Zoekresultaten
24 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht
- Meedoen zoals het moet, of met alles wat erbij hoort?
Net even anders is net even niet Hoewel ik het had zien aankomen, kwam het als een schok. Was ik te eerlijk geweest? Had ik mijn voormalige probleem groter gemaakt dan nodig? Had ik mezelf onbewust laten zien als de persoon die ‘niks aankan’? Of was hier sprake van onrechtvaardigheid? Discriminatie zelfs? Hadden zij een blinde vlek? Na drie maanden wachten en het delen van allerlei persoonlijke medische informatie, kreeg ik van de verzekeringsarts te horen dat ze de verzekeraar afraden een arbeidsongeschiktheidsverzekering aan mij te verstrekken. ‘Er is door uw psychische voorgeschiedenis sprake van een sterk verhoogd verzekeringsrisico. Helaas moet ik daarom aan de verzekeraar adviseren om u de gevraagde verzekering niet aan te bieden’. Een stroomstoot ging door mijn lijf. Omdat ik in een split second op de feiten van de bittere waarheid werd gedrukt. Helaas, wanneer je leven ‘net even anders’ is gelopen dan meritocratisch geïmpliceerd, val je buiten de boot. Ik mag meedoen, als ik was zoals het ‘moest’ Ik heb mijzelf jarenlang gereduceerd tot een wandelend probleem. Ik zag mezelf een parasiet die gefikst moest worden van een of andere aandoening. Het was op sommige momenten vrij radicaal en meestal op z’n minst zelf ondermijnend. Zo diep zat de overtuiging dat er iets grondig mis was met mij (lees hierover ook het artikel ‘ Aanpassingspijn ’). Inmiddels ervaar ik steeds dieper dat dit beeld eenzijdig, beperkt en irrelevant is. Ja, natuurlijk lopen we er allemaal wel eens tegen onszelf aan en ongetwijfeld bestaan er constructievere gedragingen dan we altijd laten zien. Maar dat wil nog niet zeggen dat je een probleem bent. Veel vaker loop je iets op in de wisselwerking tussen jezelf en de omgeving of de persoon tegenover je. Dat betekent niet dat je jezelf moet ‘herstellen’ van een slechtaardig gezwel. Dat betekent wel dat je elkaar misloopt vanwege een mismatch tussen gedrag en ervaring. Dat is dan wat het is – voor dat moment. Toch werd dat beeld dat ik een wandelend probleem ben, nu aangeraakt. Heel even leek het weer de volledige waarheid van mijn identiteit te vormen. Vanuit het beperkte perspectief van een ‘klachtenoverzicht’ met een impliciet daaraan gekoppeld mensbeeld dat mensen niet veranderen en altijd in ‘dezelfde fouten’ trappen, voelde het alsof ik buitenspel werd gezet. En hoewel ik de integriteit van de arts proef en in het bericht lees dat er zelfs een second-opinion is geweest, is het ook alsof hiermee gezegd wordt dat ik ‘niet mee mag doen’. Voor de zoveelste keer mag ik niet meedoen met alles wat erbij hoort. Ik had alleen mee mogen doen, als ik was zoals het moest – ofzo? Moest, volgens wie? Het verschil dwingt tot een norm Ik begrijp dat er een bepaalde duidelijkheid moet zijn over ‘wanneer’ en de ‘manier waarop’ je meedoet, wanneer we samenleven in een samenleving. Vanuit ons oerverlangen naar verbondenheid, zoeken we steeds naar houvast over wat ons bindt. Zo weten we waar we aan toe zijn en zo weet je precies wat je kan doen om ‘erbij te horen’ en ‘mee te doen’ – ondanks verschillen. Het verschil tussen mensen dwingt ons tot het construeren van een gezamenlijke norm. De norm is voorwaarde om vanuit het oerverlangen naar verbondenheid en de onzekerheden rondom dit verlangen, samen te werken. We moeten het verschil tussen mogelijkheden, kunnen, behoeftes, verlangens, wensen, grenzen, ervaringen, gewoonten, etc. overbruggen met iets wat ons bindt. Of je het nu leuk vindt of niet, we zijn als mensen afhankelijk van elkaar. We hebben een constructieve wisselwerking nodig tussen onszelf en onze omgeving om te kunnen overleven. Anders lopen we het risico op onszelf te zijn aangewezen en dat is in potentie dodelijk (lees hierover het artikel ‘ Een existentiële zoektocht naar normaal gedrag’ ). Vanuit de zekerheid van de norm, krijgen we grip op de complexe wisselwerking tussen verschillende mensen. Het geeft structuur, duidelijkheid en houvast. De norm als universele waarheid Het construeren van een norm is een universeel menselijk gegeven voor groepen mensen die samen iets ondernemen. Het geven van een waardeoordeel over het bestaan van een norm, is daarom simpelweg niet mogelijk. ‘De norm’ wordt echter spannend wanneer dit een maatstaf wordt waaraan mensen hun bestaansrecht – volgens de norm – moeten ontlenen. Het wordt dan een universele waarheid – althans, volgens de mensen die zich scharen achter de betreffende norm. Neem bijvoorbeeld de meritocratische samenleving, waarin mensen op z’n minst hun positie en op z’n triests hun existentie ontlenen aan hun verdiensten. ‘Je mag er zijn als je succes hebt of succesvol bent in de economische zin van het woord’. Dit is een onwijs pijnlijke norm, omdat het geen ruimte biedt voor wie je echt bent maar enkel aandacht heeft voor hoe je zou moeten zijn. De norm als universele waarheid heeft tot gevolg dat mensen iemand proberen te worden die ze niet zijn. Het opofferen van je uniekheid voor de norm en je bestaansrecht laten afhangen van de norm, is – zoals genoemd – niet de initiële intentie van het ‘oprichten’ van een norm. De norm als universele waarheid heeft daarnaast ook tot gevolg dat we elkaar uitsluiten. Wie niet voldoet, redt zichzelf maar. Te bang om onze positie en zekerheden te verliezen, verzanden we onbewust en impliciet in een wij-zij denken. We weten verschillen niet meer op een constructieve manier in de norm te integreren, maar veroordelen verschillen met een beroep op de norm. Wat betekent het dan om mee te willen en mogen doen, als we niet onder het bestaan van de norm uitkunnen en de consequenties ervan dodelijk kunnen zijn? Hoe kunnen we dan wel met de norm omgaan? Vijf manieren van omgang met de norm Geïnspireerd op de theorie van de psychiater Dąbrowski onderscheid ik vijf manieren van omgang met jezelf in relatie tot de norm [1] . De norm is normatief De eerste manier gaat ervan uit dat de norm heeft betrekking op het voorbeeld hierboven. Vanuit hier zie je de norm als universele waarheid op zichzelf. We kijken dan niet meer naar de norm als een menselijke uitingsvorm van behoeften aan ‘verbondenheid’, ‘erbij horen’, ‘meedoen’, ‘grip’ en ‘contact’, maar beoordelen ons bestaansrecht en dat van de ander op basis van de norm. Gedrag en persoon worden één. ‘Waarom is dit gedrag goed, omdat het de norm is. Waarom is dit de norm, omdat dit gedrag goed is’. Je mag meedoen als je met jouw gedrag aan de norm voldoet. De norm is conflict De tweede manier van omgaan met de norm, is door je ertegen te verzetten. Alles aan de norm is verkeerd. Hierin heeft het oordeel de overhand. Dit maakt dat ofwel de mensen die zich aan de norm houden verkeerd zijn, of dat je jezelf constant veroordeeld voor het ‘afwijken van de norm’. Je blijft hierin zoeken naar bevestiging van mensen die er net zo denken als jijzelf. Tegelijkertijd heb je geen idee van de waarden waar je zelf voor staat. In feite ontleen je jouw bestaansrecht nog steeds aan een norm en aan ‘juist’ gedrag – al zij het niet deze norm en niet dit gedrag. Dit kan doorslaan in negatieve onaangepastheid, waarbij je alleen voor je eigen afwijkende positie gaat en zonder oog te hebben over de behoeften en perspectieven van anderen. Het is eenzaam contact. De norm is duaal De derde manier van omgaan met de norm is door de dualiteiten op te merken waartussen je beweegt. Je hebt oog voor de waarden waarop de norm oorspronkelijk gebaseerd was en voor de redenen voor jouw conflict hierover. Je ziet beide kanten. Je bent echter nog niet in staat houvast te vinden tussen deze kanten. Vanuit het inzicht in de dualiteit, ontstaat echter wel een fundament voor de waarden waar je voor wil staan. Hoewel je begint in te zien dat je bestaansrecht en dat van de ander losstaat van gedrag, mening, inzicht en ervaringen en dat je verschillen tussen mensen nodig hebt voor het maken van verbinding, lukt het nog niet altijd om hiernaar te handelen. Het daadwerkelijk afwijken van de norm, vanuit het besef dat jouw bestaan hier niet vanaf hangt, gaat gepaard met angst. De norm is dialectisch De vierde manier van omgaan met de norm is met dialectiek. Dit wil zeggen dat er dialoog plaatsvindt tussen de dualiteiten. Je ziet ze niet meer als elkaar uitsluitende tegenstellingen waartussen je moet kiezen, maar weet ze met elkaar te integreren. Vanuit hier besef je dat het bestaansrecht van mensen losstaat van het gedrag wat ze vertonen. Of je nu wel of niet voldoet aan de norm, je mag een waardige plek innemen in de wereld. Vanuit dit besef bouw je waarden op van waaruit je kan handelen. Je hebt hierin oog voor zowel jezelf als de ander. De ander de ook anders is. Je durft positief onaangepast te zijn ten aanzien van de norm, omdat niet de norm maar de mens leidend is. De norm is wat is De vijfde manier van omgaan met de norm is haast bovenmenselijk. Hierin handel je vanuit wat is, heb je volmaakt oog voor het verschil zonder oordeel en weet je in de essentie verbinding te leggen. Het beste voorbeeld van iemand die dit deelde is Jezus. Hij had buitengewoon respect voor zichzelf en voor de ander en kon zichzelf vanuit daar opofferen – zonder hier status aan te hoeven ontlenen. Vanuit dit perspectief hebben mensen waarde omdat ze zijn en de menselijke identiteit is geworteld in het grotere geheel, in plaats van in het zelf. Je ziet een zekere ontwikkeling in bovenstaande vormen van omgaan met de norm. Waar mensen zich eerst afhankelijk opstellen kunnen ze zich ontwikkelen tot een stevig persoon met een verankerde identiteit. Hiermee wil ik niet zeggen dat je jouw morele kader uit jezelf moet halen en dat het daarmee draait om een individualistische manier van kijken naar de wereld. Wat mij betreft kan je prima het kader van de norm volgen, als je de persoon en diens gedrag maar van elkaar weet te scheiden en iedereen een plek gunt. Ik kan meedoen, met alles wat erbij hoort Terug naar het voorbeeld uit de inleiding, waarin ik deelde over mijn gevoelens van uitsluiting omdat ik niet voldoe aan de vooropgestelde kaders. Op het moment dat ik het bericht las ging er een gesmoorde kreet van kwetsing door mij heen omdat ik weer niet voldeed. Ik was boos omdat ik mij gereduceerd voelde tot mijn ‘probleemgeschiedenis’. Ik ontmoet daarnaast nu ook een stevig ander geluid, terwijl ik vroeger maanden van slag zou zijn geweest omdat ik mijn bestaansrecht ontleende aan het ‘voldoen’. Nu merk ik dat ik oké ben met mezelf en mij daarom op een diepere laag niet afhankelijk voel van het bericht van deze verzekeringsarts. Ik ben gewoon oké met alles wat erbij hoort en daar neem ik verantwoordelijkheid voor. Hoe pijnlijk en confronterend ook is (lees hierover het artikel ‘ Het accepteren van mijn Ferrari motor ’). Mijn persoon en mijn gedrag staan los van elkaar. Daarom heb ik ook geen zin meer in meritocratische schijn, maar leef ik mijn leven op mijn eigen manier. Ik wil niet meer worden zoals het ‘moet’, maar genieten van wat ik gekregen heb. Voor mij geldt hierin dat ik de ruimte en vrijheid pak om mijn werk zelf in te richten, zodat ik mijn grensen in acht kan nemen en mijn kracht kan inzetten. Dat werkt niet in loondienst - waar contracturen en onvrijwillige verplichtingen onderdeel zijn van mijn week. Door als zzp'er te werken pak ik passende ruimte, waardoor ik kan meedoen - met of zonder arbeidsongeschiktheidsverzekering. En mocht ik nog weer uitvallen? Dan vertrouw ik erop dat ik het kan dragen of op andere manieren om hulp durf te vragen. Om te mogen bestaan Hoef ik niet te zijn zoals het ‘moet’ Om te mogen bestaan Hoef ik niks te fixen Om te kunnen bestaan Heb ik te leven met mijzelf Om te kunnen bestaan Heb ik dat wat er is te ontmoeten Wanneer wij bestaan Ben ik er met mijn verschil van jou Ben jij er met jouw verschil van mij Wanneer wij bestaan Zoeken we contact in het verschil En bouwen we vanuit daar aan ons gezamelijk zijn Meedoen is bestaan Ik Jij Wij [1] Deze theorie is veel uitgebreider dan ik hier beschrijf. Voor meer informatie kan je kijken op www.positievedesintegratie.nl
- Professionele nabijheid
"Ik heb me nooit zo gezien gevoeld, dan toen jij liet zien dat je ook mens bent" -2025 ‘Ik ben de professional jij bent het probleem’ Toen ik 10 jaar geleden psychologie studeerde werd er tijdens het vak ‘gespreksvoering’ op gehamerd dat ik mij aan het protocol van het gesprek moest houden. Hiermee bewaarde ik de afstand tot de cliënt en onderzocht ik objectief wat het probleem was. Mijn (in)zicht op het probleem van de cliënt was het belangrijkste doel van het gesprek. De emoties die ik hier eventueel bij voelde, mocht ik vakkundig onderdrukken omwille van de client. Zo kon ik het psychisch lijden van de cliënt 'objectief' beoordelen en 'meetbaar' maken, met als doel om de juiste diagnose te stellen en de juiste behandeling te starten. Tjonge wat worstelde ik hiermee. Tijdens deze lessen voelde ik mij vervreemd en gefrustreerd. ‘Ik wil graag echt verbinden met de ander en mijzelf inzetten’. ‘Het is belangrijk dat je de vragen van het protocol volgt, want op die manier krijg je het probleem scherp’ deelde de docent met mij. Het lukte mij niet om mij aan dit protocol te houden. Dit komt enerzijds omdat ik er enorm recalcitrant van wordt wanneer iemand mij iets oplegt over de manier waarop ik moet denken, handelen en ademen. Daarnaast merk ik dat ik mezelf verlies wanneer iemand anders heeft bedacht hoe ik contact moet maken. Dat stelde mij teleur. Ik had voor dit vak gekozen omdat ik meer wilde leren over waarom mensen doen, denken, vinden en voelen, wat ze doen, denken, vinden en voelen. Ik wilde oprecht contact ervaren met de ander door mezelf te gebruiken met wat ik gekregen had. Nu voelde ik mij een gedwongen robot. Met de hakken over de sloot heb ik het vak afgerond, omdat ik tijdens het praktijk tentamen vertikte om mezelf protocollair te vervreemden van de mens tegenover mij waar ik zoveel betrokkenheid op voelde. 'Professionele afstand' houden in deze opgelegde vorm past niet bij mij. Ook dit is een persoonlijke ervaring Ik realiseer mij dat dit een zeer persoonlijke ervaring was. Mijn punt met dit artikel is daarom niet om alle psychologieopleidingen over één kamp te scheren of om de wetenschappelijke methode van diagnostiek te veroordelen. Mijn doel is niet om polarisatie te creëeren over de manier waarop we met psychisch lijden om moeten gaan. Elke therapeut is immers anders en iedere cliënt vraagt een andere aanpak - omdat problemen in ernst en impact verschillen en verschillend worden beleeft. Daarbij, de illusie van polarisatie gaat er vanuit dat er zoiets bestaat als een logische tweedeling in het complexe veld van de menselijke interactie. Polarisatie is daarom eerder een versimpeling van de werkelijkheid om er grip op te krijgen, dan dat het de feitelijke waarheid is. Wat ik wel beoog met dit artikel is het delen van ervaringen die ertoe hebben geleid dat ik werk op de manier waarop ik werk. Zo begrijp je beter wat je van mij kan verwachten. Waarom leren we professionele afstand? De logica van deze professionele aftand zit hem in het feit dat je als therapeut op die manier niet 'besmet' hoeft te worden met het lijden van de ander. Hierdoor hoef je ook niet geconfronteerd te worden met je eigen lijden. Zo kan je – dat is de illusie – stevig en duidelijk blijven. Daarnaast is het voeren van een gesprek via een protocol, kwalitatief objectief te beoordelen (al vind ik ook dit een illusie). Het maakt het ‘tastbaar’ en ‘overzichtelijk’, ‘veilig’ en ‘betrouwbaar’. We kunnen het gemakkelijk aanleren aan anderen, omdat er simpelweg een stappenplan gevolgd hoeft te worden en we waarborgen op deze manier de kwaliteit van geleverde zorg. Heel effectief! Als therapeut met professionele afstand hoef je niet actief na te gaan wat de invloed is van de manier waarop je zelf interacteert, op het gedrag van de persoon tegenover je. Met het houden van professionele afstand ga je er vanuit dat er geen wisselwerking plaatsvindt tussen jou en de ander in het moment. De valkuil hiervan is dat je ook geen inzicht hebt in wat je projecteert op de cliënt, laat staan dat je die projectief professioneel kan inzetten ter ondersteuning van het therapeutisch proces. Daar komt nog bij dat het idee van professionele afstand haaks staat op de essentie van de natuur. Je kan jezelf nooit los zien van je omgeving en de interactie met de ander. Er is nooit sprake van twee op zichzelf staande entiteiten die elkaar niet beïnvloeden, ook al houd je professionele afstand. Alles interacteert namenlijk altijd met alles. Van professionele afstand naar professionele vervreemding? Het hele idee van opgelegde professionele afstand maakte dat ik me niet aanwezig voelde bij het gesprek, bij mezelf en bij de ander. Het kon toch niet de bedoeling zijn dat ik met professionele afstand ook professioneel zou vervreemden van de ander? Nog los van wat ik zelf ervoer en hoezeer ik energie weglekte omdat ik een poppenkast aan het spelen was, zag ik ook niet hoe deze afstand het therapeutische proces ondersteunde? Hoe kan een persoon tegenover mij zich gehoord en gezien voelen als ik als therapeut afwezig ben? Hoe kan iemand heling vinden voor diens lijden als hij dat nog steeds alleen moet doen? Hoe kan een cliënt z’n veerkracht aanboren als de therapeut je met z’n ‘professionele afstand’ het gevoel geeft dat die boven je staat (verticale afstand)? Het neven effect van de fixatie op ‘professionele afstand’ is een enorm risico op goed bedoelde ‘ontmenselijking’. Daar pas ik voor! Professionele nabijheid Herstellen van pijn die je in het contact hebt opgelopen, kan alleen in contact met iemand die je nabijheid geeft. Dat kan prima een therapeut zijn. Daarom pleit ik voor professionele nabijheid, in plaats van professionele afstand. Zowel op horizontaal- als op verticaal vlak. Op horizontaal vlak kan de nabijheid zich uiten wanneer de therapeut bereid is zich te laten raken door het verdriet van de ander, en daarbij de vaardigheid heeft ontwikkeld om zelf niet onderuit te schoffelen. Je moet als therapeut in staat zijn om de pijn en verwarring van de ander te verdragen, zonder het direct te willen oplossen of wegpraten. Je moet het echt ondergaan. Door te blijven staan, geef je de cliënt het vertrouwen dat hij het ook kan dragen. Op verticaal vlak kan nabijheid zich uiten door als therapeut met jezelf te komen. Deel met de cliënt wat je raakt in diens verhaal, wat je zorgen, wensen en frustraties zijn. Laat zien dat jij ook mens bent en dat je iets van de pijn herkent. Hiervoor is het belangrijk dat je inzicht hebt in je eigen pijn, zodat projecties het therapeutisch proces niet vertroebelen maar zodat ze juist gebruikt kunnen worden om een laag dieper te komen. Door nabijheid te geven, te verdragen wat onverdraaglijk is en door jezelf in te brengen in het contact, wordt het gesprek gelijkwaardig, terwijl je tegelijkertijd professionele hulp biedt. Vanuit die veiligheid ontstaat er een mogelijkheid om de veerkracht van de cliënt aan te boren en samen te ontdekken welke kansen de cliënt in zichzelf tegenkomt voor de omgang met diens probleem. Het verdriet dat in contact is ontstaan Kan alleen in contact worden herstelt Geloof mij, als therapeut professionele nabijheid prakticeren is niet gemakkelijk. Steeds opnieuw wordt ik geconfronteerd met mezelf, met mijn overtuigingen, mijn uit de bocht geloven ideeen, mijn pijnpunten, mijn schaamte, mijn schuld, mijn veerkracht, mijn angsten, mijn zorgen, mijn (on)geloof, en ga zo maar door. Hoe vaker eraan gerammeld wordt, hoe sterker er een beroep op mij wordt gedaan om door al die twijfel heen te bepalen waar ik zelf voor sta. En dat voelt de cliënt. Ik ben iemand - net als jij. Ik speelt geen poppenkast, ik doe niet alsof, ik zeg het wanneer ik het ook allemaal niet weet en ik deel mijn standpunt zonder te verwachten dat je die overneemt. In dat samen zoeken en twijfelen, voelen dat de grond soms stevig is en soms als drijfzand voelt, zit de potentie om ondanks alles wat het leven op je pad brengt, ten volle te leven! Dit ben ik, met alles wat erbij hoort! Wie ben jij?
- Het accepteren van mijn Ferrari-motor
Met de snelheid Ook de stilstand Met de glans Ook de pijn Met het opvallen Ook het wegblijven Met het deelnemen Ook het toekijken Van schittering tot stilstand Zoef, daar schoot hij voorbij! Getraind tot op de velgen, kundig door de bochten. De lak schitterde in de zon, terwijl hij op hoge snelheid voorbijreed. In 2,9 seconden naar 100km/u en met een maximum van 340 km/u. Op deze snelheid kon de Ferrari genieten van het voorbijschietende landschap. Het gaf hem een nieuwe perspectieven op de werkelijkheid. De vergezichten verwonderde hem, terwijl de motor in hem gierde van enthousiasme over het gebruik van z’n kunnen. Wat een topdag! Een dag later, stond hij stil. Zwijgend staarde hij in de leegte terwijl er aan zijn motor gesleuteld werd. Het grote onderhoud was begonnen. De olie werd aangevuld en de motor werd grondig schoongemaakt. Vandaag geen snelheid, maar herstel. Vandaag geen nieuwe perspectieven, maar herbeleven van wat is. Vandaag geen schittering, maar berusting. Vandaag even niet. Leven met een Ferrari-motor Misschien herken je wel iets van dit gevoel; de ene dag barst je van de energie en kom je op hoge snelheid tot de meest wonderlijke creatieve inzichten en de volgende dag ben je uitgeput, leeggezogen en doet je hele lichaam pijn. In de flow doe ik werk voor een week zonder overuren te maken en een andere dag word ik zo uitgeput wakker dat ik al mijn wiskracht moet gebruiken om uit bed te komen. Soms ontplof ik van de energie, terwijl ik het volgende moment als een pudding in elkaar zak. Het ene moment kan ik niet stilzitten van enthousiasme, praat ik op hoge snelheid en hoog niveau en kan ik mezelf amper volgen. Het volgende moment struikel ik al stotterend over m’n woorden of voelt mijn brein zo mistig dat ik de woorden niet kan vinden. Ik ken geen gebalanceerde energiestroom. Er zit niks tussen 0 en 100 (behalve dan die 2,9 seconden). Het grootste deel van mijn leven heb ik mij verzet tegen deze ogenschijnlijk random energie-wisselingen. Het was onvoorspelbaar voor mezelf en vooral voor mijn omgeving. Ik schaamde mij ervoor dat ik vandaag heel veel kan en morgen niks. Het is lastig in de communicatie, omdat ik niet duidelijk kan maken waar iemand met mij aan toe is. Hierdoor had ik het gevoel de ander steeds tot last te zijn – het kan maar zo omslaan dus je weet niet wat je aan mij hebt… Vanuit de overtuiging dat ik ‘onbetrouwbaar’ was, paste ik me aan. Uit man en macht deed ik mijn best om de Ferrari-motor die ik gekregen heb als biologische bedrading, te veranderen in een stabiele stoomtrein of gezellige gezinswagen die – wanneer ze eenmaal op gang zijn – wel door blijven tuffen. ‘Dan’, zo dacht ik ‘zou ik een fijn leven kunnen leiden en zouden mensen mij begrijpen. Dan kan ik er misschien bij horen’. Hyper Brain - Hyper Body Net zoals verschillende auto’s op een verschillende manier worden aangedreven, verschillen ook mensen in hun aandrijving, omdat ze verschillen in bedrading. Een kenmerk van hoogbegaafdheid is het hebben van een ‘ hyper brain en hyper body ’. Dit wil zeggen dat de bedrading intens is afgesteld – zowel voor hun lichaam als voor hun geest. Het kunnen en het onkunde wisselen elkaar daarom snel af. Levensenergie en ziekte horen dan bij elkaar. Dąbrowski legde dit uit aan de hand van vijf overprikkelbaarheden : Emotionele overprikkelbaarheid gaat over het hebben van een breed scala aan genuanceerde, diepgaande, veelzijdige en heftige emoties. Intellectuele overprikkelbaarheid richt zich op het denken en kan zich uiten in leerhonger en een sterke wil om ‘te weten’. De verbeeldende overprikkelbaarheid gaat over het sterke vermogen om te conceptualiseren en te visualiseren. Er is sprake van een grote fantasiewereld. Sensuele overprikkelbaarheid heeft betrekking op het intens waarnemen van zintuigelijke prikkels en het opmerken van details daarin. De psychomotorische overprikkelbaarheid wordt gekenmerkt door een grote hoeveelheid fysieke energie, een liefde voor bewegen, snel praten en rusteloosheid. Deze overprikkelbaarheden kunnen zich uiten op verschillende manieren. De vergelijking met een Ferrari-motor helpt hierbij, daarom schets ik vanuit die vergelijking een voorbeeld-ervaring van wat ik herken bij mijzelf aangevuld door wat ik zie bij cliënten. Wanneer de Ferrari op het circuit rijdt, zit de hoogbegaafde persoon in een energie-flow. De emoties stromen als een warme zee door je heen. Je voelt jezelf en de ander goed aan en weet hierdoor contact te leggen met oog voor het verschil. Het is een verbindende kwaliteit. Het intellect vormt nieuwe theorieën uit elke ervaring die je opdoet, alle informatie is een verrijking voor het ‘weten’ en het ‘kennen’. Vanuit een grote liefde voor de wijsheid ontstaat een rijk wereldbeeld met nieuwe inzichten waar komende generaties ook iets aan hebben. Vanuit de verbeeldingskracht worden er werelden geschept waardoor zowel jijzelf als anderen nieuwe taal en ervaringen krijgen voor dat wat er in hen leeft of dat wat er in de wereld wordt waargenomen. Je geniet intens van elke zintuigelijke waarneming en verwondert je over de schoonheid van het leven. De energie stroomt door je lijf en op hoge snelheid blijf je in beweging – zoals een kind op ontdekkingstocht. De motor van een Ferrari heeft echter ook veel onderhoud nodig. Om betrouwbaar te blijven op de weg en niet te crashen is het nodig dat de Ferrari veel tijd doorbrengt in de garage. Daar staat hij stil. Veel hoogbegaafden slaan dit deel over. De vergezichten op het circuit zijn zo mooi; het leven wat je voelt stromen wanneer de wind langs de glanzende lak blaast is zo’n zegen; dat op tijd aanvoelen dat de olie aangevuld moet worden, iets is wat je bewust moet leren. Wanneer je dit zelf niet doet, doet de Ferrari-motor dit wel voor je. Gewoon door ermee op te houden. Het onderhoud en het herstel zijn namelijk net zo’n volwaardig onderdeel van deze motor als de snelheid en de uitzonderlijke prestaties. In de gedwongen stilstand kunnen emoties je overspoelen als een vloedgolf. Het voelt alsof ze je breken tot je uit elkaar spat en al je zekerheden in rook zijn opgegaan. Het intellect gebruik je dan tegen het leven, als instrument om angstig controle te houden op alle eenzaamheid die je zo diep voelt. De verbeeldingskracht kan ervoor zorgen dat je feit en fictie niet meer kan scheiden, waardoor paniekaanvallen, dissociatie of psychoses geen vreemd gevolg zijn. De zintuigelijke overspoeling zorgt voor vervreemding van je lijf, omdat het simpelweg te pijnlijk is om te verdragen. In plaats van onuitputtelijke energie kom je stil te staan, niet meer in beweging te krijgen. Het is buitengewoon pijnlijk! Aanpassingspijn Door mijn leven lang m’n best te doen van mijn Ferrari-motor een gezellige gezinswagen te maken, onderdrukte ik de behoeften die mijn motor heeft om gezond te functioneren. De energie-uitschieters – en dan vooral de tijd van stilstand – werden hierdoor heviger. Zo heftig zelfs, dat mijn lichaam ziek werd. Ik ondervond letterlijke aanpassingspijn . Op jonge leeftijd ontwikkelde ik hierdoor bijvoorbeeld een auto-immuun ziekte. Hierin ben ik geen uitzondering. Het niet accepteren van de Farrari-motor horen, kan leiden tot toxische stress. Je gaat immers dwars tegen je eigen natuur in. De hyper brain – hyper body theorie laat zien dat een lichaam en geest wat al beraad is met intensiteit, ook intens reageert op deze gedwongen aanpassingen. Er kunnen ‘hyper’ reacties ontstaan zoals allergieën, auto-immuun ziekten, lichamelijke aandoeningen, psychische en psychiatrische problemen. Onderzoek laat zien dat dit significant veel vaker voorkomt bij hoogbegaafden – omdat ze vaak niet leven naar de behoeften van hun bedrading. Ofwel omdat ze niet weten dat dit nodig is, ofwel omdat ze niet weten hoe dit moet, ofwel omdat ze het gevoel hebben dat dit niet kan in deze wereld. Met aanpassingspijn tot gevolg. Het accepteren van mijn Ferrari-motor Een Ferrari-motor functioneert betrouwbaar wanneer hij zowel hard mag rijden, als tijd mag nemen voor herstel. Ik functioneer het beste wanneer ik niet mijn best doe om een ‘stabiel’ energieniveau te hebben, maar oog heb voor mijn uitschieters. De uitschieters in energie horen bij mij, dus het is mijn taak mijn leven zo in te richten dat ik hier verantwoordelijkheid voor kan nemen. Ik vind het geen gemakkelijke taak om hier verantwoordelijkheid voor te nemen. In de acceptatie van mijn Ferrari-motor kom ik daarom zowel vrijheid en opluchting, als verdriet tegen over dat ik het hiermee te doen heb. De vrijheid maakt dat ik mijzelf toesta om hard te rijden op de momenten dat ik daar behoefte aan heb. Ik hoef me nu niet steeds meer aan te passen aan de snelheid van de andere auto’s op de weg. Dat is namelijk dodelijk vermoeiend. Dus kies ik omgevingen waar hard rijden mogelijk is. Het tegenkomen van anderen raceauto’s helpt mij daarbij. Het verdriet over mijn Ferrari-motor komt voor uit het feit dat ik ook een deel van mijn leven aan de zijlijn sta. Omdat er veel onderhoud nodig is, moet ik verdragen dat ik sta toe te kijken hoe anderen auto’s voorbij tuffen terwijl ik even niet mee kan doen. Dat is pijnlijk. Het voelt eenzaam en alleen en dat hoort erbij. Hoe dichter ik bij de acceptatie kom, hoe meer rust ik echter ook ervaar. Het is oké dat het zo werkt voor mij en het is oké dat ik niet altijd weet hoe ik hiermee om moet gaan. Hoe meer ik dit uitspreek en deel met andere auto’s op de weg of in de garage, hoe draaglijker de eenzaamheid wordt. Ik hoef mij nu steeds minder vaak terug te trekken op een onbewoond eiland, maar kan met alles wat erbij hoort in contact blijven. Morgen zoef ik weer verder Vandaag verdraag ik de stilstand Een moment van woordeloos bezinnen Omdat ik het even niet weet Met dank aan mijn man – een groot auto liefhebben en mijn steun in de zorg voor mijn Ferrari-motor.
- Aandachtig denken
Talloze perspectieven Met een brein wat bij elke waarneming en elke vraag in een split second een groot aantal perspectieven en afwegingen produceert, is het soms zwaar leven. Het gaat vanzelf. Ik hoef er geen enkele moeite voor te doen en tegelijkertijd is het erg vermoeiend. Een zeer hoog IQ hebben lijkt leuk - omdat het tot uitzonderlijke prestaties zou leiden. Maar eerlijk, in de praktijk is het vooral een uitdaging in zelfregulatie. Met beperkte mogelijkheden De enorme hoeveelheid gedachten en het constant zien van allerlei mogelijkheden en onmogelijkheden, kunnen er maar zo voor zorgen dat ik steeds afgeleid raak van mezelf. Overal is onrecht, maar ik kan niet aan al deze vormen van onrecht een positief tegengeluid geven, al zie ik tal van mogelijkheden. Dat is praktisch onmogelijk. Een constant en diep-desintegrerend gevoel van machteloosheid dringt zich daarom steeds aan mij op. Als ik niet oppas verlies ik mezelf hierin, en verzand ik in een neerwaartse spiraal van existentiële depressie. Het leven voelt dan zwaar en op een bepaalde manier uitzichtloos; de verwondering wordt totaal overschaduwt. Elke gedachte en praktische mogelijkheid. wordt daarom als vanzelf op een weegschaal van morele relevantie gelegd. Waar steek ik mijn energie in? Waar wil en kan ik aandacht aan geven en waarom is dat belangrijk? Dit leidt ofwel tot te hard werken voor een rechtvaardiger wereld of tot verstarring en totale uitputting waardoor er niks uit mijn handen komt. Tot zo ver de uitzonderlijke prestaties… Verdringen van mijn ervaring Wat daarnaast niet meehelpt is de overtuiging die ik mij als kind eigen maakte, dat mijn gedachten, perspectieven en de diep intense gevoelens die hierbij komen kijken, er maar tot op zekere hoogte mogen zijn. Ik had ze, maar ‘mocht ze maar tot x aantal % in contact brengen’, zo was mijn ervaring. Ik was anders ‘niet te volgen’ of ik was ‘te veel’ of ‘te moeilijk aan het doen’. Dus zat ik alleen met deze veelheid. Het resultaat hiervan was een afgestompt en afgesloten denken; een gevoel van inkapseling en ontwrichting; een eenzaam strugglen door het later ontstane onvermogen om wel te komen met wat er in mij leeft. Ik veroordeelde mijn gedachten en wees ze af. Ik wees mijzelf af Gedachten namen hierdoor juist regie over mij. Niet op een leuke manier, maar op een allesoverheersende manier van angstige analyse om een illusie van controle over de ongrijpbare werkelijkheid te creëren. Gedachten bepaalden mijn leven, in plaats van dat ik mooie dingen kon maken met wat ik allemaal bedacht. Gedachten forceerden mijn tijd tot een ongefilterde bedreiging in de zoektocht naar overleving van het onbekende - naar bestaansrecht, terwijl ik mijzelf afwees. Genieten was er niet meer bij. Zoekend naar bestaansrecht met de veelheid Ook het afstompen van mijn denken is terug te leiden naar de zoektocht naar bestaansrecht met de veelheid van ervaringen die in mij leven. Zoals ik eerder schreef, dacht ik dat ik mocht bestaan wanneer ik minder zou zijn van wie ik ben. Zo’n diepe zelfafwijzing bij alles wat ik in mijzelf waarneem en in contact breng, is vergif voor de ziel; vergif voor het bestaan; en een afwijzing van het leven zelf. Hoe pijnlijk! Ik en jij volwaardig aanwezig Gelukkig stopt het verhaal hier niet. Hoewel ik nog altijd niet weet hoe ik de veelheid aan gedachten in contact kan brengen met anderen, als fundamenteel deel van mijn zelfervaring en dus als ingang tot het leren kennen van jou, weet ik ook niet of dat nodig is om volwaardig te kunnen bestaan in het contact. Wellicht dat ik en jij er ook volledig kunnen zijn wanneer ons zijn hoe dan ook onvolledig zichtbaar wordt? Volwaardig aanwezig zijn bij elkaar, hoeft geen volledige aanwezigheid te impliceren, wanneer we oog hebben voor wat we niet van elkaar begrijpen of waarin we onszelf niet kennen. Genietend denken Nu ik mijn denken en alles wat daarbij hoort steeds meer aanneem als deel van mijn zijn, is er ook ruimte voor genieten van mijn denken. Gewoon - alleen en voor mezelf. Dat is iets totaal nieuws voor mij - een binnenwereld die verwonderd en wat ik gekregen heb om gewoon zelf van te mogen genieten, ongeacht de omstandigheden of wat het denken wel of niet teweeg zou kunnen brengen. Aandachtig denken Ik ervaar wel nog altijd een uitdaging in de veelheid. De complexe gelaagdheid van het zien en doorvoelen van zoveel mogelijkheden, onmogelijkheden en perspectieven, blijft vragen om gerichte focus; zodat ik mij er niet in verlies of zodat de gedachten mij niet overnemen. Gek genoeg zit het antwoord voor deze constante complexe en gelaagde ervaring, juist in simpelheid. Hiermee bedoel ik niet simpelheid als simplificatie van de ervaren werkelijkheid of met als doel om het denken verder af te stompen, maar simpelheid in ‘het hebben van gerichte focus’. Focus van het denken met aandacht voor de waarden die ten grondslag liggen onder de vele gedachten. Waarden als schoonheid, rechtvaardigheid, compassie en verantwoordelijkheid. Door steeds mijn vele gedachten terug te brengen naar deze waarden gedreven kern, val ik niet stil maar kan juist dit gelaagde denken leiden tot gefocuste handelingen. Ik kies heel bewust waar ik energie in steek. Niet omdat de rest er niet zijn mag, maar juist omdat ik al het andere ten diepste omarm en vervolgens weloverwogen kies wat ik ermee wil doen of niet. Het is uiteraard een leerweg Met alles wat er gedacht en niet gedaan wordt En ja, de pijnlijke ervaring van machteloosheid over dat wat ik niet kan doen, is hieraan inherent. Tegelijkertijd ervaar ik ook meer vreugde over waar ik mijn energie wel in kan steken - als dankbare getuigenis van wie ik mag zijn in het contact met jou en als nieuwsgierige uitnodiging om jou, in contact met mij, beter te leren kennen.
- Aanpassingspijn bij hoogbegaafden
Klachten Regelmatig spreek ik hoogbegaafde jongvolwassen cliënten die zich schuldig voelen over de ‘onnodige’ klachten waarmee zij zich ‘aanstellen’. Het gaat bijvoorbeeld om klachten zoals slapeloosheid, angst, stress en neerslachtigheid. Ze voelen zich ‘uit balans’, leggen een hoge lat voor zichzelf, zij zo bang om te falen dat ze niet meer in beweging komen of niet meer stil kunnen zitten, hun hoofd is vol en ze hebben het idee het ‘allemaal niet aan te kunnen’. Ze voelen zich schuldig omdat ze met deze klachten anderen tot last zouden zijn – iets wat ze absoluut niet willen. Daarom onderdrukken ze wat ze voelen en veroordelen zichzelf. Hierdoor belanden ze in een doorlopend patroon van eenzaamheid rondom de ‘ik moet het zelf doen’ overtuiging, waarna er emotionele ‘ontploffingen’ volgen waarmee de omgeving vervolgens geen raad weet. Het gevoel van eenzaamheid wordt hiermee bevestigd. Afgesneden Van jongs af aan leren we welk gedrag wel en welk gedrag niet is toegestaan in sociaal contact. Voor het opgroeien van een kind is dit een belangrijke toegevoegde waarde om te leren omgaan met de wereld om je heen. Wanneer er daarnaast voldoende ruimte en stimulans is om je eigen identiteit te ontwikkelen, groei je op tot een volwassene die zich zowel kan verhouden tot de (sociale) wereld en zich met anderen kan verbinden, als dat je zelf tot bloei komt door je authentiek te durven onderscheiden. Er is balans tussen verbondenheid en autonomie. Bij hoogbegaafden valt mij op dat er in dit proces vaak iets niet helemaal lekker loopt. Vanwege de intense manier van leven met lichaam en geest (zie ook hoogbegaafd en hoogsensief ), ervaar je vaak weinig spiegeling met anderen. Zeker hoogbegaafde meisjes vallen niet op, omdat meisjes vaker van nature geneigd zijn zich aan te passen (jongens zijn vaker geneigd om tegendraads te worden). Daar komt bij dat deze intense manier van zijn, vaak als ‘irrationeel’ of ‘te’ wordt bestempeld, omdat de verschillen in de wisselwerking tussen de hoogbegaafde persoon en de directe omgeving door beide partijen vaak niet worden begrepen. Om erbij te horen en gezien te worden ‘snijden’ hoogbegaafden daarom stukken af van zichzelf (figuur 1). Figuur 1: Frequentie verschillen In figuur 1 zijn schematisch drie frequentielijnen weergegeven die de manier van denken, voelen en ervaren van verschillende mensen representeren. De gemiddelde frequentie is de oranje frequentie. Mensen die omennabij deze frequentielijn functioneren ontmoeten elkaar gemakkelijk en spiegelen elkaar. Zo leren ze zichzelf en de ander kennen. Zo leren ze de wereld begrijpen en zich ertoe verhouden. Hoe intenser de frequentielijnen (groen of blauw), hoe meer moeite je moet doen om je te spiegelen aan de gemiddelde en meest voorkomende frequentie. Er zijn minder spiegelbeelden op basis waarvan je jezelf en de ander kan leren kennen. Omdat in onze kinderjaren verbinding voor autonomie gaat, is het niet verwonderlijk om de stukken van jezelf die niet binnen de range van de oranje frequentie vallen, weg te knippen. “Vroege emotionele ervaringen vloeien voort uit behoeften die door de omgeving voldaan of gedwarsboomd werden. De omgeving keurt ze goed of af” (Lambrecht, 2022. blz. 72). Zo lijk je de verbinding in stand te kunnen houden. In feite is er sprake van schijnverbinding. Zo’n 80% van de blauwe frequentie moet hiervoor worden weggezet als ‘niet-toegestaan’. Een vertroebeld spiegelbeeld Deze manier van ‘afsnijdend-aanpassen’ is buitengewoon pijnlijk. Begrijp me goed, het gaat hier niet om beleefde aanpassingen aan de norm door rekening te houden met anderen. Het gaat hier om het wegsnijden van essentiële delen van jezelf. Ik herken het helaas maar al te goed. Mijn leven lang heb ik niet begrepen waarom ik zo vaak verwarring ervaar in sociaal contact. Nu begrijp ik dat er geen sprake was van een frequentieverschil (hier zit overigens geen enkel waardeoordeel aan vast). De prikkel- en emotionele gevoeligheid waarmee ik leef doen me zowel ontploffen van de energie en ideeën, als dat ze me doen uitputten. Dat kan elkaar onverwachts afwisselen; de onuitputtelijke kennishonger naar meer complexiteit werkt afstotend en uit angst om daarin geen sparringpartner te vinden slik ik mijn enthousiasme vaak in; de discrepantie tussen het onvermogen wat ik ervaar vanwege dyslexie in combinatie met een brein wat zo snel verbanden legt dat ik niet te volgen ben voor anderen, deed me overtuigen dat ik helemaal niks kon; de soms bizarre moeite die ik moet doen om simpele dingen te begrijpen en het gemak waarmee ik gelaagdheid omarm, doen mij nog altijd het gevoel geven dat er iets mis is met mij. Vele jaren heb ik mijn best gedaan om me aan te passen in de zoektocht naar evenredige spiegeling – een stille en stervende hoop op het vinden van verbinding - alles met als doel om erbij te horen. Aanpassen leek de enige oplossing en dat maakte mij diep bedroeft en eenzaam (zie ook Bestaansrecht ). Zo sloop de overtuiging erin dat ik alleen kon bestaan wanneer ik zo zou zijn als anderen. Mijn waarde en identiteit zou afhangen van ‘gezien worden’. Gelukkig weet ik inmiddels beter. Aanpassingspijn bij hoogbegaafden Dit patroon zie ik ook bij veel van mijn cliënten – met allerlei risico’s en gevolgen van dien. Met psychische en psychiatrische klachten zijn hoogbegaafden vaker dan gemiddeld bekend. Van depressie tot paniekaanvallen en van verslaving tot dissociatiestoornissen. Alles om maar niet te hoeven ervaren hoe eenzaam het leven is – terwijl je zo je best doet om erbij te horen. Lichamelijk zorgt het onderdrukken van kanten van jezelf daarnaast voor onbewuste chronische stress die je lijf van binnenuit letterlijk ziek kan maken. Chronische stress bevorderd de cel degradatie en belemmert het cel-herstel. Bijvoorbeeld kankercellen worden hierdoor uiteindelijk minder goed opgeruimd met alle gevolgen van dien. Met grote waarschijnlijkheid heeft het onderdrukken van essentiële kanten van mijzelf bijgedragen aan de chronische ziekte die ik heb en de chronische pijn die ik dagelijks ervaar (zie ook Gezondheid ondanks ziekte ). Op momenten dat ik hierbij stil durf te staan, vind ik dat buitengewoon schrijnend. Wat niet-toegestaan is, schreeuwt om gezien te worden De psychische en lichamelijke symptomen zijn dus geen probleem in zichzelf, maar een uiting van het feit dat je ziek wordt van het afsnijden van essentiële kanten van jezelf. Gelukkig biedt het leven kansen om alles wat niet is afgemaakt alsnog af te maken (zie ook Emotionele afronding en Een existentiële zoektocht naar normaal gedrag ). De symptomen die ik ervoer en die ik bij mijn cliënten zie zijn daarom geen probleem, maar een oprechte schreeuw om aandacht. Het lichaam en het leven vragen erom de kanten die naar de achtergrond zijn verbannen, alsnog zichtbaar te maken. Je bent ermee geboren dus je mag het gebruiken! Van aanpassingspijn naar authentieke verbinding Hoe doe je dat nu? De kanten ontdekken en laten zien die ‘niet-toegestaan’ lijken te zijn in contact en waardoor je altijd een gevoel van vervreemding hebt ervaren in relatie tot anderen? Allereerst door je bewust te worden van het feit dat aanpassing is wat je nodig had om te komen waar je nu bent. Aanpassen was jouw manier om te overleven en dat heb slim gedaan. Vanuit dit bewustzijn en de acceptatie daarvan, ontstaat er ruimte voor iets nieuws – het creatieve midden wordt ervaarbaar (zie ook Het creatieve midden ). Hoe dat ‘nieuwe’ er voor jou concreet uitziet weet ik natuurlijk niet. Voor mijzelf gaat het om de zoektocht naar wat mijn plek echt is. Ik sta mijzelf toe om te zijn met alles wat daarbij hoort – niet meer en niet minder, maar precies genoeg. Dat wil zeggen dat ik af durf te wijken, zonder dat ik dit veroordeel van mijzelf. Het leuke hieraan is ik anderen hier indirect ook mee toesta af te wijken. Dit biedt de kans om elkaar echt tegen te komen in plaats van dat we ons terugtrekken op ons eigen eenzame eilandje (figuur 2), of alleen maar bezig zijn met de plek van de ander (figuur 3). Door mezelf te zijn met alles wat erbij hoort, kan ik jouw tegenkomen op de contactgrens (figuur 4). En dat maakt het leven een stuk relaxter. Benieuwd naar hoe we samen onbegrepen kunnen zijn? Ik sta altijd open voor een vrijblijvende kennismaking. Figuur 2: Eenzame eilandjes Bovenstaande figuur geeft twee posities weer. Die van die van jezelf en die van de ander. Wanneer jij je terugtrekt omdat je denkt dat niemand je begrijpt, sluit je de ander buiten. Hierdoor ontstaat er afstand, waardoor je onbereikbaar en eenzaam wordt. Je hoeft je niet gezien en kan de ander ook niet meer zien. De eenzaamheid kan zo hardnekkig zijn dat je erin verdrinkt (verlammend zelfmedelijden) – dit wakkert het verlangen aan voor versmelting. Figuur 3: Versmelting Bovenstaande figuur geeft twee posities weer. Die van die van jezelf en die van de ander. Wanneer je altijd bezig bent met wat de ander nodig heeft of wat de ander van je vindt omdat je er zelf graag bij wil horen, ga ja als het ware op de stoel van de ander zitten. De ander zit hier niet altijd op te wachten. Daarnaast komt je eigen stoel leeg te staan. Het risico wat je dan loopt is dat iemand anders op jouw stoel gaat zitten, bijvoorbeeld door het oordeel van de ander te persoonlijk te maken. Het voelt dan alsof de ander over je heen loopt. Hierdoor loop je het risico dat je identiteit wordt bepaald door de mening van de ander, waardoor je zelf verdwijnt. Dit kan niemand eeuwig uithouden, waardoor je uiteindelijk uit contact gaat – dit wakkert het verlangen naar je eenzame eilandje aan. Figuur 4: Contactgrens Wanneer jij op jouw plek zit, kan de ander op diens plek zitten. Je bent dan allebei wie je bent met alles wat daarbij hoort en je kan elkaar tegenkomen vanuit een gelijkwaardige positie – ongeacht de verschillen die jullie kenmerkt. Geïnspireerd door: - Bouwkamp - Garbor Mate - Gestaltpsychologie - Psychoneuroimmunologie
- Professionele Kwetsbaarheid
“I am responsible for the other from the start. (…) This is a unique personal experience, so personal in fact that I cannot say that the other is just as responsible for me as I am for him: I am more responsible for the other than the other for me. (…) It is this relationship that also provides access to transcendence, to an exteriority that does not destroy the integrity and freedom of the human being but founds it. Taking responsibility is at the heart of the revelation in the convergence of consciousness and conscience”. Levinas Kwetsbaarheid is niet professioneel ‘Professionele Kwetsbaarheid’. Je eerste reactie op deze titel is wellicht: ‘Kwetsbaarheid is niet professioneel, je dient een gepaste afstand te houden van de persoon tegenover je’. Tot op zekere hoogte is dat natuurlijk waar. Klanten, cliënten, patiënten of collega’s zijn er niet om jou sores op te lossen. Professionaliteit verondersteld immers het nemen van verantwoordelijkheid voor jou acties en percepties. Echter, het tonen van kwetsbaarheid in een werksetting, kan net als in privéomstandigheden, bijdragen aan het vinden van verbinding. Verbinding met andere mensen die, daar kom je dan achter, helemaal niet zoveel van jouzelf verschillen als dat je bevooroordeeld veronderstelde: ‘ik zal de enige wel zijn’. Het tonen van die kwetsbaarheid breekt een barrière open. De barrière van perfectie en maakbaarheid, van succes en geluk als doel in zichzelf. Wanneer je werkt met mensen die kwetsbaarheid ervaren, of nadenkt over de kwetsbaarheid van ons leven, is het belangrijk allereerst je eigen kwetsbaarheid te erkennen en te omarmen. Waarschijnlijk gaat het inzetten daarna vanzelf, omdat je dat niet meer los kan koppelen van wie je bent. Je bent immers kwetsbaar als mens. Ik wil je uitleggen hoe ik hiertoe ben gekomen. Kwetsbaarheid als menselijke essentie Lange tijd dacht ik dat ik die kwetsbaarheid, die gevoeligheid, volledig uit mijzelf moest filteren om een professionele houding te hebben. Maar eerlijk? Dat kan ik niet! Kwetsbaarheid door emotionele gevoeligheid is iets wat bij mij hoort. Laat ik dat dan niet ontkennen, maar inzetten. Langzaam wordt daarom mijn overtuiging dat dit juist is wie ik wil zijn; kwetsbaar, ook in mijn werk. En waarom ook niet? Ieder mens is immers kwetsbaar. Het leven in zichzelf verondersteld kwetsbaarheid, omdat we het fenomeen ‘leven’ alleen kunnen begrijpen omdat we de dood kennen. Kenden we de dood niet, dan keken we ander naar het leven en had dit fenomeen waarschijnlijk een andere naam, een andere betekenis en een andere intuïtieve associatie gehad. Misschien bestond het ‘leven’ dan niet eens? Het veronderstelde in ieder geval geen kwetsbaarheid. Vanuit die observatie en erkenning is het voor mij onmogelijk geworden om de menselijke kwetsbaarheid te filteren uit mijn manier van werken. Uit mijn professionele houding. Het zou voor mij ontkenning van een van de essenties van het leven, van de mens, betekenen. Dat is vreemd in de context van zingevingsvraagstukken. Kwetsbaar? Waarom? Daarom zoek ik erkenning voor het fenomeen en de ervaring van kwetsbaarheid. Ook, of juist op de werkvloer. Hiermee bedoel ik niet dat we onszelf allemaal roekeloos moeten gaan gedragen, omdat je ‘kwetsbaar opstellen’ zo belangrijk is geworden. Ik bedoel ook niet dat je nu opzettelijk moet uitlokken dat mensen je kunnen kwetsen. Wat ik wel bedoel is dat we de kwetsbaarheid van het leven mogen inzien en erkennen. De erkenning van die kwetsbaarheid geeft ruimte voor het vinden van veerkracht, ondanks de kwetsbaarheid. Je komt er dan achter dat er een enorme kracht schuilt in kwetsbaarheid. Want kwetsbaarheid erkent de gebrokenheid en machteloosheid van het leven. Het zien van kwetsbaarheid, gebrokenheid en machteloosheid alleen, kan ervoor zorgen dat je in een existentieel vacuüm belandt. Je raakt er wellicht van overtuigd dat alles zinloos, zwaar en lijden is. Maar wanneer het ‘zien’ van onze kwetsbaarheid leidt tot ‘erkenning’, ‘acceptatie’ en ‘omarming’ kan juist die kwetsbaarheid een intrinsieke motivatie teweegbrengen voor het nemen van verantwoordelijkheid voor de dingen die je overkomen in het leven; waar je mee geconfronteerd wordt, wat op jou appelleert. Die verantwoordelijkheid is niet eindeloos. Daar komt de machteloosheid weer om de hoek kijken. Ons kunnen is beperkt, maar het nemen van verantwoordelijkheid voor wat op jou weg komt, kan wel bijdragen aan een gevoel van zingeving. Je doet wat je kunt; dat is zinvol. Wanneer iemand zich kwetsbaar voelt, wanneer jij je kwetsbaar voelt, heb je de verantwoordelijkheid dit niet te ontkennen, hier niet voor weg te open, maar het te omarmen en te gebruiken. Zoek jouw kracht in je kwetsbaarheid. Zoek welke gebrokenheid jou motiveert om in beweging te komen. Mijn kwetsbare gebrokenheid Mijn motivatie voor dit pleidooi over professionele kwetsbaarheid, komt voort uit die diepe ervaring van kwetsbaarheid. Het gevoel dat ik elk moment uiteen kan spatten of dat het leven als een vloedgolf over mij een spoelt en ik erin verdrink. Het idee dat ik geen kant op kan en klem zit in systemen, gedachtenpatronen, gewoonten waar ik vanaf wil en de angst dat wat ik ook doe er niet toe doet omdat het nooit genoeg zal zijn. Het zien van zoveel gebrokenheid, zoveel leiden, dat verscheurt mij vanbinnen. Trekt mij uiteen. Maakt dat ik mij voel depersonaliseren. Dat ik het liefste weg wil rennen, ook al heb ik geen idee waar naartoe. Ik kan niks doen, ik ben machteloos… Het voelt eenzaam. Het voelt alleen. Steeds vaker ben ik dit gaan delen met anderen. En wat bleek, het kwetsbaar opstellen over deze kwetsbaarheid, gaf herkenning. Die ander had een soort gelijke ervaring, vanuit het eigen perspectief weliswaar. Hoe uniek onze beleving van het leven ook is, we vonden elkaar op een dieper niveau en hoefden niks meer uit te leggen. Ik was niet de enige, en die ander voelde zich gezien omdat de kwetsbaarheid er zijn mocht. Professionele Kwetsbaarheid Dat is de reden waarom ik denk dat het waardevol is om kwetsbaarheid in te zetten, ook in de professionele omgeving. Dit doe ik door de kwetsbare gebrokenheid die ik ervaar en om mij heen zie, recht in de ogen te kijken. Ik wil er niet meer voor weglopen, maar ik wil er ook niet in blijven hangen. Ze inspireert mij om het beter te doen en om de verbinding aan te gaan met mensen om mij heen. Om over barrières heen te stappen, hoe moeilijk dat wellicht ook is. Ze motiveert mij om elke dag, hoeveel pijn ik ook ervaar en hoe slecht ik ook geslapen heb, weer uit bed te stappen. De erkenning van mijn kwetsbaarheid voorkomt mijn depressiviteit. Er ontstaat veerkracht en daadkracht vanuit die kwetsbaarheid, die bruikbaar is als professional. ‘Professionele Kwetsbaarheid’. Veerkracht betekend zoveel als dat je in staat ben om te gaan met de grillen van het leven. Je weet jezelf te adapteren, zodat je kwaliteit van leven vooral verandert in plaats van ondragelijk wordt aangetast. Niet omdat je niet lijden mag, maar omdat je je lijden erkent en er je weg mee vindt. Daadkracht houdt vervolgens in dat die veerkracht je aanzet tot actie. Je komt in beweging. Je daden worden krachtig omdat je weet waar je voor gaat, waar je voor strijdt. Ondanks de gebrokenheid, of wellicht zelf dankzij de gebrokenheid. Het tonen van kwetsbaarheid is daarom mijn instrument. Het is een middel geworden om verbinding te vinden met anderen. Niet om mijn eigen problemen op te lossen, maar om een connectie te maken op het niveau waar woorden tekortschieten en waar je weet dat het oke is. En ik geniet enorm van die diepe verbindingen die hierdoor ontstaan: alsof ik een glimp mag krijgen van iemands ziel. Even de schoonheid mag zien van de uniekheid van de ander. Zonder opsmuk, zonder vooroordeel. Puur en eerlijk. Open en veilig. Het gaat dan niet meer om mijn verhaal en mijn ervaring met kwetsbaarheid, mijn lijden of mijn verdriet. Het gaat om wat het met de ander doet en wat het bij diegene losmaakt. Het tonen van kwetsbaarheid blijkt een schakel te kunnen zijn in het proces van de ander. Daarom voel ik de drive om die kwetsbaarheid steeds verder te professionaliseren en in te zetten als kracht? Het is onderdeel van wie ik ben en daarom onderdeel van mijn werk. Het meest lastige wat ik vind aan het zijn van ZZP’er, is dat het ‘succes’ van mijn bedrijf staat of valt met mijn eigen zelfvertrouwen. Mijn overtuiging was dan ook dat ik altijd heel zelfverzekerd zou moeten zijn. Maar zeg nou zelf, wie is dat nou? Dan zou mijn werk niet ‘echt’ zijn.
- Van symbiose naar synergie
Ooit was ik één met de emoties van mijn moeder Ooit was ik één met alles om mij heen Mijzelf had ik nog niet leren kennen Primaire symbiose deed bij als baby overleven Opeens was dit niet meer genoeg Opeens wilde ik ook zelf gaan geven Toen kon ik de ander ontmoeten Toen raakten ik en jij autonoom verweven Ik besta! Het leven dwong mij tot identiteit In de breedste en smalste zin van het woord Ze dwong mij tot begrip over wat het betekend om te ‘zijn’ Mijzelf leren kennen wanneer ik jou tegenkom Zo leerde ik dat mijn ademhaling van mij is Dat mijn ‘ik’ van ‘mij’ is Nu zag ik verschillen Binnen mijzelf, in relatie tot jou Al ontdekkend vernam ik Een ‘ik’ bij ‘jou’ als ‘ander’ Zo groeiden we samen Naar een manier om onszelf te zijn Ik ontdekte verschillende verschillen van waarde en acceptatie als genadegave Dit is de voorwaarde om heel te zijn We werkten samen aan het leven Vonden naast harmonie ook strijd Maar we beseften altijd ten diepste dat mijn ‘ik’ naast jouw ‘jij’ meer vult dan enkel de leegte van de eenzaamheid Gelijke gelijkwaardigheid Is het resultaat van respectvol contact Daar ontstaat synergie We zijn samen meer dan we in ons eentje hadden volbracht
- Ik Voel Iets!
Ik voel iets! Maar het voelt als niets Ik voel niets en alles tegelijk Iets voel ik in het niets, omdat ik iets als niets bekijk Mijn lichaam is verward - verstart Het iets raakt me niet, het steekt Het koestert niet, maar blijft alleen Het is niet veilig, maar verlaten Verwijderd – alleen gelaten Het iets wat ik voel is pijn Overspoelende prikkels die wel (ver)werken, maar niet doen leven Dood voor de veiligheid? Verloren in de liefde Overspoelt door wat kan zijn Zwevend tussen hemel en aarde Lichaam en geest – gespleten Mijn ziel die voelt Mijn hoofd die denkt Mijn lichaam huilt De verbondenheid is geen zekerheid Voorstellingsvermogen leidt tot idealistische paniek Wat is waarheid? Wat is strijd? Waar is de schoonheid in deze tijd? Pure gebroken en geheelde verbondenheid!
- Ik Ben Kwijt
Ik weet niet wat ik voel, veel en weinig tegelijk overweldigend & vol, leeg starend in oneindigheid Ik weet niet wat ik denk, Chaos is het in mijn hoofd Tientallen gedachten En toch zo inhoudsloos Ik kan er niet bij, ik kan het niet vatten Niets voel ik En alles tegelijkertijd Alsof de wereld zich over mij heen spoelt Ik ben kwijt Want, Ben ik er wel Wanneer ik niet weet wat dat inhoudt? Ben ik er wel Wanneer ik niet voel Ben ik wel ‘ik’ Als ik geen contact heb Ben ik wel ‘ik’ Als ik opga ik het geheel Mijn verloren zelf voelt onveilig Uit het lood geslagen en alleen De veelheid maakt dat ik niks kan onderscheiden Het is een kleurloos kleurenpallet Strijdend, lijdend zoekend naar identiteit De verbinding is verbroken Mijn ziel is heengegaan De essentie van het leven Vind in mij een doods bestaan Ik smacht naar die verbondenheid Met de ander, het geheel Maar juist dat verlangen is verstikkend Zolang ik mijzelf niet heel
- Een existentiële zoektocht naar normaal gedrag
Gedrag in plaats van persoon ‘’Als ze me nu konden zien, zouden ze me voor gek verklaren’. Het was een zenuwslopende gedachte die maar door mijn hoofd bleef flitsen toen ik voor de zoveelste keer een dissociërende paniekaanval had. Ik was helemaal alleen, voelde me verkrampt terwijl ik in de foetushouding lag. Ik was doodsbang voor de eenzaamheid die zich onvermijdelijk aan mij opdrong. De angst en paniek die ik voelde door het gevoel dood te gaan vanbinnen, was bijna onverdraaglijk. Ik begreep het niet. Waarom voelde ik dit? De angst en veroordeling over mijn eigen onwetendheid hierover, deden mij nog verder uit elkaar vallen dan ik al was. Het hield de paniek in stand. Het voelde alsof ik in stukjes uiteenspatte en nooit meer heel zou worden. En ik strafte mijzelf ervoor – hoe kon ik toch zulk idioot gedrag vertonen? Was ik gek geworden!? Angst voor het ‘onbekende’ Sinds mensenheugenis zijn er ideeën over wat ‘normaal’ en ‘abnormaal’ gedrag is. Hoe dit wordt gedefinieerd is steeds aan verandering onderhevig. Wat echter een constante is, is dat we (in ieder geval hier in het westen) ons best doen om van ‘abnormaal’ gedrag af te komen. We willen het fixen en oplossen omdat we het niet begrijpen. Van gekkenhuizen tot heropvoedingskampen, van hersenstimulatie tot een bijbel voor psychopathologie, alles is erop gericht om de ‘abnormaliteit’ op te heffen zodat iemand ofwel geen overlast meer is voor de samenleving, ofwel weer deel kan nemen aan de samenleving op een manier zoals ‘wij’ dat verwachten. Alles wat afwijkt wordt gepropageerd als probleem. Dit gegeven raakt mij. Het raakt mij dat we in de zoektocht naar ‘normaal’ gedrag steeds een oordeel hebben over de ander, omdat we zelf zo bang zijn de onzekerheid over ‘onbekend’ of – zoals ze dat tegenwoordig noemen – ‘onbegrepen’ gedrag onder ogen te komen. Waarom zijn we zo bang voor dat wat we niet ‘begrijpen’ of voor de onzekere gevolgen van iemands onbekende gedrag? We overleven door ‘erbij’ te horen Als mens zijn we afhankelijk van elkaar voor onze overleving. Val je buiten de groep, dan is dit op celniveau een levensbedreigende ervaring. We doen er daarom alles aan om bij de groep te blijven horen. In deze zoektocht naar ‘erbij’ horen, vindt een paradox plaats in ons gedrag naar anderen. Aangezien een groep er alleen kan zijn wanneer er meerdere mensen betrokken zijn, zou je verwachten dat we ons best doen om zoveel mogelijk mensen bij de groep te betrekken – ongeacht hoe je bent. Het klopt dat we mensen niet zomaar laten vallen. Echter gebeurt er ook gemakkelijk iets anders. Vanuit de angst om onze eigen plek in de groep te verliezen, zoeken we naar normatieve gedragsregels die ons ‘vertellen’ dat we erbij horen. ‘Als ik mij zus of zo gedraag, dan ben ik zeker van mijn plek’. Het is een onbewust en constant checken. Alles wat van deze normen afwijk, wordt onbewust als potentiële bedreiging voor onze eigen plek gezien. De bekende gedragsregels worden hiermee immers ter discussie gesteld, wat onzekerheid in ons oproept over wat we zelf moeten doen om ‘erbij’ te blijven horen. We wijzen daarom ‘abnormaal’ gedrag af zodat we onbewust onze eigen positie in de groep veiligstellen. Kort gezegd is de historische zoektocht en dwangtocht naar ‘normaal’ gedrag een uiting van existentiële angst om buiten de groep te vallen als je afwijkt. We zijn bang om dood te gaan wanneer we er niet bij horen. We zijn daarom bang voor het onbekende en dat wat we niet begrijpen omdat dit onze ‘zekerheden’ ter discussie stelt. Dus verwachten we dat iedereen ‘normaal’ gedrag vertoon en doen we ons best om zelf absoluut niet ‘abnormaal’ te zijn. Begrijpelijk en schokkend! Lineaire verklaringen voor gedrag De geschiedenis kent vele oorzaken die hebben geleid tot de overtuiging die we nu hebben over wat ‘normaal’ gedrag is. Tegenwoordig richt de psychiatrie zich op het labelen van gedrag via diagnostiek. Oorspronkelijk was dit diagnose-systeem bedoeld om behandelingen overzichtelijk te kunnen bekostigen. Onze zorgfinanciering is erop gericht om de beschikbare middelen zo eerlijk mogelijk te verdelen, dus is het logisch om een lineair financieringssysteem te ontwikkelen wat uitgaat van vaste behandelprogramma’s op basis van ‘objectieve’ problemen. Een onderliggend idee hierbij is dat mensen op deze manier vrij efficiënt van hun probleem afgeholpen worden. ‘Heb je probleem A en wij behandelen je met optie B en C, dan zal dit leiden tot D’. Deze lineaire manier van financieren voert inmiddels iets minder de boventoon. De financiering en de diagnostiek zijn losgetrokken van elkaar. Dat neemt niet weg dat het principe van diagnostiek ver is doorgedrongen in de psychiatrie. Niet alleen om de financiering en behandeling overzichtelijk te maken, maar ook – zo is mijn hypothese – om onbegrepen gedrag te kunnen verklaren zoals ik hierboven toelichtte. Zo ‘begrijpen’ we wat ‘afwijkt’, en dat maakt het minder ‘bedreigend’. Sterker nog, het geeft ons handvaten om ermee om te gaan, waardoor we onze angst voor ‘erbuiten vallen’ en het ‘niet weten’ of het ervaren van ‘griploosheid’ niet onder ogen hoeven te komen. Met diagnostiek hebben we duidelijke handelingsperspectieven van waaruit we de persoon in kwestie kunnen helpen deel te nemen aan de samenleving op een manier die past bij ‘wat voor ons bekend is’. Het is een goed bedoelt en nobel streven om iedereen te betrekken bij de samenleving, waar op deze manier tegelijkertijd veel verdriet uit voortkomt. Ik zie zeer frequent jonge mensen in mijn praktijk die volgens de gangbare psychiatrie ‘niet te helpen zijn’. Ze zijn ‘te moeilijk’, ‘te complex’, de psycholoog heeft ‘ineens geen mogelijkheid meer’ om deze cliënt te helpen nu er een mogelijke sprake zou zijn van neurodivergentie (ook al kwam de betreffende cliënt al een aantal maanden bij deze psycholoog). De cliënt heeft ‘een steekje los’ en als de behandeling niet aanslaat dan wordt er meer diagnostiek gedaan om te kijken ‘waar het probleem dan zit’. Steeds wordt ernaar gestreefd grip te krijgen op dat wat niet begrepen wordt. Het raakt me telkens tot op het bot. De buitengewoon heftige consequentie hiervan is een gevoel van depersonalisatie bij deze cliënten. Ze voelen zich niet gezien voor wie ze zijn, maar gereduceerd tot hun gedragsprobleem. Cliënten die ik zie hebben zich geïdentificeerd met hun diagnose. Hun gedrag zien ze niet als een ingenieus overlevingsmechanisme wat zich adaptief aanpaste aan veranderende omstandigheden met de mogelijkheden die ze hadden. Ze zien de diagnose als definitie en verklaring voor wie ze in werkelijkheid zijn. Ze ‘zijn’ depressief, ze ‘zijn’ bipolair, ze ‘zijn’ een dissociatiestoornis. Alsof er verder niks meer is. Geen geschiedenis, geen levensverhaal, geen hobby’s, geen interesses, geen dromen en passies, geen veerkracht, geen levensenergie, geen niks… De cirkelredenering in persoonlijke diagnostiek Vaak wordt er bij diagnostiek uitgegaan van het idee dat de diagnose van het gedrag een verklaring geeft voor het gedrag zelf. Het gedrag wordt hiermee persoonlijk gemaakt – alsof iemand er direct schuld aan heeft. Er zit een cirkelredenering in deze manier van persoonlijk diagnosticeren. Garbor Maté beschrijft dit treffend in zijn boek ‘De mythe van normaal’. ‘Waarom is die persoon druk? Omdat hij ADHD heeft. Waarom heeft hij ADHD? Omdat hij druk is’. Het zegt precies niks over de oorsprong van het gedrag en waarom deze persoon dit gedrag nodig heeft in een betreffende situatie. Het zegt niks over wie deze persoon is, maar die suggestie wordt wel gewekt. Dit komt omdat de diagnose wel iets zegt over wat er van het gedrag gevonden wordt, namelijk dat het ‘abnormaal’ is. Het op deze manier persoonlijk maken van gedrag, doet iets met iemands zelfbeeld. Het wordt er meestal niet steviger van. Gedrag als product van interactie met de omgeving Het is niet nodig om gedrag persoonlijk te diagnosticeren wanneer je gedrag ziet als product van een interactie met de omgeving. Het individu en de omgeving zijn in een constante wisselwerking met elkaar. We groeien allemaal op in verschillende genetische, epi-genetische, familiaire, historische, culturele, maatschappelijke, geografische, psychologische en sociale omgevingen. We zijn daarnaast allemaal uniek. We hebben een eigen binnenwereld en die interacteert op unieke wijze met deze unieke context. Constant en altijd. Om te overleven moeten we ons effectief aanpassen aan deze omgeving (dit heet adaptatie), zodat we de aanwezige middelen en mogelijkheden in de omgeving kunnen gebruiken om te overleven. Zo vinden we voedsel, warmte en gezelschap in onze omgeving. Alles in ons is erop gericht om te overleven. Wanneer onze omgeving een bedreiging vormt, dan ontwikkelen we de meest effectieve overlevingsstrategie die we kunnen met de mogelijkheden die we op dat moment voor handen hebben. Op die manier proberen we de harmonie te herstellen tussen onszelf en onze omgeving (dit heet homeostase), waardoor er weer rust ontstaat in ons lijf en we ons verder kunnen ontwikkelen. De meest effectieve overlevingsstrategie die je als kind kan toepassen, is anders dan wat je als volwassene zou kunnen doen. Je bent immers veel afhankelijker en hebt minder ervaringen en vaardigheden dan wanneer je volwassen bent. De meest effectieve overlevingsstrategie die persoon A kan toepassen in situatie X, kan enorm verschillen van de meest effectieve overlevingsstrategie die persoon B in dezelfde situatie tot uiting kan brengen. Dit komt omdat we allemaal unieke mentale, fysieke en sociale mogelijkheden tot onze beschikking hebben. We hebben daarom ook allemaal onze eigen uitdagingen ten aanzien van onze omgeving. Daarom adapteren we ons allemaal op unieke wijze. Er zit dan ook een hoop subjectiviteit in wat wordt ervaren als een ‘bedreigende omgeving’ en ‘effectieve overlevingsstrategie’ op dat moment. Van persoonlijke diagnostiek naar oog voor gedrag in de context Ons gedrag hangt dus altijd samen met onze omgeving. In de interpretatie van deze context speelt zowel onze ervaringen uit het verleden, de gewaarwordingen in het heden en ons beeld van de toekomst een rol. Iemands gedrag is daarom een probleem wat op zichzelf staat of wat als psychopathologie in zichzelf kan worden gedefinieerd. Het is het gevolg van de manier waarop iemand zichzelf gezien diens mogelijkheden zo effectief mogelijk kon aanpassen aan de omgeving. Gedrag enkel persoonlijk diagnosticeren helpt daarom meestal niet om jezelf gezien jouw mogelijkheden op een gezondere manier aan te passen aan de omgeving. Het helpt vooral om te zien waar dit niet is gelukt. Oog voor de context vraagt om toestemming om af te wijken ‘Leuk en aardig’ kan je denken, ‘oog hebben voor de context. Iemands gedrag is nog steeds niet helpend’. Dat klopt, en dat wil ik ook niet onderuithalen. De context van het gedrag is niet het enige waar we aandacht voor moeten hebben. Waar ik wel voor pleit is dat we als hulpverleners verder durven te kijken dan het persoonlijk diagnosticeren van het gedrag. Dit vraagt echter ook dat we kunnen verdragen dat mensen ‘afwijken’ van wat wij verwachten. Willen we iemand heel laten en zien voor wie hij is dan moeten we accepteren dat mensen verschillen. We moeten onze eigen angst voor ‘onbekend’ en ‘onbegrepen’ gedrag onder ogen komen en onze eigen overtuigingen van ‘wat je moet doen om erbij te horen’ opzij durven zetten. We moeten ons wereldbeeld durven verruimen met de subjectieve ervaring van de betreffende cliënt tegenover ons. Hiermee pretendeer ik niet dat we oordeelloos kunnen of moeten zijn. Ik zeg wel dat het oog hebben voor het persoonlijke verhaal van iemand meer verbinding schept dan het objectief beoordelen van gedragskenmerken. En is verbinding niet de bron van heling? Dit was het eerste essay in de serie ‘Contact in plaats van diagnose’. Het tweede artikel gaat in op de rol van verbinding met onszelf en met de ander om heel te worden.
- Perfectionisme
Echt leven is de schoonheid omarmen van het imperfecte. Perfectionisme in de volksmond In de taal van de moderne psychologie en op de werkvloer kom ik de term ‘perfectionisme’ regelmatig tegen. Er wordt bijvoorbeeld mee bedoelt dat iemand ergens de beste in wil zijn en wil ‘winnen’. Er kan ook mee bedoeld worden dat een resultaat heel goed moet zijn en aan door jezelf bepaalde maatstaven moet voldoen. Soms zeggen mensen ‘ik ben een perfectionist’, om te laten zien hoe hard ze werken. Soms wordt het gedeeld vanuit een soort slachtoffer positie, ‘sorry, ik kan er ook niks aan doen dat ik de verantwoordelijkheid niet uit handen durf te geven’. De term wordt vrijwel altijd gebruikt als verklaring voor gedrag en als toestemming voor dit gedrag. In feite zegt het dus precies niks, zolang we het gesprek over wat perfectionisme voor iemand betekent uit de weg gaan. Door de dikke van Dale wordt een ‘perfectionist’ gedefinieerd als iemand die streeft naar perfectie. Perfectionisme kan je omschrijven als het streven naar volmaaktheid – wat doorgaans een onrealistisch hoge lat is. Deze drang naar perfectie en volmaaktheid staat nooit op zichzelf, het manifesteert zich altijd ‘in relatie tot’. Je wordt er ook niet mee geboren, het is een manier om het leven aan te kunnen, omdat iets in de wisselwerking tussen jouw en je omgeving aangaf dat dit een goede oplossing was. In dit artikel neem ik je hierin mee. De valkuil van projectie via taal Achter perfectionisme zit altijd een diepzinnige en onbewuste motivatie, die met dit oppervlakkig gebruik van het woord niet zichtbaar wordt. Bij het gebruik van het woord hebben we allemaal direct een associatie. Echter vergeten we het gesprek aan te gaan over wat perfectionisme voor de betreffende persoon betekent. Taal nodigt ons immers uit om betekenis te geven aan zaken en is tegelijkertijd kwetsbaar voor multi-interpretatie. Taal is niet objectief maar altijd bevlekt met onzekerheid. Hierdoor projecteren we onbewust onze eigen beleving en ervaring wanneer we ‘perfectionisme’ horen. In feite hebben we niks geleerd over de ander en zijn we de ander niet echt tegengekomen wanneer we niet doorvragen naar de diepere laag. In die zin is perfectionisme iets bekends onbekends. In dit artikel ga ik wel een aantal lagen dieper. Perfect willen zijn manifesteert zich altijd in relatie tot Vrijwel bij al mijn cliënten kom ik een vorm van perfectionisme tegen. De ene persoon wil zich ‘perfect’ afstemmen op de ander, en vergeet daarbij zichzelf. Een gevoel van vervreemding en depressie is het gevolg. De ander zoekt naar het perfecte leven, waarin je tot bloei komt en al je talenten kan gebruiken. Grote teleurstelling over de feitelijke werkelijkheid maken dat onderdrukte boosheid door de communicatie vloeit en dat er sprake is van verwijdering van anderen. Weer een ander verwacht van anderen dat ze perfect op hen reageren. Duurzame relaties in stand houden is dan lastig. Daarnaast kan perfectionisme ertoe leiden dat mensen nieuwe uitdagingen uit de weg gaan uit angst om te falen. Een ander gaat juist harder werken om falen te voorkomen. Vaak is het een combinatie van alles. Los van de vorm waarin het zich uit, voert eenzaamheid de ondertoon. Perfect zijn is helemaal niet leuk, waarom proberen we het dan te zijn? Perfectionisme als gedrag Ik kan mezelf ook een perfectionist noemen. Dit uit zich in dat ik ‘de lat hoog leg’ (althans zo omschrijven anderen het) en ik het graag ‘allemaal goed wil doen’ naar anderen. Het gevolg hiervan is dat ik veel energie lek, al meermaals overspannen ben geweest en ik het moeilijk vind om rust te nemen; ‘ik moet wel nuttig blijven’. Deze uitleg geeft echter geen verklaring. Het is alleen zichtbaar gedrag aan de oppervlakte. Het zegt nog steeds niks over wat perfectionisme voor mij betekent. Ieder mens heeft namelijk buitengewoon goede redenen voor slecht gedrag. Ik ook voor deze toxische vorm van perfectionisme. De functie van perfectionisme Perfectionisme heeft voor mij een nuttige functie. Wanneer ik ‘alles perfect’ doe en ‘een echt goed mens ben’, blijft de harmonie intact. Althans, dat is de diepgewortelde overtuiging die veel van mijn onbewuste gedrag voortduwt. De harmonie moet bewaard blijven, niet omdat ik bang ben voor conflict, maar wel omdat ik bang ben dat de ‘verbinding verbroken’ wordt. Ik wil alles zo goed doen, omdat ik bang ben om verlaten te worden en de verbinding met mijzelf te verliezen. Ik wil niet vervreemden van de wereld en ik wil niet alleen zijn. Ik moet alles perfect doen omdat ik bang ben voor eenzaamheid. Ironisch genoeg werkt het perfectionisme niet tegen het bestrijden van eenzaamheid. Hoe ‘beter’ ik wil zijn, hoe meer ik iemand verwacht te zijn die ik niet ben. Hiermee ga ik steeds uit contact met mezelf. Als ik perfectionisme nastreef keur ik bepaalde kanten van mijzelf af. Dingen die gewoon in mij zitten en die ik niet leuk vind aan mezelf of waarvan ik denk dat anderen het niet leuk vinden. Hoe meer ik mijn best doe dit te onderdrukken of te ‘reguleren’ (wat geen regulatie is), hoe harder het naar boven komt – natuurlijk! Door essentiële kanten van mijzelf af te wijzen, ben ik niet meer ‘echt’ en raakt de harmonie in mijzelf verstoord omdat ik mezelf niet heel laat. Daar komt nog bij dat ik indirect en onbewust een appél doe op de ander om net zo ‘perfect’ te worden en de kanten die ik van mijzelf afwijs ook bij henzelf af te wijzen. Reken er maar op dat we dan binnen de kortste keren op elkaars pijnpunten aan het drukken zijn en ‘hoera’ ook hier is de disharmonie geboren! Nog een laagje dieper Met het ‘perfect’ doen probeer ik de ongenoeglijke kanten van mijzelf te maskeren. Mijn kwetsbaarheiden hoef ik dan niet te tonen en mijn kracht hoef ik niet te laten zien. Dat wat ik lastig vind kan ik onder het tapijt vegen en daar waar ik goed in ben hoef ik geen aandacht voor te vragen. Het is een manier om het echte contact niet aan te gaan, omdat de angst voor onbegrip overheerst. Hier kan ik mij vanuit slachtofferschap gezellig achter verschuilen waardoor ik niet in beweging hoef te komen. Ook al werk ik mega hard om alles perfect te doen, in feite is ook dit een vermoeiende vorm van stagflatie (zie het blog Idealistische Impact ). Perfectionisme is mijn manier om bestaansrecht te claimen. Een illusionair bestaansrecht weliswaar, maar toch, dat is wat de perfectie in stand houdt. ‘Als ik maar zus of zo ben, dan mag ik er zijn’. En ook hiervoor geldt; hoe perfecter ik moet zijn om te mogen bestaan, hoe meer ik mijn eigen bestaan ten diepste afwijs. Ik kan immers nooit voldoen aan het beeld van de persoon die ik probeer te zijn – het moet altijd meer en altijd beter. Het is toxisch idealisme. In de tussentijd wijs ik mezelf in essentie af, scheur ik mezelf in stukken en laat ik mezelf alleen. Niet in staat tot echt contact. Te bang om mezelf echt te geven. Perfectionisme zie ik daarom als diep pijnpunt in mijn zelfbeeld en identiteit. Het is een manier om weg te blijven van het echte leven wat ik mag leven wanneer ik mezelf ben. Waarom zou ik dan nog steeds perfect willen zijn? Het moge duidelijk zijn dat ik met mijn streven naar perfectie averechts werkt. Nog los van het feit dat ik een bovenmenselijke verantwoordelijkheid op m’n schouders neem die helemaal niet past bij de plek die mij gegeven is en waarmee ik mezelf uitput, bereik ik ook niet dat wat ik ermee wil bereiken: bestaansrecht en echt contact met anderen. Dat neemt niet weg dat perfectionisme mij ook veel gebracht heeft. Blijkbaar was er als kind een wisselwerking tussen mij en mijn omgeving die maakte dat ik perfectionisme nodig had. Ik werd een ster in aanpassen, zodat ik erbij hoorde en mee kon doen. Dat heeft me doorzettingsvermogen en fijngevoeligheid gegeven waar ik nog altijd de vruchten van pluk. Gooi het kind dus niet met het badwater weg. Nu ik volwassen ben heb ik dit echter niet meer nodig om te ‘mogen zijn’. Ik heb nu de emotionele mogelijkheden om een andere invloed uit te oefenen op de wisselwerking tussen mij en mijn omgeving. Nu hoef ik mijzelf niet meer aan te passen met de hoop dat ik erbij hoor, maar durf ik mezelf steeds meer te onderscheiden met mijn authenticiteit. Het mooie hiervan is dat ik anderen onbewust ook ‘toestemming’ geef zichzelf te zijn. Met zelfacceptatie ontstaat er een gezondere wisselwerking tussen mij en mijn omgeving. Zo komt er ruimte voor het verschil waardoor we elkaar echt tegen kunnen komen. Er kan alleen contact ontstaan wanneer we onze eigen plek innemen. Echt contact ontstaat wanneer je op je eigen plek staat en omarmt wie je bent. Perfectionisme als omarmd deel Nu ik volwassen ben kan ik de perfectionistische kant van mijzelf op een gezonde manier inzetten. Hier hoort bij dat ik alle kracht en kwetsbaarheid die in mij zit een plek krijgt in mijn leven. Dat wil enerzijds zeggen dat ik ze zelf durf te zien en anderzijds dat ik er ook echt naar ga leven door ze te laten zien. Dit wil niet zeggen dat ik niet meer mag streven naar ‘perfectie’. Het zit namelijk in mij dat ik geniet van mooie dingen maken. Ik houd ervan ergens eindeloos over na te denken, bij te schaven en iets nog meer tot z’n recht te laten komen. Ik vind er levenslust in – ook al vinden anderen dat ik de lat te hoog leg. Het gaat erom dat ik mij bestaansrecht niet van het resultaat af laat hangen. De weg naar diepe zelfacceptatie (zie artikelen Bestaansrecht en de Medaille van angst ) kan zich daarom niet alleen in mijn hoofd afspelen! Zelfacceptatie betekend dat ik mezelf uitleef, deel en ontvang, zodat ik de ander tegen kan komen. Dan ga ik leven in plaats van overleven en heb ik het toxische perfectionisme niet meer nodig. Echt leven is zien en gezien worden Echt leven is geven en ontvangen Echt leven is de schoonheid omarmen van het imperfecte En dat allemaal in contact brengen met de ander Daar is zin Daar is betekenis
- De Controle Paradox
Alle mensen hebben een behoefte aan een gevoel van controle. Onze toekomst is vol met onzekerheden. Het zoeken naar controle geeft je als mens een schijngevoel van grip op de onbekende toekomst. Hierdoor heb je het idee ‘veilig’ te zijn in het nu. Dat gevoel van veiligheid is essentieel om te kunnen ontspannen. Je kan pas rust ervaren wanneer je niet constant over je schouder hoeft te kijken. Heel functioneel voor je als je wil overleven. In onze drukke samenleving heeft dit een keerzijde. We denken grip te kunnen krijgen op onze toekomst door te plannen. Druk, druk, druk en je agenda is vol. Geen tijd voor ademhalen. Even, heel even heb je hierdoor een gevoel van veiligheid. Maar op de lange termijn kom je zonder dat je het in de gaten hebt vast te zitten in beklemming. Je behoefte aan veiligheid gaan ten koste van je vrijheid. Je overleeft, in plaats van dat je leeft. Als ik voor mezelf spreek wil ik in tijden van grote stress de touwtjes nog strakker aantrekken. Hoe onzekerder mijn toekomst lijkt, hoe groter mijn behoefte aan controle. Op het obsessieve af. Hierdoor beland ik in een wanhopige loop van gevangenschap. Mijn eigen brein heeft mijn lichaam geketend. Ik geniet niet meer, maar voel me angstig en alleen. In plaats van rust en veiligheid kom ik onrust en verstikking tegen. Dat wat mij moest redden (controle) deed mij ten ondergaan. Dat wat mij moet redden (controle) doet mij ten ondergaan. Wat hieraan ten grondslag ligt is mijn onvermogen om om te gaan met onzekerheid. Twee vormen van onzekerheid, om wel te verstaan. Ze hangen nauw met elkaar samen. Wanneer de obsessieve controledrang overheerst is dat voor mij een teken dat ik niet kan verdragen dat mijn toekomst onzeker is en dat ik overgeleverd ben aan het onbekende. Dit onvermogen wordt aangewakkerd door onzekerheid over mijzelf. Ik geloof diep van binnen blijkbaar niet dat ik veerkrachtig genoeg ben om te kunnen dragen wat de toekomst mij te bieden heeft. Of ik denk dat ik niet over de juiste vaardigheden beschik. Deze diepe overtuiging helpt mij in geen enkel opzicht. Ze maakt mij nog krampachtiger, waardoor mijn lichaam in de overlevingsstand blijft. Los van het enorme verlies van levenslust wat hiermee gepaard gaat, belemmert het ook mijn vermogen om open te staan voor nieuwe dingen. Leren wordt hierdoor onmogelijk. Logisch dat ik vervolgens niet geloof ik mijn eigen veerkracht. Ik gun mezelf niet eens de kans om struikelend en stuntelend de toekomst te onderzoeken, te vallen en bovenal mezelf liefkozend te pushen weer op te staan. Ik gun mezelf niet om met hernieuwde kracht en levenswijsheid de volgende uitdaging te omarmen. Ik verwacht blijkbaar dat ik het allemaal al moet kunnen voordat ik überhaupt weet wat ik in de toekomst nodig heb. Of ik ben te bang te ontdekken dat het wel lukt en dat er ‘verrek nog aan toe’ geen enkele reden is om mijzelf het leven te ontzeggen. Er is geen enkele reden is om mijzelf het leven te ontzeggen Faalangst? Succesangst? Geeft het een naam. Het helpt in ieder geval niet. Mijn drang naar controle door grip te houden op een onzekere toekomst, maakt me ziek, uitgeput, eenzaam en levenloos. Ik leef niet in het hier en nu. Ik adem niet maar hijg, zucht en steun. Ik durf mijzelf niet te zijn in het moment. Steeds denk ik na over hoe ik had moeten wezen of hoe ik zou moeten worden. Ik ben op de vlucht voor het verleden en de toekomst en maak mijn leven zo tot één grote verstrikking. Controle is een illusie die mij kwetsbaar maakt. Controle is een illusie die mij kwetsbaar maakt. Maar wat dan wel? Ik blijf als mens toch een behoefte hebben aan controle? En dat klopt, die behoefte kan ik niet uitzetten. Maar ik kan mijn invloed wel terugbrengen naar het enige moment waar ik die invloed heb: het hier en nu. In het hier en nu kan ik regie nemen waardoor ik de controledrang over toen en straks kan laten gaan. Nú geef ik mezelf niet meer over aan angst voor onzekerheid maar kies ik voor het leven. In het nú vind ik betekenis via contact met anderen of via het verhaal wat ik over mijzelf vertel. Alleen in het nú kan mijn leven zin hebben. Alleen in het nú kan ik iets doen. Laat ik daarom het improviseren omarmen! Improviseren mag meer aandacht krijgen. Hiermee bedoel ik niet dat ik mij niet meer voorbereid of nergens meer over op anticipeer. Hiermee bedoel ik dat je erop vertrouwt dat je kan handelen met wat nodig is in het hier en nu, ook wanneer je niet weet wat het toekomstige ‘hier en nu’ nodig gaat hebben. Het leven is vol van chaos en complexe correlaties die zichzelf niet laten uitleggen, hoe veel je ook je best doet grip te krijgen op oorzaken en gevolg. Daarom is het kiezen van de beste volgende stap in het moment het enige waar je grip op hebt. Zo raak je niet beklemt en angstig in verwachtingen over de toekomst die anders uitpakt, maar blijf je flexibel in je reactie. Je komt niet vast te zitten in overtuigingen over hoe je denkt dat ‘het zit, zat of zou moeten zijn’ in je eigen leven, in dat van een ander of ten aanzien van complexe problemen waar je mee te maken hebt. Nee, je bent open voor nieuwe informatie en trekt hier lering uit. Ineens blijk je heel veerkrachtig te zijn. In het nú is iedereen gelijkwaardig. Wat een verademing! Wat een bevrijdende veiligheid! Voor het schrijven van dit artikel heb ik inspiratie gehaald uit een aantal theoretische concepten en stromingen: - Psychoneuroimmunologie - Cynefin Framework - Gestalt Psychologie












