Zoekresultaten
24 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht
- Het accepteren van mijn Ferrari-motor
Met de snelheid Ook de stilstand Met de glans Ook de pijn Met het opvallen Ook het wegblijven Met het deelnemen Ook het toekijken Van schittering tot stilstand Zoef, daar schoot hij voorbij! Getraind tot op de velgen, kundig door de bochten. De lak schitterde in de zon, terwijl hij op hoge snelheid voorbijreed. In 2,9 seconden naar 100km/u en met een maximum van 340 km/u. Op deze snelheid kon de Ferrari genieten van het voorbijschietende landschap. Het gaf hem een nieuwe perspectieven op de werkelijkheid. De vergezichten verwonderde hem, terwijl de motor in hem gierde van enthousiasme over het gebruik van z’n kunnen. Wat een topdag! Een dag later, stond hij stil. Zwijgend staarde hij in de leegte terwijl er aan zijn motor gesleuteld werd. Het grote onderhoud was begonnen. De olie werd aangevuld en de motor werd grondig schoongemaakt. Vandaag geen snelheid, maar herstel. Vandaag geen nieuwe perspectieven, maar herbeleven van wat is. Vandaag geen schittering, maar berusting. Vandaag even niet. Leven met een Ferrari-motor Misschien herken je wel iets van dit gevoel; de ene dag barst je van de energie en kom je op hoge snelheid tot de meest wonderlijke creatieve inzichten en de volgende dag ben je uitgeput, leeggezogen en doet je hele lichaam pijn. In de flow doe ik werk voor een week zonder overuren te maken en een andere dag word ik zo uitgeput wakker dat ik al mijn wiskracht moet gebruiken om uit bed te komen. Soms ontplof ik van de energie, terwijl ik het volgende moment als een pudding in elkaar zak. Het ene moment kan ik niet stilzitten van enthousiasme, praat ik op hoge snelheid en hoog niveau en kan ik mezelf amper volgen. Het volgende moment struikel ik al stotterend over m’n woorden of voelt mijn brein zo mistig dat ik de woorden niet kan vinden. Ik ken geen gebalanceerde energiestroom. Er zit niks tussen 0 en 100 (behalve dan die 2,9 seconden). Het grootste deel van mijn leven heb ik mij verzet tegen deze ogenschijnlijk random energie-wisselingen. Het was onvoorspelbaar voor mezelf en vooral voor mijn omgeving. Ik schaamde mij ervoor dat ik vandaag heel veel kan en morgen niks. Het is lastig in de communicatie, omdat ik niet duidelijk kan maken waar iemand met mij aan toe is. Hierdoor had ik het gevoel de ander steeds tot last te zijn – het kan maar zo omslaan dus je weet niet wat je aan mij hebt… Vanuit de overtuiging dat ik ‘onbetrouwbaar’ was, paste ik me aan. Uit man en macht deed ik mijn best om de Ferrari-motor die ik gekregen heb als biologische bedrading, te veranderen in een stabiele stoomtrein of gezellige gezinswagen die – wanneer ze eenmaal op gang zijn – wel door blijven tuffen. ‘Dan’, zo dacht ik ‘zou ik een fijn leven kunnen leiden en zouden mensen mij begrijpen. Dan kan ik er misschien bij horen’. Hyper Brain - Hyper Body Net zoals verschillende auto’s op een verschillende manier worden aangedreven, verschillen ook mensen in hun aandrijving, omdat ze verschillen in bedrading. Een kenmerk van hoogbegaafdheid is het hebben van een ‘ hyper brain en hyper body ’. Dit wil zeggen dat de bedrading intens is afgesteld – zowel voor hun lichaam als voor hun geest. Het kunnen en het onkunde wisselen elkaar daarom snel af. Levensenergie en ziekte horen dan bij elkaar. Dąbrowski legde dit uit aan de hand van vijf overprikkelbaarheden : Emotionele overprikkelbaarheid gaat over het hebben van een breed scala aan genuanceerde, diepgaande, veelzijdige en heftige emoties. Intellectuele overprikkelbaarheid richt zich op het denken en kan zich uiten in leerhonger en een sterke wil om ‘te weten’. De verbeeldende overprikkelbaarheid gaat over het sterke vermogen om te conceptualiseren en te visualiseren. Er is sprake van een grote fantasiewereld. Sensuele overprikkelbaarheid heeft betrekking op het intens waarnemen van zintuigelijke prikkels en het opmerken van details daarin. De psychomotorische overprikkelbaarheid wordt gekenmerkt door een grote hoeveelheid fysieke energie, een liefde voor bewegen, snel praten en rusteloosheid. Deze overprikkelbaarheden kunnen zich uiten op verschillende manieren. De vergelijking met een Ferrari-motor helpt hierbij, daarom schets ik vanuit die vergelijking een voorbeeld-ervaring van wat ik herken bij mijzelf aangevuld door wat ik zie bij cliënten. Wanneer de Ferrari op het circuit rijdt, zit de hoogbegaafde persoon in een energie-flow. De emoties stromen als een warme zee door je heen. Je voelt jezelf en de ander goed aan en weet hierdoor contact te leggen met oog voor het verschil. Het is een verbindende kwaliteit. Het intellect vormt nieuwe theorieën uit elke ervaring die je opdoet, alle informatie is een verrijking voor het ‘weten’ en het ‘kennen’. Vanuit een grote liefde voor de wijsheid ontstaat een rijk wereldbeeld met nieuwe inzichten waar komende generaties ook iets aan hebben. Vanuit de verbeeldingskracht worden er werelden geschept waardoor zowel jijzelf als anderen nieuwe taal en ervaringen krijgen voor dat wat er in hen leeft of dat wat er in de wereld wordt waargenomen. Je geniet intens van elke zintuigelijke waarneming en verwondert je over de schoonheid van het leven. De energie stroomt door je lijf en op hoge snelheid blijf je in beweging – zoals een kind op ontdekkingstocht. De motor van een Ferrari heeft echter ook veel onderhoud nodig. Om betrouwbaar te blijven op de weg en niet te crashen is het nodig dat de Ferrari veel tijd doorbrengt in de garage. Daar staat hij stil. Veel hoogbegaafden slaan dit deel over. De vergezichten op het circuit zijn zo mooi; het leven wat je voelt stromen wanneer de wind langs de glanzende lak blaast is zo’n zegen; dat op tijd aanvoelen dat de olie aangevuld moet worden, iets is wat je bewust moet leren. Wanneer je dit zelf niet doet, doet de Ferrari-motor dit wel voor je. Gewoon door ermee op te houden. Het onderhoud en het herstel zijn namelijk net zo’n volwaardig onderdeel van deze motor als de snelheid en de uitzonderlijke prestaties. In de gedwongen stilstand kunnen emoties je overspoelen als een vloedgolf. Het voelt alsof ze je breken tot je uit elkaar spat en al je zekerheden in rook zijn opgegaan. Het intellect gebruik je dan tegen het leven, als instrument om angstig controle te houden op alle eenzaamheid die je zo diep voelt. De verbeeldingskracht kan ervoor zorgen dat je feit en fictie niet meer kan scheiden, waardoor paniekaanvallen, dissociatie of psychoses geen vreemd gevolg zijn. De zintuigelijke overspoeling zorgt voor vervreemding van je lijf, omdat het simpelweg te pijnlijk is om te verdragen. In plaats van onuitputtelijke energie kom je stil te staan, niet meer in beweging te krijgen. Het is buitengewoon pijnlijk! Aanpassingspijn Door mijn leven lang m’n best te doen van mijn Ferrari-motor een gezellige gezinswagen te maken, onderdrukte ik de behoeften die mijn motor heeft om gezond te functioneren. De energie-uitschieters – en dan vooral de tijd van stilstand – werden hierdoor heviger. Zo heftig zelfs, dat mijn lichaam ziek werd. Ik ondervond letterlijke aanpassingspijn . Op jonge leeftijd ontwikkelde ik hierdoor bijvoorbeeld een auto-immuun ziekte. Hierin ben ik geen uitzondering. Het niet accepteren van de Farrari-motor horen, kan leiden tot toxische stress. Je gaat immers dwars tegen je eigen natuur in. De hyper brain – hyper body theorie laat zien dat een lichaam en geest wat al beraad is met intensiteit, ook intens reageert op deze gedwongen aanpassingen. Er kunnen ‘hyper’ reacties ontstaan zoals allergieën, auto-immuun ziekten, lichamelijke aandoeningen, psychische en psychiatrische problemen. Onderzoek laat zien dat dit significant veel vaker voorkomt bij hoogbegaafden – omdat ze vaak niet leven naar de behoeften van hun bedrading. Ofwel omdat ze niet weten dat dit nodig is, ofwel omdat ze niet weten hoe dit moet, ofwel omdat ze het gevoel hebben dat dit niet kan in deze wereld. Met aanpassingspijn tot gevolg. Het accepteren van mijn Ferrari-motor Een Ferrari-motor functioneert betrouwbaar wanneer hij zowel hard mag rijden, als tijd mag nemen voor herstel. Ik functioneer het beste wanneer ik niet mijn best doe om een ‘stabiel’ energieniveau te hebben, maar oog heb voor mijn uitschieters. De uitschieters in energie horen bij mij, dus het is mijn taak mijn leven zo in te richten dat ik hier verantwoordelijkheid voor kan nemen. Ik vind het geen gemakkelijke taak om hier verantwoordelijkheid voor te nemen. In de acceptatie van mijn Ferrari-motor kom ik daarom zowel vrijheid en opluchting, als verdriet tegen over dat ik het hiermee te doen heb. De vrijheid maakt dat ik mijzelf toesta om hard te rijden op de momenten dat ik daar behoefte aan heb. Ik hoef me nu niet steeds meer aan te passen aan de snelheid van de andere auto’s op de weg. Dat is namelijk dodelijk vermoeiend. Dus kies ik omgevingen waar hard rijden mogelijk is. Het tegenkomen van anderen raceauto’s helpt mij daarbij. Het verdriet over mijn Ferrari-motor komt voor uit het feit dat ik ook een deel van mijn leven aan de zijlijn sta. Omdat er veel onderhoud nodig is, moet ik verdragen dat ik sta toe te kijken hoe anderen auto’s voorbij tuffen terwijl ik even niet mee kan doen. Dat is pijnlijk. Het voelt eenzaam en alleen en dat hoort erbij. Hoe dichter ik bij de acceptatie kom, hoe meer rust ik echter ook ervaar. Het is oké dat het zo werkt voor mij en het is oké dat ik niet altijd weet hoe ik hiermee om moet gaan. Hoe meer ik dit uitspreek en deel met andere auto’s op de weg of in de garage, hoe draaglijker de eenzaamheid wordt. Ik hoef mij nu steeds minder vaak terug te trekken op een onbewoond eiland, maar kan met alles wat erbij hoort in contact blijven. Morgen zoef ik weer verder Vandaag verdraag ik de stilstand Een moment van woordeloos bezinnen Omdat ik het even niet weet Met dank aan mijn man – een groot auto liefhebben en mijn steun in de zorg voor mijn Ferrari-motor.
- Aandachtig denken
Talloze perspectieven Met een brein wat bij elke waarneming en elke vraag in een split second een groot aantal perspectieven en afwegingen produceert, is het soms zwaar leven. Het gaat vanzelf. Ik hoef er geen enkele moeite voor te doen en tegelijkertijd is het erg vermoeiend. Een zeer hoog IQ hebben lijkt leuk - omdat het tot uitzonderlijke prestaties zou leiden. Maar eerlijk, in de praktijk is het vooral een uitdaging in zelfregulatie. Met beperkte mogelijkheden De enorme hoeveelheid gedachten en het constant zien van allerlei mogelijkheden en onmogelijkheden, kunnen er maar zo voor zorgen dat ik steeds afgeleid raak van mezelf. Overal is onrecht, maar ik kan niet aan al deze vormen van onrecht een positief tegengeluid geven, al zie ik tal van mogelijkheden. Dat is praktisch onmogelijk. Een constant en diep-desintegrerend gevoel van machteloosheid dringt zich daarom steeds aan mij op. Als ik niet oppas verlies ik mezelf hierin, en verzand ik in een neerwaartse spiraal van existentiële depressie. Het leven voelt dan zwaar en op een bepaalde manier uitzichtloos; de verwondering wordt totaal overschaduwt. Elke gedachte en praktische mogelijkheid. wordt daarom als vanzelf op een weegschaal van morele relevantie gelegd. Waar steek ik mijn energie in? Waar wil en kan ik aandacht aan geven en waarom is dat belangrijk? Dit leidt ofwel tot te hard werken voor een rechtvaardiger wereld of tot verstarring en totale uitputting waardoor er niks uit mijn handen komt. Tot zo ver de uitzonderlijke prestaties… Verdringen van mijn ervaring Wat daarnaast niet meehelpt is de overtuiging die ik mij als kind eigen maakte, dat mijn gedachten, perspectieven en de diep intense gevoelens die hierbij komen kijken, er maar tot op zekere hoogte mogen zijn. Ik had ze, maar ‘mocht ze maar tot x aantal % in contact brengen’, zo was mijn ervaring. Ik was anders ‘niet te volgen’ of ik was ‘te veel’ of ‘te moeilijk aan het doen’. Dus zat ik alleen met deze veelheid. Het resultaat hiervan was een afgestompt en afgesloten denken; een gevoel van inkapseling en ontwrichting; een eenzaam strugglen door het later ontstane onvermogen om wel te komen met wat er in mij leeft. Ik veroordeelde mijn gedachten en wees ze af. Ik wees mijzelf af Gedachten namen hierdoor juist regie over mij. Niet op een leuke manier, maar op een allesoverheersende manier van angstige analyse om een illusie van controle over de ongrijpbare werkelijkheid te creëren. Gedachten bepaalden mijn leven, in plaats van dat ik mooie dingen kon maken met wat ik allemaal bedacht. Gedachten forceerden mijn tijd tot een ongefilterde bedreiging in de zoektocht naar overleving van het onbekende - naar bestaansrecht, terwijl ik mijzelf afwees. Genieten was er niet meer bij. Zoekend naar bestaansrecht met de veelheid Ook het afstompen van mijn denken is terug te leiden naar de zoektocht naar bestaansrecht met de veelheid van ervaringen die in mij leven. Zoals ik eerder schreef, dacht ik dat ik mocht bestaan wanneer ik minder zou zijn van wie ik ben. Zo’n diepe zelfafwijzing bij alles wat ik in mijzelf waarneem en in contact breng, is vergif voor de ziel; vergif voor het bestaan; en een afwijzing van het leven zelf. Hoe pijnlijk! Ik en jij volwaardig aanwezig Gelukkig stopt het verhaal hier niet. Hoewel ik nog altijd niet weet hoe ik de veelheid aan gedachten in contact kan brengen met anderen, als fundamenteel deel van mijn zelfervaring en dus als ingang tot het leren kennen van jou, weet ik ook niet of dat nodig is om volwaardig te kunnen bestaan in het contact. Wellicht dat ik en jij er ook volledig kunnen zijn wanneer ons zijn hoe dan ook onvolledig zichtbaar wordt? Volwaardig aanwezig zijn bij elkaar, hoeft geen volledige aanwezigheid te impliceren, wanneer we oog hebben voor wat we niet van elkaar begrijpen of waarin we onszelf niet kennen. Genietend denken Nu ik mijn denken en alles wat daarbij hoort steeds meer aanneem als deel van mijn zijn, is er ook ruimte voor genieten van mijn denken. Gewoon - alleen en voor mezelf. Dat is iets totaal nieuws voor mij - een binnenwereld die verwonderd en wat ik gekregen heb om gewoon zelf van te mogen genieten, ongeacht de omstandigheden of wat het denken wel of niet teweeg zou kunnen brengen. Aandachtig denken Ik ervaar wel nog altijd een uitdaging in de veelheid. De complexe gelaagdheid van het zien en doorvoelen van zoveel mogelijkheden, onmogelijkheden en perspectieven, blijft vragen om gerichte focus; zodat ik mij er niet in verlies of zodat de gedachten mij niet overnemen. Gek genoeg zit het antwoord voor deze constante complexe en gelaagde ervaring, juist in simpelheid. Hiermee bedoel ik niet simpelheid als simplificatie van de ervaren werkelijkheid of met als doel om het denken verder af te stompen, maar simpelheid in ‘het hebben van gerichte focus’. Focus van het denken met aandacht voor de waarden die ten grondslag liggen onder de vele gedachten. Waarden als schoonheid, rechtvaardigheid, compassie en verantwoordelijkheid. Door steeds mijn vele gedachten terug te brengen naar deze waarden gedreven kern, val ik niet stil maar kan juist dit gelaagde denken leiden tot gefocuste handelingen. Ik kies heel bewust waar ik energie in steek. Niet omdat de rest er niet zijn mag, maar juist omdat ik al het andere ten diepste omarm en vervolgens weloverwogen kies wat ik ermee wil doen of niet. Het is uiteraard een leerweg Met alles wat er gedacht en niet gedaan wordt En ja, de pijnlijke ervaring van machteloosheid over dat wat ik niet kan doen, is hieraan inherent. Tegelijkertijd ervaar ik ook meer vreugde over waar ik mijn energie wel in kan steken - als dankbare getuigenis van wie ik mag zijn in het contact met jou en als nieuwsgierige uitnodiging om jou, in contact met mij, beter te leren kennen.
- Meedoen zoals het moet, of met alles wat erbij hoort?
Net even anders is net even niet Hoewel ik het had zien aankomen, kwam het als een schok. Was ik te eerlijk geweest? Had ik mijn voormalige probleem groter gemaakt dan nodig? Had ik mezelf onbewust laten zien als de persoon die ‘niks aankan’? Of was hier sprake van onrechtvaardigheid? Discriminatie zelfs? Hadden zij een blinde vlek? Na drie maanden wachten en het delen van allerlei persoonlijke medische informatie, kreeg ik van de verzekeringsarts te horen dat ze de verzekeraar afraden een arbeidsongeschiktheidsverzekering aan mij te verstrekken. ‘Er is door uw psychische voorgeschiedenis sprake van een sterk verhoogd verzekeringsrisico. Helaas moet ik daarom aan de verzekeraar adviseren om u de gevraagde verzekering niet aan te bieden’. Een stroomstoot ging door mijn lijf. Omdat ik in een split second op de feiten van de bittere waarheid werd gedrukt. Helaas, wanneer je leven ‘net even anders’ is gelopen dan meritocratisch geïmpliceerd, val je buiten de boot. Ik mag meedoen, als ik was zoals het ‘moest’ Ik heb mijzelf jarenlang gereduceerd tot een wandelend probleem. Ik zag mezelf een parasiet die gefikst moest worden van een of andere aandoening. Het was op sommige momenten vrij radicaal en meestal op z’n minst zelf ondermijnend. Zo diep zat de overtuiging dat er iets grondig mis was met mij (lees hierover ook het artikel ‘ Aanpassingspijn ’). Inmiddels ervaar ik steeds dieper dat dit beeld eenzijdig, beperkt en irrelevant is. Ja, natuurlijk lopen we er allemaal wel eens tegen onszelf aan en ongetwijfeld bestaan er constructievere gedragingen dan we altijd laten zien. Maar dat wil nog niet zeggen dat je een probleem bent. Veel vaker loop je iets op in de wisselwerking tussen jezelf en de omgeving of de persoon tegenover je. Dat betekent niet dat je jezelf moet ‘herstellen’ van een slechtaardig gezwel. Dat betekent wel dat je elkaar misloopt vanwege een mismatch tussen gedrag en ervaring. Dat is dan wat het is – voor dat moment. Toch werd dat beeld dat ik een wandelend probleem ben, nu aangeraakt. Heel even leek het weer de volledige waarheid van mijn identiteit te vormen. Vanuit het beperkte perspectief van een ‘klachtenoverzicht’ met een impliciet daaraan gekoppeld mensbeeld dat mensen niet veranderen en altijd in ‘dezelfde fouten’ trappen, voelde het alsof ik buitenspel werd gezet. En hoewel ik de integriteit van de arts proef en in het bericht lees dat er zelfs een second-opinion is geweest, is het ook alsof hiermee gezegd wordt dat ik ‘niet mee mag doen’. Voor de zoveelste keer mag ik niet meedoen met alles wat erbij hoort. Ik had alleen mee mogen doen, als ik was zoals het moest – ofzo? Moest, volgens wie? Het verschil dwingt tot een norm Ik begrijp dat er een bepaalde duidelijkheid moet zijn over ‘wanneer’ en de ‘manier waarop’ je meedoet, wanneer we samenleven in een samenleving. Vanuit ons oerverlangen naar verbondenheid, zoeken we steeds naar houvast over wat ons bindt. Zo weten we waar we aan toe zijn en zo weet je precies wat je kan doen om ‘erbij te horen’ en ‘mee te doen’ – ondanks verschillen. Het verschil tussen mensen dwingt ons tot het construeren van een gezamenlijke norm. De norm is voorwaarde om vanuit het oerverlangen naar verbondenheid en de onzekerheden rondom dit verlangen, samen te werken. We moeten het verschil tussen mogelijkheden, kunnen, behoeftes, verlangens, wensen, grenzen, ervaringen, gewoonten, etc. overbruggen met iets wat ons bindt. Of je het nu leuk vindt of niet, we zijn als mensen afhankelijk van elkaar. We hebben een constructieve wisselwerking nodig tussen onszelf en onze omgeving om te kunnen overleven. Anders lopen we het risico op onszelf te zijn aangewezen en dat is in potentie dodelijk (lees hierover het artikel ‘ Een existentiële zoektocht naar normaal gedrag’ ). Vanuit de zekerheid van de norm, krijgen we grip op de complexe wisselwerking tussen verschillende mensen. Het geeft structuur, duidelijkheid en houvast. De norm als universele waarheid Het construeren van een norm is een universeel menselijk gegeven voor groepen mensen die samen iets ondernemen. Het geven van een waardeoordeel over het bestaan van een norm, is daarom simpelweg niet mogelijk. ‘De norm’ wordt echter spannend wanneer dit een maatstaf wordt waaraan mensen hun bestaansrecht – volgens de norm – moeten ontlenen. Het wordt dan een universele waarheid – althans, volgens de mensen die zich scharen achter de betreffende norm. Neem bijvoorbeeld de meritocratische samenleving, waarin mensen op z’n minst hun positie en op z’n triests hun existentie ontlenen aan hun verdiensten. ‘Je mag er zijn als je succes hebt of succesvol bent in de economische zin van het woord’. Dit is een onwijs pijnlijke norm, omdat het geen ruimte biedt voor wie je echt bent maar enkel aandacht heeft voor hoe je zou moeten zijn. De norm als universele waarheid heeft tot gevolg dat mensen iemand proberen te worden die ze niet zijn. Het opofferen van je uniekheid voor de norm en je bestaansrecht laten afhangen van de norm, is – zoals genoemd – niet de initiële intentie van het ‘oprichten’ van een norm. De norm als universele waarheid heeft daarnaast ook tot gevolg dat we elkaar uitsluiten. Wie niet voldoet, redt zichzelf maar. Te bang om onze positie en zekerheden te verliezen, verzanden we onbewust en impliciet in een wij-zij denken. We weten verschillen niet meer op een constructieve manier in de norm te integreren, maar veroordelen verschillen met een beroep op de norm. Wat betekent het dan om mee te willen en mogen doen, als we niet onder het bestaan van de norm uitkunnen en de consequenties ervan dodelijk kunnen zijn? Hoe kunnen we dan wel met de norm omgaan? Vijf manieren van omgang met de norm Geïnspireerd op de theorie van de psychiater Dąbrowski onderscheid ik vijf manieren van omgang met jezelf in relatie tot de norm [1] . De norm is normatief De eerste manier gaat ervan uit dat de norm heeft betrekking op het voorbeeld hierboven. Vanuit hier zie je de norm als universele waarheid op zichzelf. We kijken dan niet meer naar de norm als een menselijke uitingsvorm van behoeften aan ‘verbondenheid’, ‘erbij horen’, ‘meedoen’, ‘grip’ en ‘contact’, maar beoordelen ons bestaansrecht en dat van de ander op basis van de norm. Gedrag en persoon worden één. ‘Waarom is dit gedrag goed, omdat het de norm is. Waarom is dit de norm, omdat dit gedrag goed is’. Je mag meedoen als je met jouw gedrag aan de norm voldoet. De norm is conflict De tweede manier van omgaan met de norm, is door je ertegen te verzetten. Alles aan de norm is verkeerd. Hierin heeft het oordeel de overhand. Dit maakt dat ofwel de mensen die zich aan de norm houden verkeerd zijn, of dat je jezelf constant veroordeeld voor het ‘afwijken van de norm’. Je blijft hierin zoeken naar bevestiging van mensen die er net zo denken als jijzelf. Tegelijkertijd heb je geen idee van de waarden waar je zelf voor staat. In feite ontleen je jouw bestaansrecht nog steeds aan een norm en aan ‘juist’ gedrag – al zij het niet deze norm en niet dit gedrag. Dit kan doorslaan in negatieve onaangepastheid, waarbij je alleen voor je eigen afwijkende positie gaat en zonder oog te hebben over de behoeften en perspectieven van anderen. Het is eenzaam contact. De norm is duaal De derde manier van omgaan met de norm is door de dualiteiten op te merken waartussen je beweegt. Je hebt oog voor de waarden waarop de norm oorspronkelijk gebaseerd was en voor de redenen voor jouw conflict hierover. Je ziet beide kanten. Je bent echter nog niet in staat houvast te vinden tussen deze kanten. Vanuit het inzicht in de dualiteit, ontstaat echter wel een fundament voor de waarden waar je voor wil staan. Hoewel je begint in te zien dat je bestaansrecht en dat van de ander losstaat van gedrag, mening, inzicht en ervaringen en dat je verschillen tussen mensen nodig hebt voor het maken van verbinding, lukt het nog niet altijd om hiernaar te handelen. Het daadwerkelijk afwijken van de norm, vanuit het besef dat jouw bestaan hier niet vanaf hangt, gaat gepaard met angst. De norm is dialectisch De vierde manier van omgaan met de norm is met dialectiek. Dit wil zeggen dat er dialoog plaatsvindt tussen de dualiteiten. Je ziet ze niet meer als elkaar uitsluitende tegenstellingen waartussen je moet kiezen, maar weet ze met elkaar te integreren. Vanuit hier besef je dat het bestaansrecht van mensen losstaat van het gedrag wat ze vertonen. Of je nu wel of niet voldoet aan de norm, je mag een waardige plek innemen in de wereld. Vanuit dit besef bouw je waarden op van waaruit je kan handelen. Je hebt hierin oog voor zowel jezelf als de ander. De ander de ook anders is. Je durft positief onaangepast te zijn ten aanzien van de norm, omdat niet de norm maar de mens leidend is. De norm is wat is De vijfde manier van omgaan met de norm is haast bovenmenselijk. Hierin handel je vanuit wat is, heb je volmaakt oog voor het verschil zonder oordeel en weet je in de essentie verbinding te leggen. Het beste voorbeeld van iemand die dit deelde is Jezus. Hij had buitengewoon respect voor zichzelf en voor de ander en kon zichzelf vanuit daar opofferen – zonder hier status aan te hoeven ontlenen. Vanuit dit perspectief hebben mensen waarde omdat ze zijn en de menselijke identiteit is geworteld in het grotere geheel, in plaats van in het zelf. Je ziet een zekere ontwikkeling in bovenstaande vormen van omgaan met de norm. Waar mensen zich eerst afhankelijk opstellen kunnen ze zich ontwikkelen tot een stevig persoon met een verankerde identiteit. Hiermee wil ik niet zeggen dat je jouw morele kader uit jezelf moet halen en dat het daarmee draait om een individualistische manier van kijken naar de wereld. Wat mij betreft kan je prima het kader van de norm volgen, als je de persoon en diens gedrag maar van elkaar weet te scheiden en iedereen een plek gunt. Ik kan meedoen, met alles wat erbij hoort Terug naar het voorbeeld uit de inleiding, waarin ik deelde over mijn gevoelens van uitsluiting omdat ik niet voldoe aan de vooropgestelde kaders. Op het moment dat ik het bericht las ging er een gesmoorde kreet van kwetsing door mij heen omdat ik weer niet voldeed. Ik was boos omdat ik mij gereduceerd voelde tot mijn ‘probleemgeschiedenis’. Ik ontmoet daarnaast nu ook een stevig ander geluid, terwijl ik vroeger maanden van slag zou zijn geweest omdat ik mijn bestaansrecht ontleende aan het ‘voldoen’. Nu merk ik dat ik oké ben met mezelf en mij daarom op een diepere laag niet afhankelijk voel van het bericht van deze verzekeringsarts. Ik ben gewoon oké met alles wat erbij hoort en daar neem ik verantwoordelijkheid voor. Hoe pijnlijk en confronterend ook is (lees hierover het artikel ‘ Het accepteren van mijn Ferrari motor ’). Mijn persoon en mijn gedrag staan los van elkaar. Daarom heb ik ook geen zin meer in meritocratische schijn, maar leef ik mijn leven op mijn eigen manier. Ik wil niet meer worden zoals het ‘moet’, maar genieten van wat ik gekregen heb. Voor mij geldt hierin dat ik de ruimte en vrijheid pak om mijn werk zelf in te richten, zodat ik mijn grensen in acht kan nemen en mijn kracht kan inzetten. Dat werkt niet in loondienst - waar contracturen en onvrijwillige verplichtingen onderdeel zijn van mijn week. Door als zzp'er te werken pak ik passende ruimte, waardoor ik kan meedoen - met of zonder arbeidsongeschiktheidsverzekering. En mocht ik nog weer uitvallen? Dan vertrouw ik erop dat ik het kan dragen of op andere manieren om hulp durf te vragen. Om te mogen bestaan Hoef ik niet te zijn zoals het ‘moet’ Om te mogen bestaan Hoef ik niks te fixen Om te kunnen bestaan Heb ik te leven met mijzelf Om te kunnen bestaan Heb ik dat wat er is te ontmoeten Wanneer wij bestaan Ben ik er met mijn verschil van jou Ben jij er met jouw verschil van mij Wanneer wij bestaan Zoeken we contact in het verschil En bouwen we vanuit daar aan ons gezamelijk zijn Meedoen is bestaan Ik Jij Wij [1] Deze theorie is veel uitgebreider dan ik hier beschrijf. Voor meer informatie kan je kijken op www.positievedesintegratie.nl
- Aanpassingspijn bij hoogbegaafden
Klachten Regelmatig spreek ik hoogbegaafde jongvolwassen cliënten die zich schuldig voelen over de ‘onnodige’ klachten waarmee zij zich ‘aanstellen’. Het gaat bijvoorbeeld om klachten zoals slapeloosheid, angst, stress en neerslachtigheid. Ze voelen zich ‘uit balans’, leggen een hoge lat voor zichzelf, zij zo bang om te falen dat ze niet meer in beweging komen of niet meer stil kunnen zitten, hun hoofd is vol en ze hebben het idee het ‘allemaal niet aan te kunnen’. Ze voelen zich schuldig omdat ze met deze klachten anderen tot last zouden zijn – iets wat ze absoluut niet willen. Daarom onderdrukken ze wat ze voelen en veroordelen zichzelf. Hierdoor belanden ze in een doorlopend patroon van eenzaamheid rondom de ‘ik moet het zelf doen’ overtuiging, waarna er emotionele ‘ontploffingen’ volgen waarmee de omgeving vervolgens geen raad weet. Het gevoel van eenzaamheid wordt hiermee bevestigd. Afgesneden Van jongs af aan leren we welk gedrag wel en welk gedrag niet is toegestaan in sociaal contact. Voor het opgroeien van een kind is dit een belangrijke toegevoegde waarde om te leren omgaan met de wereld om je heen. Wanneer er daarnaast voldoende ruimte en stimulans is om je eigen identiteit te ontwikkelen, groei je op tot een volwassene die zich zowel kan verhouden tot de (sociale) wereld en zich met anderen kan verbinden, als dat je zelf tot bloei komt door je authentiek te durven onderscheiden. Er is balans tussen verbondenheid en autonomie. Bij hoogbegaafden valt mij op dat er in dit proces vaak iets niet helemaal lekker loopt. Vanwege de intense manier van leven met lichaam en geest (zie ook hoogbegaafd en hoogsensief ), ervaar je vaak weinig spiegeling met anderen. Zeker hoogbegaafde meisjes vallen niet op, omdat meisjes vaker van nature geneigd zijn zich aan te passen (jongens zijn vaker geneigd om tegendraads te worden). Daar komt bij dat deze intense manier van zijn, vaak als ‘irrationeel’ of ‘te’ wordt bestempeld, omdat de verschillen in de wisselwerking tussen de hoogbegaafde persoon en de directe omgeving door beide partijen vaak niet worden begrepen. Om erbij te horen en gezien te worden ‘snijden’ hoogbegaafden daarom stukken af van zichzelf (figuur 1). Figuur 1: Frequentie verschillen In figuur 1 zijn schematisch drie frequentielijnen weergegeven die de manier van denken, voelen en ervaren van verschillende mensen representeren. De gemiddelde frequentie is de oranje frequentie. Mensen die omennabij deze frequentielijn functioneren ontmoeten elkaar gemakkelijk en spiegelen elkaar. Zo leren ze zichzelf en de ander kennen. Zo leren ze de wereld begrijpen en zich ertoe verhouden. Hoe intenser de frequentielijnen (groen of blauw), hoe meer moeite je moet doen om je te spiegelen aan de gemiddelde en meest voorkomende frequentie. Er zijn minder spiegelbeelden op basis waarvan je jezelf en de ander kan leren kennen. Omdat in onze kinderjaren verbinding voor autonomie gaat, is het niet verwonderlijk om de stukken van jezelf die niet binnen de range van de oranje frequentie vallen, weg te knippen. “Vroege emotionele ervaringen vloeien voort uit behoeften die door de omgeving voldaan of gedwarsboomd werden. De omgeving keurt ze goed of af” (Lambrecht, 2022. blz. 72). Zo lijk je de verbinding in stand te kunnen houden. In feite is er sprake van schijnverbinding. Zo’n 80% van de blauwe frequentie moet hiervoor worden weggezet als ‘niet-toegestaan’. Een vertroebeld spiegelbeeld Deze manier van ‘afsnijdend-aanpassen’ is buitengewoon pijnlijk. Begrijp me goed, het gaat hier niet om beleefde aanpassingen aan de norm door rekening te houden met anderen. Het gaat hier om het wegsnijden van essentiële delen van jezelf. Ik herken het helaas maar al te goed. Mijn leven lang heb ik niet begrepen waarom ik zo vaak verwarring ervaar in sociaal contact. Nu begrijp ik dat er geen sprake was van een frequentieverschil (hier zit overigens geen enkel waardeoordeel aan vast). De prikkel- en emotionele gevoeligheid waarmee ik leef doen me zowel ontploffen van de energie en ideeën, als dat ze me doen uitputten. Dat kan elkaar onverwachts afwisselen; de onuitputtelijke kennishonger naar meer complexiteit werkt afstotend en uit angst om daarin geen sparringpartner te vinden slik ik mijn enthousiasme vaak in; de discrepantie tussen het onvermogen wat ik ervaar vanwege dyslexie in combinatie met een brein wat zo snel verbanden legt dat ik niet te volgen ben voor anderen, deed me overtuigen dat ik helemaal niks kon; de soms bizarre moeite die ik moet doen om simpele dingen te begrijpen en het gemak waarmee ik gelaagdheid omarm, doen mij nog altijd het gevoel geven dat er iets mis is met mij. Vele jaren heb ik mijn best gedaan om me aan te passen in de zoektocht naar evenredige spiegeling – een stille en stervende hoop op het vinden van verbinding - alles met als doel om erbij te horen. Aanpassen leek de enige oplossing en dat maakte mij diep bedroeft en eenzaam (zie ook Bestaansrecht ). Zo sloop de overtuiging erin dat ik alleen kon bestaan wanneer ik zo zou zijn als anderen. Mijn waarde en identiteit zou afhangen van ‘gezien worden’. Gelukkig weet ik inmiddels beter. Aanpassingspijn bij hoogbegaafden Dit patroon zie ik ook bij veel van mijn cliënten – met allerlei risico’s en gevolgen van dien. Met psychische en psychiatrische klachten zijn hoogbegaafden vaker dan gemiddeld bekend. Van depressie tot paniekaanvallen en van verslaving tot dissociatiestoornissen. Alles om maar niet te hoeven ervaren hoe eenzaam het leven is – terwijl je zo je best doet om erbij te horen. Lichamelijk zorgt het onderdrukken van kanten van jezelf daarnaast voor onbewuste chronische stress die je lijf van binnenuit letterlijk ziek kan maken. Chronische stress bevorderd de cel degradatie en belemmert het cel-herstel. Bijvoorbeeld kankercellen worden hierdoor uiteindelijk minder goed opgeruimd met alle gevolgen van dien. Met grote waarschijnlijkheid heeft het onderdrukken van essentiële kanten van mijzelf bijgedragen aan de chronische ziekte die ik heb en de chronische pijn die ik dagelijks ervaar (zie ook Gezondheid ondanks ziekte ). Op momenten dat ik hierbij stil durf te staan, vind ik dat buitengewoon schrijnend. Wat niet-toegestaan is, schreeuwt om gezien te worden De psychische en lichamelijke symptomen zijn dus geen probleem in zichzelf, maar een uiting van het feit dat je ziek wordt van het afsnijden van essentiële kanten van jezelf. Gelukkig biedt het leven kansen om alles wat niet is afgemaakt alsnog af te maken (zie ook Emotionele afronding en Een existentiële zoektocht naar normaal gedrag ). De symptomen die ik ervoer en die ik bij mijn cliënten zie zijn daarom geen probleem, maar een oprechte schreeuw om aandacht. Het lichaam en het leven vragen erom de kanten die naar de achtergrond zijn verbannen, alsnog zichtbaar te maken. Je bent ermee geboren dus je mag het gebruiken! Van aanpassingspijn naar authentieke verbinding Hoe doe je dat nu? De kanten ontdekken en laten zien die ‘niet-toegestaan’ lijken te zijn in contact en waardoor je altijd een gevoel van vervreemding hebt ervaren in relatie tot anderen? Allereerst door je bewust te worden van het feit dat aanpassing is wat je nodig had om te komen waar je nu bent. Aanpassen was jouw manier om te overleven en dat heb slim gedaan. Vanuit dit bewustzijn en de acceptatie daarvan, ontstaat er ruimte voor iets nieuws – het creatieve midden wordt ervaarbaar (zie ook Het creatieve midden ). Hoe dat ‘nieuwe’ er voor jou concreet uitziet weet ik natuurlijk niet. Voor mijzelf gaat het om de zoektocht naar wat mijn plek echt is. Ik sta mijzelf toe om te zijn met alles wat daarbij hoort – niet meer en niet minder, maar precies genoeg. Dat wil zeggen dat ik af durf te wijken, zonder dat ik dit veroordeel van mijzelf. Het leuke hieraan is ik anderen hier indirect ook mee toesta af te wijken. Dit biedt de kans om elkaar echt tegen te komen in plaats van dat we ons terugtrekken op ons eigen eenzame eilandje (figuur 2), of alleen maar bezig zijn met de plek van de ander (figuur 3). Door mezelf te zijn met alles wat erbij hoort, kan ik jouw tegenkomen op de contactgrens (figuur 4). En dat maakt het leven een stuk relaxter. Benieuwd naar hoe we samen onbegrepen kunnen zijn? Ik sta altijd open voor een vrijblijvende kennismaking. Figuur 2: Eenzame eilandjes Bovenstaande figuur geeft twee posities weer. Die van die van jezelf en die van de ander. Wanneer jij je terugtrekt omdat je denkt dat niemand je begrijpt, sluit je de ander buiten. Hierdoor ontstaat er afstand, waardoor je onbereikbaar en eenzaam wordt. Je hoeft je niet gezien en kan de ander ook niet meer zien. De eenzaamheid kan zo hardnekkig zijn dat je erin verdrinkt (verlammend zelfmedelijden) – dit wakkert het verlangen aan voor versmelting. Figuur 3: Versmelting Bovenstaande figuur geeft twee posities weer. Die van die van jezelf en die van de ander. Wanneer je altijd bezig bent met wat de ander nodig heeft of wat de ander van je vindt omdat je er zelf graag bij wil horen, ga ja als het ware op de stoel van de ander zitten. De ander zit hier niet altijd op te wachten. Daarnaast komt je eigen stoel leeg te staan. Het risico wat je dan loopt is dat iemand anders op jouw stoel gaat zitten, bijvoorbeeld door het oordeel van de ander te persoonlijk te maken. Het voelt dan alsof de ander over je heen loopt. Hierdoor loop je het risico dat je identiteit wordt bepaald door de mening van de ander, waardoor je zelf verdwijnt. Dit kan niemand eeuwig uithouden, waardoor je uiteindelijk uit contact gaat – dit wakkert het verlangen naar je eenzame eilandje aan. Figuur 4: Contactgrens Wanneer jij op jouw plek zit, kan de ander op diens plek zitten. Je bent dan allebei wie je bent met alles wat daarbij hoort en je kan elkaar tegenkomen vanuit een gelijkwaardige positie – ongeacht de verschillen die jullie kenmerkt. Geïnspireerd door: - Bouwkamp - Garbor Mate - Gestaltpsychologie - Psychoneuroimmunologie
- Professionele nabijheid
"Ik heb me nooit zo gezien gevoeld, dan toen jij liet zien dat je ook mens bent" -2025 ‘Ik ben de professional jij bent het probleem’ Toen ik 10 jaar geleden psychologie studeerde werd er tijdens het vak ‘gespreksvoering’ op gehamerd dat ik mij aan het protocol van het gesprek moest houden. Hiermee bewaarde ik de afstand tot de cliënt en onderzocht ik objectief wat het probleem was. Mijn (in)zicht op het probleem van de cliënt was het belangrijkste doel van het gesprek. De emoties die ik hier eventueel bij voelde, mocht ik vakkundig onderdrukken omwille van de client. Zo kon ik het psychisch lijden van de cliënt 'objectief' beoordelen en 'meetbaar' maken, met als doel om de juiste diagnose te stellen en de juiste behandeling te starten. Tjonge wat worstelde ik hiermee. Tijdens deze lessen voelde ik mij vervreemd en gefrustreerd. ‘Ik wil graag echt verbinden met de ander en mijzelf inzetten’. ‘Het is belangrijk dat je de vragen van het protocol volgt, want op die manier krijg je het probleem scherp’ deelde de docent met mij. Het lukte mij niet om mij aan dit protocol te houden. Dit komt enerzijds omdat ik er enorm recalcitrant van wordt wanneer iemand mij iets oplegt over de manier waarop ik moet denken, handelen en ademen. Daarnaast merk ik dat ik mezelf verlies wanneer iemand anders heeft bedacht hoe ik contact moet maken. Dat stelde mij teleur. Ik had voor dit vak gekozen omdat ik meer wilde leren over waarom mensen doen, denken, vinden en voelen, wat ze doen, denken, vinden en voelen. Ik wilde oprecht contact ervaren met de ander door mezelf te gebruiken met wat ik gekregen had. Nu voelde ik mij een gedwongen robot. Met de hakken over de sloot heb ik het vak afgerond, omdat ik tijdens het praktijk tentamen vertikte om mezelf protocollair te vervreemden van de mens tegenover mij waar ik zoveel betrokkenheid op voelde. 'Professionele afstand' houden in deze opgelegde vorm past niet bij mij. Ook dit is een persoonlijke ervaring Ik realiseer mij dat dit een zeer persoonlijke ervaring was. Mijn punt met dit artikel is daarom niet om alle psychologieopleidingen over één kamp te scheren of om de wetenschappelijke methode van diagnostiek te veroordelen. Mijn doel is niet om polarisatie te creëeren over de manier waarop we met psychisch lijden om moeten gaan. Elke therapeut is immers anders en iedere cliënt vraagt een andere aanpak - omdat problemen in ernst en impact verschillen en verschillend worden beleeft. Daarbij, de illusie van polarisatie gaat er vanuit dat er zoiets bestaat als een logische tweedeling in het complexe veld van de menselijke interactie. Polarisatie is daarom eerder een versimpeling van de werkelijkheid om er grip op te krijgen, dan dat het de feitelijke waarheid is. Wat ik wel beoog met dit artikel is het delen van ervaringen die ertoe hebben geleid dat ik werk op de manier waarop ik werk. Zo begrijp je beter wat je van mij kan verwachten. Waarom leren we professionele afstand? De logica van deze professionele aftand zit hem in het feit dat je als therapeut op die manier niet 'besmet' hoeft te worden met het lijden van de ander. Hierdoor hoef je ook niet geconfronteerd te worden met je eigen lijden. Zo kan je – dat is de illusie – stevig en duidelijk blijven. Daarnaast is het voeren van een gesprek via een protocol, kwalitatief objectief te beoordelen (al vind ik ook dit een illusie). Het maakt het ‘tastbaar’ en ‘overzichtelijk’, ‘veilig’ en ‘betrouwbaar’. We kunnen het gemakkelijk aanleren aan anderen, omdat er simpelweg een stappenplan gevolgd hoeft te worden en we waarborgen op deze manier de kwaliteit van geleverde zorg. Heel effectief! Als therapeut met professionele afstand hoef je niet actief na te gaan wat de invloed is van de manier waarop je zelf interacteert, op het gedrag van de persoon tegenover je. Met het houden van professionele afstand ga je er vanuit dat er geen wisselwerking plaatsvindt tussen jou en de ander in het moment. De valkuil hiervan is dat je ook geen inzicht hebt in wat je projecteert op de cliënt, laat staan dat je die projectief professioneel kan inzetten ter ondersteuning van het therapeutisch proces. Daar komt nog bij dat het idee van professionele afstand haaks staat op de essentie van de natuur. Je kan jezelf nooit los zien van je omgeving en de interactie met de ander. Er is nooit sprake van twee op zichzelf staande entiteiten die elkaar niet beïnvloeden, ook al houd je professionele afstand. Alles interacteert namenlijk altijd met alles. Van professionele afstand naar professionele vervreemding? Het hele idee van opgelegde professionele afstand maakte dat ik me niet aanwezig voelde bij het gesprek, bij mezelf en bij de ander. Het kon toch niet de bedoeling zijn dat ik met professionele afstand ook professioneel zou vervreemden van de ander? Nog los van wat ik zelf ervoer en hoezeer ik energie weglekte omdat ik een poppenkast aan het spelen was, zag ik ook niet hoe deze afstand het therapeutische proces ondersteunde? Hoe kan een persoon tegenover mij zich gehoord en gezien voelen als ik als therapeut afwezig ben? Hoe kan iemand heling vinden voor diens lijden als hij dat nog steeds alleen moet doen? Hoe kan een cliënt z’n veerkracht aanboren als de therapeut je met z’n ‘professionele afstand’ het gevoel geeft dat die boven je staat (verticale afstand)? Het neven effect van de fixatie op ‘professionele afstand’ is een enorm risico op goed bedoelde ‘ontmenselijking’. Daar pas ik voor! Professionele nabijheid Herstellen van pijn die je in het contact hebt opgelopen, kan alleen in contact met iemand die je nabijheid geeft. Dat kan prima een therapeut zijn. Daarom pleit ik voor professionele nabijheid, in plaats van professionele afstand. Zowel op horizontaal- als op verticaal vlak. Op horizontaal vlak kan de nabijheid zich uiten wanneer de therapeut bereid is zich te laten raken door het verdriet van de ander, en daarbij de vaardigheid heeft ontwikkeld om zelf niet onderuit te schoffelen. Je moet als therapeut in staat zijn om de pijn en verwarring van de ander te verdragen, zonder het direct te willen oplossen of wegpraten. Je moet het echt ondergaan. Door te blijven staan, geef je de cliënt het vertrouwen dat hij het ook kan dragen. Op verticaal vlak kan nabijheid zich uiten door als therapeut met jezelf te komen. Deel met de cliënt wat je raakt in diens verhaal, wat je zorgen, wensen en frustraties zijn. Laat zien dat jij ook mens bent en dat je iets van de pijn herkent. Hiervoor is het belangrijk dat je inzicht hebt in je eigen pijn, zodat projecties het therapeutisch proces niet vertroebelen maar zodat ze juist gebruikt kunnen worden om een laag dieper te komen. Door nabijheid te geven, te verdragen wat onverdraaglijk is en door jezelf in te brengen in het contact, wordt het gesprek gelijkwaardig, terwijl je tegelijkertijd professionele hulp biedt. Vanuit die veiligheid ontstaat er een mogelijkheid om de veerkracht van de cliënt aan te boren en samen te ontdekken welke kansen de cliënt in zichzelf tegenkomt voor de omgang met diens probleem. Het verdriet dat in contact is ontstaan Kan alleen in contact worden herstelt Geloof mij, als therapeut professionele nabijheid prakticeren is niet gemakkelijk. Steeds opnieuw wordt ik geconfronteerd met mezelf, met mijn overtuigingen, mijn uit de bocht geloven ideeen, mijn pijnpunten, mijn schaamte, mijn schuld, mijn veerkracht, mijn angsten, mijn zorgen, mijn (on)geloof, en ga zo maar door. Hoe vaker eraan gerammeld wordt, hoe sterker er een beroep op mij wordt gedaan om door al die twijfel heen te bepalen waar ik zelf voor sta. En dat voelt de cliënt. Ik ben iemand - net als jij. Ik speelt geen poppenkast, ik doe niet alsof, ik zeg het wanneer ik het ook allemaal niet weet en ik deel mijn standpunt zonder te verwachten dat je die overneemt. In dat samen zoeken en twijfelen, voelen dat de grond soms stevig is en soms als drijfzand voelt, zit de potentie om ondanks alles wat het leven op je pad brengt, ten volle te leven! Dit ben ik, met alles wat erbij hoort! Wie ben jij?
- Van symbiose naar synergie
Ooit was ik één met de emoties van mijn moeder Ooit was ik één met alles om mij heen Mijzelf had ik nog niet leren kennen Primaire symbiose deed bij als baby overleven Opeens was dit niet meer genoeg Opeens wilde ik ook zelf gaan geven Toen kon ik de ander ontmoeten Toen raakten ik en jij autonoom verweven Ik besta! Het leven dwong mij tot identiteit In de breedste en smalste zin van het woord Ze dwong mij tot begrip over wat het betekend om te ‘zijn’ Mijzelf leren kennen wanneer ik jou tegenkom Zo leerde ik dat mijn ademhaling van mij is Dat mijn ‘ik’ van ‘mij’ is Nu zag ik verschillen Binnen mijzelf, in relatie tot jou Al ontdekkend vernam ik Een ‘ik’ bij ‘jou’ als ‘ander’ Zo groeiden we samen Naar een manier om onszelf te zijn Ik ontdekte verschillende verschillen van waarde en acceptatie als genadegave Dit is de voorwaarde om heel te zijn We werkten samen aan het leven Vonden naast harmonie ook strijd Maar we beseften altijd ten diepste dat mijn ‘ik’ naast jouw ‘jij’ meer vult dan enkel de leegte van de eenzaamheid Gelijke gelijkwaardigheid Is het resultaat van respectvol contact Daar ontstaat synergie We zijn samen meer dan we in ons eentje hadden volbracht
- Professionele Kwetsbaarheid
“I am responsible for the other from the start. (…) This is a unique personal experience, so personal in fact that I cannot say that the other is just as responsible for me as I am for him: I am more responsible for the other than the other for me. (…) It is this relationship that also provides access to transcendence, to an exteriority that does not destroy the integrity and freedom of the human being but founds it. Taking responsibility is at the heart of the revelation in the convergence of consciousness and conscience”. Levinas Kwetsbaarheid is niet professioneel ‘Professionele Kwetsbaarheid’. Je eerste reactie op deze titel is wellicht: ‘Kwetsbaarheid is niet professioneel, je dient een gepaste afstand te houden van de persoon tegenover je’. Tot op zekere hoogte is dat natuurlijk waar. Klanten, cliënten, patiënten of collega’s zijn er niet om jou sores op te lossen. Professionaliteit verondersteld immers het nemen van verantwoordelijkheid voor jou acties en percepties. Echter, het tonen van kwetsbaarheid in een werksetting, kan net als in privéomstandigheden, bijdragen aan het vinden van verbinding. Verbinding met andere mensen die, daar kom je dan achter, helemaal niet zoveel van jouzelf verschillen als dat je bevooroordeeld veronderstelde: ‘ik zal de enige wel zijn’. Het tonen van die kwetsbaarheid breekt een barrière open. De barrière van perfectie en maakbaarheid, van succes en geluk als doel in zichzelf. Wanneer je werkt met mensen die kwetsbaarheid ervaren, of nadenkt over de kwetsbaarheid van ons leven, is het belangrijk allereerst je eigen kwetsbaarheid te erkennen en te omarmen. Waarschijnlijk gaat het inzetten daarna vanzelf, omdat je dat niet meer los kan koppelen van wie je bent. Je bent immers kwetsbaar als mens. Ik wil je uitleggen hoe ik hiertoe ben gekomen. Kwetsbaarheid als menselijke essentie Lange tijd dacht ik dat ik die kwetsbaarheid, die gevoeligheid, volledig uit mijzelf moest filteren om een professionele houding te hebben. Maar eerlijk? Dat kan ik niet! Kwetsbaarheid door emotionele gevoeligheid is iets wat bij mij hoort. Laat ik dat dan niet ontkennen, maar inzetten. Langzaam wordt daarom mijn overtuiging dat dit juist is wie ik wil zijn; kwetsbaar, ook in mijn werk. En waarom ook niet? Ieder mens is immers kwetsbaar. Het leven in zichzelf verondersteld kwetsbaarheid, omdat we het fenomeen ‘leven’ alleen kunnen begrijpen omdat we de dood kennen. Kenden we de dood niet, dan keken we ander naar het leven en had dit fenomeen waarschijnlijk een andere naam, een andere betekenis en een andere intuïtieve associatie gehad. Misschien bestond het ‘leven’ dan niet eens? Het veronderstelde in ieder geval geen kwetsbaarheid. Vanuit die observatie en erkenning is het voor mij onmogelijk geworden om de menselijke kwetsbaarheid te filteren uit mijn manier van werken. Uit mijn professionele houding. Het zou voor mij ontkenning van een van de essenties van het leven, van de mens, betekenen. Dat is vreemd in de context van zingevingsvraagstukken. Kwetsbaar? Waarom? Daarom zoek ik erkenning voor het fenomeen en de ervaring van kwetsbaarheid. Ook, of juist op de werkvloer. Hiermee bedoel ik niet dat we onszelf allemaal roekeloos moeten gaan gedragen, omdat je ‘kwetsbaar opstellen’ zo belangrijk is geworden. Ik bedoel ook niet dat je nu opzettelijk moet uitlokken dat mensen je kunnen kwetsen. Wat ik wel bedoel is dat we de kwetsbaarheid van het leven mogen inzien en erkennen. De erkenning van die kwetsbaarheid geeft ruimte voor het vinden van veerkracht, ondanks de kwetsbaarheid. Je komt er dan achter dat er een enorme kracht schuilt in kwetsbaarheid. Want kwetsbaarheid erkent de gebrokenheid en machteloosheid van het leven. Het zien van kwetsbaarheid, gebrokenheid en machteloosheid alleen, kan ervoor zorgen dat je in een existentieel vacuüm belandt. Je raakt er wellicht van overtuigd dat alles zinloos, zwaar en lijden is. Maar wanneer het ‘zien’ van onze kwetsbaarheid leidt tot ‘erkenning’, ‘acceptatie’ en ‘omarming’ kan juist die kwetsbaarheid een intrinsieke motivatie teweegbrengen voor het nemen van verantwoordelijkheid voor de dingen die je overkomen in het leven; waar je mee geconfronteerd wordt, wat op jou appelleert. Die verantwoordelijkheid is niet eindeloos. Daar komt de machteloosheid weer om de hoek kijken. Ons kunnen is beperkt, maar het nemen van verantwoordelijkheid voor wat op jou weg komt, kan wel bijdragen aan een gevoel van zingeving. Je doet wat je kunt; dat is zinvol. Wanneer iemand zich kwetsbaar voelt, wanneer jij je kwetsbaar voelt, heb je de verantwoordelijkheid dit niet te ontkennen, hier niet voor weg te open, maar het te omarmen en te gebruiken. Zoek jouw kracht in je kwetsbaarheid. Zoek welke gebrokenheid jou motiveert om in beweging te komen. Mijn kwetsbare gebrokenheid Mijn motivatie voor dit pleidooi over professionele kwetsbaarheid, komt voort uit die diepe ervaring van kwetsbaarheid. Het gevoel dat ik elk moment uiteen kan spatten of dat het leven als een vloedgolf over mij een spoelt en ik erin verdrink. Het idee dat ik geen kant op kan en klem zit in systemen, gedachtenpatronen, gewoonten waar ik vanaf wil en de angst dat wat ik ook doe er niet toe doet omdat het nooit genoeg zal zijn. Het zien van zoveel gebrokenheid, zoveel leiden, dat verscheurt mij vanbinnen. Trekt mij uiteen. Maakt dat ik mij voel depersonaliseren. Dat ik het liefste weg wil rennen, ook al heb ik geen idee waar naartoe. Ik kan niks doen, ik ben machteloos… Het voelt eenzaam. Het voelt alleen. Steeds vaker ben ik dit gaan delen met anderen. En wat bleek, het kwetsbaar opstellen over deze kwetsbaarheid, gaf herkenning. Die ander had een soort gelijke ervaring, vanuit het eigen perspectief weliswaar. Hoe uniek onze beleving van het leven ook is, we vonden elkaar op een dieper niveau en hoefden niks meer uit te leggen. Ik was niet de enige, en die ander voelde zich gezien omdat de kwetsbaarheid er zijn mocht. Professionele Kwetsbaarheid Dat is de reden waarom ik denk dat het waardevol is om kwetsbaarheid in te zetten, ook in de professionele omgeving. Dit doe ik door de kwetsbare gebrokenheid die ik ervaar en om mij heen zie, recht in de ogen te kijken. Ik wil er niet meer voor weglopen, maar ik wil er ook niet in blijven hangen. Ze inspireert mij om het beter te doen en om de verbinding aan te gaan met mensen om mij heen. Om over barrières heen te stappen, hoe moeilijk dat wellicht ook is. Ze motiveert mij om elke dag, hoeveel pijn ik ook ervaar en hoe slecht ik ook geslapen heb, weer uit bed te stappen. De erkenning van mijn kwetsbaarheid voorkomt mijn depressiviteit. Er ontstaat veerkracht en daadkracht vanuit die kwetsbaarheid, die bruikbaar is als professional. ‘Professionele Kwetsbaarheid’. Veerkracht betekend zoveel als dat je in staat ben om te gaan met de grillen van het leven. Je weet jezelf te adapteren, zodat je kwaliteit van leven vooral verandert in plaats van ondragelijk wordt aangetast. Niet omdat je niet lijden mag, maar omdat je je lijden erkent en er je weg mee vindt. Daadkracht houdt vervolgens in dat die veerkracht je aanzet tot actie. Je komt in beweging. Je daden worden krachtig omdat je weet waar je voor gaat, waar je voor strijdt. Ondanks de gebrokenheid, of wellicht zelf dankzij de gebrokenheid. Het tonen van kwetsbaarheid is daarom mijn instrument. Het is een middel geworden om verbinding te vinden met anderen. Niet om mijn eigen problemen op te lossen, maar om een connectie te maken op het niveau waar woorden tekortschieten en waar je weet dat het oke is. En ik geniet enorm van die diepe verbindingen die hierdoor ontstaan: alsof ik een glimp mag krijgen van iemands ziel. Even de schoonheid mag zien van de uniekheid van de ander. Zonder opsmuk, zonder vooroordeel. Puur en eerlijk. Open en veilig. Het gaat dan niet meer om mijn verhaal en mijn ervaring met kwetsbaarheid, mijn lijden of mijn verdriet. Het gaat om wat het met de ander doet en wat het bij diegene losmaakt. Het tonen van kwetsbaarheid blijkt een schakel te kunnen zijn in het proces van de ander. Daarom voel ik de drive om die kwetsbaarheid steeds verder te professionaliseren en in te zetten als kracht? Het is onderdeel van wie ik ben en daarom onderdeel van mijn werk. Het meest lastige wat ik vind aan het zijn van ZZP’er, is dat het ‘succes’ van mijn bedrijf staat of valt met mijn eigen zelfvertrouwen. Mijn overtuiging was dan ook dat ik altijd heel zelfverzekerd zou moeten zijn. Maar zeg nou zelf, wie is dat nou? Dan zou mijn werk niet ‘echt’ zijn.
- Ik Voel Iets!
Ik voel iets! Maar het voelt als niets Ik voel niets en alles tegelijk Iets voel ik in het niets, omdat ik iets als niets bekijk Mijn lichaam is verward - verstart Het iets raakt me niet, het steekt Het koestert niet, maar blijft alleen Het is niet veilig, maar verlaten Verwijderd – alleen gelaten Het iets wat ik voel is pijn Overspoelende prikkels die wel (ver)werken, maar niet doen leven Dood voor de veiligheid? Verloren in de liefde Overspoelt door wat kan zijn Zwevend tussen hemel en aarde Lichaam en geest – gespleten Mijn ziel die voelt Mijn hoofd die denkt Mijn lichaam huilt De verbondenheid is geen zekerheid Voorstellingsvermogen leidt tot idealistische paniek Wat is waarheid? Wat is strijd? Waar is de schoonheid in deze tijd? Pure gebroken en geheelde verbondenheid!
- Ik Ben Kwijt
Ik weet niet wat ik voel, veel en weinig tegelijk overweldigend & vol, leeg starend in oneindigheid Ik weet niet wat ik denk, Chaos is het in mijn hoofd Tientallen gedachten En toch zo inhoudsloos Ik kan er niet bij, ik kan het niet vatten Niets voel ik En alles tegelijkertijd Alsof de wereld zich over mij heen spoelt Ik ben kwijt Want, Ben ik er wel Wanneer ik niet weet wat dat inhoudt? Ben ik er wel Wanneer ik niet voel Ben ik wel ‘ik’ Als ik geen contact heb Ben ik wel ‘ik’ Als ik opga ik het geheel Mijn verloren zelf voelt onveilig Uit het lood geslagen en alleen De veelheid maakt dat ik niks kan onderscheiden Het is een kleurloos kleurenpallet Strijdend, lijdend zoekend naar identiteit De verbinding is verbroken Mijn ziel is heengegaan De essentie van het leven Vind in mij een doods bestaan Ik smacht naar die verbondenheid Met de ander, het geheel Maar juist dat verlangen is verstikkend Zolang ik mijzelf niet heel
- De Controle Paradox
Alle mensen hebben een behoefte aan een gevoel van controle. Onze toekomst is vol met onzekerheden. Het zoeken naar controle geeft je als mens een schijngevoel van grip op de onbekende toekomst. Hierdoor heb je het idee ‘veilig’ te zijn in het nu. Dat gevoel van veiligheid is essentieel om te kunnen ontspannen. Je kan pas rust ervaren wanneer je niet constant over je schouder hoeft te kijken. Heel functioneel voor je als je wil overleven. In onze drukke samenleving heeft dit een keerzijde. We denken grip te kunnen krijgen op onze toekomst door te plannen. Druk, druk, druk en je agenda is vol. Geen tijd voor ademhalen. Even, heel even heb je hierdoor een gevoel van veiligheid. Maar op de lange termijn kom je zonder dat je het in de gaten hebt vast te zitten in beklemming. Je behoefte aan veiligheid gaan ten koste van je vrijheid. Je overleeft, in plaats van dat je leeft. Als ik voor mezelf spreek wil ik in tijden van grote stress de touwtjes nog strakker aantrekken. Hoe onzekerder mijn toekomst lijkt, hoe groter mijn behoefte aan controle. Op het obsessieve af. Hierdoor beland ik in een wanhopige loop van gevangenschap. Mijn eigen brein heeft mijn lichaam geketend. Ik geniet niet meer, maar voel me angstig en alleen. In plaats van rust en veiligheid kom ik onrust en verstikking tegen. Dat wat mij moest redden (controle) deed mij ten ondergaan. Dat wat mij moet redden (controle) doet mij ten ondergaan. Wat hieraan ten grondslag ligt is mijn onvermogen om om te gaan met onzekerheid. Twee vormen van onzekerheid, om wel te verstaan. Ze hangen nauw met elkaar samen. Wanneer de obsessieve controledrang overheerst is dat voor mij een teken dat ik niet kan verdragen dat mijn toekomst onzeker is en dat ik overgeleverd ben aan het onbekende. Dit onvermogen wordt aangewakkerd door onzekerheid over mijzelf. Ik geloof diep van binnen blijkbaar niet dat ik veerkrachtig genoeg ben om te kunnen dragen wat de toekomst mij te bieden heeft. Of ik denk dat ik niet over de juiste vaardigheden beschik. Deze diepe overtuiging helpt mij in geen enkel opzicht. Ze maakt mij nog krampachtiger, waardoor mijn lichaam in de overlevingsstand blijft. Los van het enorme verlies van levenslust wat hiermee gepaard gaat, belemmert het ook mijn vermogen om open te staan voor nieuwe dingen. Leren wordt hierdoor onmogelijk. Logisch dat ik vervolgens niet geloof ik mijn eigen veerkracht. Ik gun mezelf niet eens de kans om struikelend en stuntelend de toekomst te onderzoeken, te vallen en bovenal mezelf liefkozend te pushen weer op te staan. Ik gun mezelf niet om met hernieuwde kracht en levenswijsheid de volgende uitdaging te omarmen. Ik verwacht blijkbaar dat ik het allemaal al moet kunnen voordat ik überhaupt weet wat ik in de toekomst nodig heb. Of ik ben te bang te ontdekken dat het wel lukt en dat er ‘verrek nog aan toe’ geen enkele reden is om mijzelf het leven te ontzeggen. Er is geen enkele reden is om mijzelf het leven te ontzeggen Faalangst? Succesangst? Geeft het een naam. Het helpt in ieder geval niet. Mijn drang naar controle door grip te houden op een onzekere toekomst, maakt me ziek, uitgeput, eenzaam en levenloos. Ik leef niet in het hier en nu. Ik adem niet maar hijg, zucht en steun. Ik durf mijzelf niet te zijn in het moment. Steeds denk ik na over hoe ik had moeten wezen of hoe ik zou moeten worden. Ik ben op de vlucht voor het verleden en de toekomst en maak mijn leven zo tot één grote verstrikking. Controle is een illusie die mij kwetsbaar maakt. Controle is een illusie die mij kwetsbaar maakt. Maar wat dan wel? Ik blijf als mens toch een behoefte hebben aan controle? En dat klopt, die behoefte kan ik niet uitzetten. Maar ik kan mijn invloed wel terugbrengen naar het enige moment waar ik die invloed heb: het hier en nu. In het hier en nu kan ik regie nemen waardoor ik de controledrang over toen en straks kan laten gaan. Nú geef ik mezelf niet meer over aan angst voor onzekerheid maar kies ik voor het leven. In het nú vind ik betekenis via contact met anderen of via het verhaal wat ik over mijzelf vertel. Alleen in het nú kan mijn leven zin hebben. Alleen in het nú kan ik iets doen. Laat ik daarom het improviseren omarmen! Improviseren mag meer aandacht krijgen. Hiermee bedoel ik niet dat ik mij niet meer voorbereid of nergens meer over op anticipeer. Hiermee bedoel ik dat je erop vertrouwt dat je kan handelen met wat nodig is in het hier en nu, ook wanneer je niet weet wat het toekomstige ‘hier en nu’ nodig gaat hebben. Het leven is vol van chaos en complexe correlaties die zichzelf niet laten uitleggen, hoe veel je ook je best doet grip te krijgen op oorzaken en gevolg. Daarom is het kiezen van de beste volgende stap in het moment het enige waar je grip op hebt. Zo raak je niet beklemt en angstig in verwachtingen over de toekomst die anders uitpakt, maar blijf je flexibel in je reactie. Je komt niet vast te zitten in overtuigingen over hoe je denkt dat ‘het zit, zat of zou moeten zijn’ in je eigen leven, in dat van een ander of ten aanzien van complexe problemen waar je mee te maken hebt. Nee, je bent open voor nieuwe informatie en trekt hier lering uit. Ineens blijk je heel veerkrachtig te zijn. In het nú is iedereen gelijkwaardig. Wat een verademing! Wat een bevrijdende veiligheid! Voor het schrijven van dit artikel heb ik inspiratie gehaald uit een aantal theoretische concepten en stromingen: - Psychoneuroimmunologie - Cynefin Framework - Gestalt Psychologie
- Gezondheid ondanks ziekte
Merijne Hazenoot-Hoorn, Public Note, December 2021 Abstract Based on a personal story, I explain three reasons why it is important that caregivers pay attention to the life-story and search for meaning of a person with a chronic disease in the middle of his/her life, during the diagnosis and treatment process. 1) Being chronically ill can disrupt the chronology of a life-story, whereas seeing cause and effect in a life-story can give people a sense of meaning. 2) This sense of meaning can result in an experience of health, despite illness. 3) However, during the diagnosis and treatment process there may be power tension between the caregiver and the care-receiver. Giving attention to these things and what it means to be sick, can overcome this. Therefore, I also explain the possible contribution of reflexive spaces against power tension and towards the attention of the life-story and search for meaning of a person with a chronic disease in the middle of his/her life. Lessons for practice 1) More attention should be given by caregivers to the life-story and search for meaning of a person with a chronic disease in the middle of his/her life. 2) Caregivers should be more aware of potential power tension between their professional opinion and the needs of a care-receiver given his/her life-story. 3) Reflexive spaces could help to emphasize the life-story of the care-receiver and can help to reduce possible power tension. Being chronically ill has influenced my life-story I am part of the 58% of the entire Dutch population who has one or more chronic conditions. Many think that only elderly have chronic disease, but 40% of all the chronic ill people was younger than 24 in 2019 (public health and care, 2021). These chronic diseases do not necessarily cause early death, but they do have a major impact on the daily lives of these people. My life-story confirms this. When I was a 12-year-old girl, after years of searching they discovered that I had Celiac disease. From one to the other moment, my whole life changed. The doctor told me I had a chronical disease of the intestines, which can only be treated by the elimination of gluten in my diet. After a year or so, I would be healthy again and life a normal live: no further impact. So, good luck with that. I did not even know what gluten were. But ‘no further impact’ could not have been more wrong. Trying to eat healthy and delicious food without gluten was one thing, but I was not prepared for the rest. From now on I always had to bring food for myself, or give explicit instructions, felt left out, or placed in a negative center during social occasions. Not to speak about the fear to fall ill from things other people enjoyed eating. For these reasons, I only saw this disease as a ‘social matter’. My body was ‘healed’, right? However, after a few years I recognized that not all the symptoms were ever gone, I just had ignored them. Some symptoms had come back, even though the test results constantly showed that my body was ‘healed’. Slowly I dared to face the fact that I was chronically ill and that this disease was not ‘simply’ a social matter. Because even if I would deny it or describe it differently, in fact I am chronically ill. Through this I came to see how this disease had influenced many choices in my life. For instance, the influence of this disease on my psychological wellbeing: the anxiety to eat, the fear to fall ill, the urge to control and the unhealthy amount of adaptability towards my social environment because ‘I was afraid to be a burden’. But also, the enormous amount of psychological resilience, the perseverance never to give up and above all, a way of looking at life that was not quite common for adolescences; a large amount of gratitude towards small things. Physical health was not the most important thing for me, it was the search for being meaningful and being grateful despite illness. In some ways the recognition of the fact that I am chronically ill, helped me to take myself seriously. However, I do not view myself as a ‘sick’ person, because despite the physical illness I still experience health through searching and experiencing a life that feels meaningful. The importance of a chronological life-story But experiencing health through meaning is difficult when I feel as if my life-story in relation to the disease is inconsistent. All people have the necessity to tell a chronological life-story. It helps us frame the elements of our personality. Besides, seeing cause and effect through chronology, helps us to make sense of ‘disruptions’ in our life-story, like illness or distress. This helps us to re-establish consistency and meaning in life, which contributes to processing difficult experiences (Zimbardo, Johnson & McCann, 2013). Being chronically ill is an inconsistent experience, which might lead to distress My experience is inconsistent because there is no ‘end’ with this disease. I cannot construct this experience of being ill in my history; looking back at it and thinking ‘right, that was hard, and I do understand why it was hard and how it has influenced my life, lets now deal with the present’. This makes chronical illness a different experience from for instance an infection disease. It will always be there! I therefore experience not only growth, stagnation, or neglect towards the experience, but also fallback, because I must cope and adapt towards the illness depending on the time and space in my life. Often, I experience growth, fallback, and everything in between in the same moment; I want to fight, flight, and freeze at the same time. This can be very confusing. It is like grieving; it never ends, but you must learn to deal with it over and over again, depending on the kind of confrontation. This could result in personal growth, but also in distress and anxiety. Every time I think that I have peace with this disease and focus on the thing that it brought me, instead of the things that could have been, I get confronted with it in a negative way. Then I experience incomprehension, condemnation, or fear that my body will just fall sick again. Every time I think ‘now I know how to relate to it the next time’ and see “the value” of it, life offers new challenges. This sometimes makes me feel like I am back where I started. As if all my resilience is gone and I am too tired to ‘fight’ again. These changes in experience as to the disease is threatening in itself. What if my perseverance is ever used up? Can I trust on my resilience throughout all the inconsistency of life? Will I always be able to keep searching meaning despite this disease? So, an experience of being chronically ill can be very inconsistent. According to Marsman (2021) and Boyer (2021), who both suffer from cancer, it is therefore logic that this experience leads to questions of meaning, which could lead to distress. Life-story, meaning and health Therefore, it is important to give attention to the life-story of people with a chronic disease, during the diagnosis and treatment process, so it can contribute to a feeling of meaning, and therefore a feeling of health. Because even though people are chronically ill, they can still experience health if they feel they are living a meaningful life (Huber & Jung, 2015). ‘Health’ not as a biomedical state, but also an interpersonal experience towards your own life. This could be explained by the idea of Frankl (1954) that the ‘will to meaning’ is the essence of being human; we cannot life without it, because it is what drives us. Besides, meaning also contributes to psychological and biomedical (physiological) health. Early finding of a study of Ryff, Singer & Love (2004) suggest that a sense of purpose results in lower levels of pro-inflammatory cytokines, cardiovascular risk, daily salivary cortisol, and longer duration of REM sleep in ageing women. Fogelman & Canli (2015) showed a faster recovery to pre-stress baseline levels of cortisol due to purpose. And Schaefer, Boylan, Van Reekum, Lapate, Norris, Ryff & Davidson (2013) showed that ‘having purpose in life may motivate reframing stressful situations to deal with them more productively, thereby facilitating recovery from stress and trauma’. These are hopeful effects of a feeling of meaning, especially for people who are chronically ill. Attention to meaning is just as important as attention to the biomedical It is however common in regular care, to only focus on biomedical treatments. Like in my story: ‘When you do not eat gluten, you will be cured’. Even though this was biomedically true, this led to power tension (Tronto, 1993) between the biomedical advice of the caregiver, and my personal needs as care-receiver. Most of my caregivers considered good care for my biomedical condition but did not consider my life-story and search for meaning in their advice. Also, neither when I was older and started to talk about this. This led to a feeling of not being seen and understood; sometimes even the feeling that I was reduced to an irreparable machine. This is worrisome, because we (myself and many with me) are as care-receivers vulnerable and depending on the expertise of the caregiver (Tronto, 1993). With a chronic disease, the ‘machine’ cannot be repaired (Barry & Yuill, 2016). And even though I am happy the disease symptoms are treatable; it has further impact besides the biomedical. It is therefore necessary to talk about what it means to be sick , and what kind of treatment fits your life-story and search for meaning. Attention to someone’s life-story and the impact of chronic disease on the search for meaning, could therefore overcome this power tension, and even contribute to a feeling of health despite illness. Life-story as a starting point in the diagnosis and treatment process: how reflexive spaces can help Reflexive spaces ( spaces where people collectively reflected in a metacognitive way on their own actions and that of other) (Wigg, Aas & Bal, 2019) could help caregivers and care- receivers, to give more attention to these things. During my master thesis I conducted research into how caregivers contribute to quality of life, of which meaning is part, of people with dementia in the palliative phase. I think we can learn something of use from the things I discovered, for the diagnosis and treatment process of people with a chronic disease who are still in the middle of life. The caregivers in my research were very aware of the integral connection between experiencing/searching meaning in life and the biomedical condition of someone. They reached these insights with a multidisciplinary team in reflexive spaces (Wiig, Aas & Bal, 2019). The role of their own frame of reference in the care process was also reflected. It was a safe and open place where people were open to learning through feedback, through dialogue and telling stories. Because they reflected in this way, they reached together with the care-receiver (or his/her family) the most appropriate care-vision for the individual, given his/her life-story. Their shared vision became a protective factor for the possible subjective judgment of one caregiver. This was because they became aware of the possible power tension , which allowed them to influence negative effects of this. This made the life- story of the care-receiver the starting-point of the treatment. Conclusion I argued the positive results of the use of reflexive spaces towards possible power tension between the caregiver and the care-receiver. Even though the care settings of care-receivers with dementia in the palliative phase and care-receivers with a chronic disease in the middle of life, are hard to compare, both groups need attention from the caregiver towards their life- story and search for meaning. Giving attention to the life-story of people with a chronic disease, can result in a less inconsistent experience. This may lead to a greater sense of meaning through chronology. Through this sense of meaning, people can still experience health despite their physical illness. The use of reflexive spaces could be helpful to give more attention to this. It could overcome possible power tension and make the life-story and search for meaning of the care- receiver the starting-point of the treatment. “My history, present and future are all influenced by this inconsistent experience of being ill, even during moments I feel completely healthy. Even though I always strongly resisted the idea that I must identify ‘myself’ with this disease, after 12 years I can no longer deny that disease is part of my identity. The fact that this disease will always be shaping my life, is the only consistent factor in this inconsistent and insecure experience. That is why I search for meaning through my disease, so I feel like being ‘more’ than just a person with a disease that never ends.” (A.M. Hazenoot-Hoorn, 2021) References Barry, A.M. & Yuill, C. (2016). Understanding the Sociology of Health (4th edition). London, United Kingdom: SAGE. Boyer, A. (2021). Het ontsterven. Amsterdam, The Netherlands: Atlas Contact. Frankl, V.E. (1952). The Doctor and the Soul: From Psychotherapy to Logotherapy. Vienna, Austria: Franz Deuticke. Fogelman, N. & Canli, T. (2015). ‘Purpose in Life’ as a psychosocial resources in healthy aging: an examination of cortisol baseline levels and response to the Tier Social Stress Test. Aging and Mechanisms of Disease, doi: 10.1038/npjamd.2015.6. Huber, M. & Jung, H.P. (2015). Persoonsgerichte zorg is gebaat bij kennis van ziekte en van gezondheid: een nieuwe invulling van gezondheid, gebaseerd op de beleving van de patiënt: ‘Positieve Gezondheid’. Bohn Stafleu van Loghum , 31: 589-597, doi: 10.1007/s12414-015- 0072-7. Marsman, L. (2021). In mijn mand, Amsterdam, The Netherlands: Uitgeverij Pluim.Ryff, C.D., Singer, B.H. & Love, G.D. (2004). Positive Health: connecting well-being with biology. Philosopical Transactions B, 359 (1449): 1383-1389. Schaefer, S.M., Boylan, J.M., Van Reekum, C.M., Papate, R.C., Norris, C.J., Ryff, C.D. & Davidson, R.J. (2013). Purpose in Life Predicts Better Emotional Recovery from Negative Stimuli. PLOS ONE, 8 (11): e80329. Doi: 10.1371/journal.pone.0080329. Tronto, J. (1993). Moral Boundaries. New York, United States: Routledge. Volksgezondheid en zorg. (2021). Prevalentie multimorbiditeit naar aantal chronische aandoeningen. Received on September 23 2021, from: https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/chronische-aandoeningen-en- multimorbiditeit/cijfers-context/huidige-situatie#node-prevalentie-multimorbiditeit-naar- aantal-chronische-aandoeningen Wiig, S., Aase, K., & Bal, R. (2019). Reflexive Spaces: Leveraging Resilience Into Healthcare Regulation and Management. Journal Patient Safety , 0 (0), 1-4. Zimbardo, P.G., Johnson, R.L. & McCann, V. (2013). Psychologie een inleiding (7th edition). Amsterdam, The Netherlands: Pearson.
- Verantwoordelijkheid als onvermijdbaar appél
Levinas was Franse filosoof (1906-1995) die veel nadacht over hoe je de verbinding aan kon gaan met mensen om je heen en hoe je daarin wel of niet verantwoordelijkheid kon of zelfs diende te nemen. Een van zijn voorwaarden voor verantwoordelijk wil ik hier bespreken. Ik geef hieraan ook een eigen invulling. Verantwoordelijkheid heb je omdat de ander (iedereen die je tegenkomt) een appèl op je doet: je ziet het lijden van de ander, omdat je herkenning vindt in het lijden. Jouw lijden heeft zin omdat het appèl je er bewust van maakt dat je de ander kan helpen in het lijden. Het lijden is niet goed in zichzelf; het is zinloos. Daarom heeft het als enige doel om het lijden bij de ander te verminderen. Het appèl dat de ander doet is een oproep om ‘zin’ te geven aan de zinloosheid van het lijden. Mijn drang naar verbondenheid, is de diepgaande sensitiviteit voor dat appèl van de ander. Ik zie het, ik voel het, ik ervaar het; omdat ik herkenning vind, omdat het lijden van de ander mij aan mijn eigen lijden herinnerd. Wanneer je het appèl van de ander opmerkt, wordt je persoonlijk ervaren gebrokenheid groter (het overstijgt je persoonlijke lijden): je ziet dat je niet de enige bent die lijdt. Maar wanneer de appèl veroorzaker (nog) niet beantwoord aan de reactie op dat appèl; wanneer je daar niet de juiste invulling op het juiste moment in de tijd aan geeft; of wanneer je zelf het appèl van de ander afwijst, ontstaat er geen verbinding. Wanneer er geen verbinding is tussen de mensen die lijden, er kan geen ‘zin’ ontstaan uit de zinloosheid van het lijden. Hetgeen waarop geappelleerd wordt, wordt afgewezen. Een scheiding van wegen is dan een feit. Er ontstaan niet alleen geen verbinding, er ontstaat ook een scheur in de potentie van verbinding. Je maakt beiden de keus een andere kant op te gaan. De gebrokenheid wordt voelbaar onder je huid, je ademt het, je lichaam zucht en steunt, de pijn bevestigt het gevoel van wanhoop in de onoplosbaarheid van hetgeen verscheurt is wanneer er geen mogelijkheid tot verbinding is. Dan is het ook nog zo dat niet al hetgeen waarop geappelleerd wordt, opgelost kan worden. Ook wanneer je reageert op het appèl, wil dat niet zeggen dat het appèl daarmee minder wordt. Echter, aandacht voor het appèl kan helpen de pijn te verzachten van het feit dat het leven niet maakbaar is; ook dat is een bron voor verbondenheid. Het appèl is daarmee een onbewuste gerichtheid op de ander. Verbondenheid in het leed. Je wordt in relatie gesteld wanneer je iemand ontmoet. Daarom, wanneer verbondenheid wordt afgewezen, is er altijd sprake van gebrokenheid. Het ‘in relatie stellen’, impliceert immers verbinding. Je ontkomt er niet aan: het overkomt je. Dit is de meta-communicatie in de interactie met ieder die je tegenkomt. Deze geappelleerde verantwoordelijkheid is de ethische gevoeligheid voor de verbonden relatie met de ander. Want kwetsbaarheid wordt zichtbaar in het appèl. Daarin hebben de ervaringen met mijn eigen lijden zin gekregen. Ik ben niet alleen wanneer ik jou niet alleen laat in je lijden












