doorverwezen naar hulpverlening via iemand die ze al vertrouwen, bijvoorbeeld een professional op school of een ouder met goede hulpverleningservaringen. Omdat ouders met professionals op scholen jarenlang werken aan het opbouwen van persoonlijk vertrouwen, is de school een belangrijke ingang voor preventieve opvoedinterventies. Contact over gemeenschappelijke waarden als basis Professionals die werkzaam zijn in Dukenburg geven aan dat veel ouders niet alleen hulp vragen voor opvoedadvies met concrete doelen, maar vooral om hun verhaal te kunnen delen. Ze hebben het nodig dat iemand luistert, zodat ze weer rust en ontspanning kunnen ervaren. Hierdoor ontstaat er ruimte voor nieuwe perspectieven – zoals het professionele perspectief – want wanneer ouders (emotioneel) overbelast zijn is er geen mentale ruimte voor directe inhoudelijke feedback. Sterker nog, meteen horen dat je het als ouder niet goed (genoeg) doet, werkt afwerend en maakt eerder onzekerder dan dat het ouders verder helpt. Ouders geven aan dat ze zich in zulke situaties veroordeeld voelen waardoor ze soms de hulpverlening stopzetten – terwijl ze wel vragen hebben. Het tonen van oprechte interesse in het verhaal van de ouder, alvorens te komen met professionele sturing en doelen, is daarom van cruciaal belang. Ruimte voor onderling contact en vragen wat iemand nodig heeft in plaats van direct de situatie (te willen) veranderen, moet daarom de basis zijn van beleid. Ook (en wellicht zelfs juist) wanneer je vanuit je professie sterk het gevoel hebt dat de ouder het niet slim aanpakt en je dit voor de bestwil van het kind graag anders ziet. Het gesprek voeren over gemeenschappelijke waarden alvorens te praten over gedrag, kan hierin helpend zijn. Uit de verhalen blijkt dat hierin veel overeenkomsten zijn tussen professionals en ouders. Hiernaast staat dat je natuurlijk direct moet handelen wanneer de veiligheid van het kind in gevaar is – maar vaak zijn gezinnen dan al langere tijd in beeld. Respect voor het verschil Bovenstaande maakt duidelijk dat binnen het culturele opvoedparadigma wat ten grondslag ligt aan sociaal beleid, ruimte moet zijn voor verschil. Verschillende mensen uit verschillende culturen verschillen in hun opvoedaanpak. Dit gaat niet per definitie over goed of fout, in de basis is het enkel verschillend. Dit wil niet zeggen dat je professionele mening er niet toe doet – het blijft belangrijk om als professional stelling in te nemen. Maar, zoals blijkt uit de verhalen, met respect voor het verschil bereiken professionals meer. Ruimte voor maatwerk Bovenstaande benodigde punten voor trage hulpverlening, richten zich in meer of mindere mate op het belang van het onderlinge contact tussen de hulpverlener en de ouder. Dit is belangrijk, want de unieke vraag van de ouder vraagt om maatwerk. Hier komen we echter ook een spanningsveld tegen met betrekking tot opvoedparadigma’s die aan de basis van beleid liggen. Beleid is in eerste instantie en vooral gericht op groepen als geheel. Enerzijds geeft dit richting en sturing aan de uitvoerende praktijk. Aan de andere kan zorgt dit ervoor dat paradigma’s die als fundament voor beleid worden gebruikt, niet altijd aansluiten bij individuele behoeften. Algemene beleid alleen is daarom niet voldoende om structurele positieve veranderingen teweeg te brengen bij afzonderlijke gezinnen. Wanneer we meer willen bereiken met preventie interventies, moet juist binnen beleid ruimte zijn voor maatwerk. Dat een algemene aanpak in combinatie met maatwerk elkaar in de praktijk positief kunnen versterken, blijkt ook uit ons SenseGuide onderzoek. Ervaringen die professionals opdoen uit maatwerkbegeleiding, leiden vaak tot inzichten over de doelgroep als geheel. In combinatie met vertrouwen in professionals, kan maatwerk op die manier waardevolle input geven voor algemene preventie interventies en vise versa. Om deze positieve wisselwerking tussen een algemene aanpak en het bieden van maatwerk in stand te houden, is het belangrijk dat alle betrokkenen rondom het preventieplatform de verhalen, behoeften, wensen en percepties van ouders en van elkaar blijven horen. Dit zodat ze van daaruit ook in de toekomst aan kunnen blijven sluiten met wat nodig is.












